Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Reisgezellen: de twee reisgezellen of Waarheid en Leugen

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

AT 0613 - The Two Travellers (Truth and Falsehood)    AT 0613 - The Two Travellers (Truth and Falsehood)   

Beschrijving

The Two Travelers (Truth and Falsehood)

Tekst

Er waren eens drie 'kousenkeerls', Duitse marskramers die ventten met de helblauwe, groene en paarse Kloppenburger sokken die door de rijkste boeren van de Achterhoek op zondag gedragen werden. Ze lopen op een hete voorzomerdag over de Hessenweg richting Doesburg en ruziën over geld. Een van hen wedt om zijn mars met de anderen dat hij met zijn eerlijke stuiver verder zal komen dan zij met hun drie oneerlijke, maar in de eerste de beste herberg raakt hij zijn eerlijke stuiver al kwijt. Zijn makkers bespotten hem en nemen hem zijn mars af. Hij blijft er bij dat hij ook zonder zijn eerlijke stuiver verder zal komen en verwedt zijn beide ogen er onder. Weer verliest hij. Ze steken hem de ogen uit en gooien hem neer bij een galg onder een honderdjarige eik. Drie raven strijken neer in de eik en wisselen het nieuws uit. De eerste vertelt dat er die nacht dauw zal vallen die blinden ziende kan maken, de tweede dat achter in de tuin van de koning kruiden groeien die de zieke prinses beter kunnen maken en dat wie haar geneest haar tot vrouw zal krijgen. De blinde geneest zichzelf en de prinses en drie dagen later wordt de bruiloft al gevierd. Op een dag als hij uitrijdt om te gaan jagen treft hij zijn twee vroegere collega's bij de poort. Hij wreekt zich niet, maar onthaalt hen en vertelt wat hem is overkomen. Zij gaan nu naar de galg om ook naar de raven te luisteren, maar die hebben gemerkt dat hun geheimen bekend geworden zijn. Drie dagen later vindt men twee dode kerels met uitgepikte ogen op de galgenbult. Ver hebben ze het met hun oneerlijke stuivers niet gebracht. Dit vertelt Gerrit Jan Klokman (1864-1943) uit Laag Keppel in de Driemaandelijksche Bladen voor 1910. Het is een versie van AT 613: 'The two travellers (truth and falsehood)', een zeer geliefd, nu vrijwel wereldwijd verspreid sprookje, dat de morele problematiek van goed en kwaad weet te verbinden met een meeslepend verhaal. Sterk vereenvoudigd luiden de meeste negentiende en twintigste-eeuwse mondelinge versies ervan ongeveer zo: twee mannen (broers, soldaten, handwerkslieden, enz.), waarvan de ene goed en de ander slecht is, zijn samen onderweg. Hun eten raakt op en de slechte wil zijn brood alleen met de goede delen als die hem daar zijn ogen voor afstaat. Daarna laat hij zijn metgezel aan zijn lot over. De blinde luistert onopgemerkt onder een boom (galg) twee of drie dieren (vogels, kraaien, een beer, een wolf en een vos) of demonen (duivels) af en verkrijgt zo bovennatuurlijke èn praktische kennis. Hij komt bijvoorbeeld te weten hoe met geneeskrachtig water blindheid genezen kan worden, hoe een uitgedroogde stad van water voorzien kan worden (door een blauwe steen voor het paleis van de koning op te lichten), een dorre boom weer tot bloei gebracht kan worden en een zieke prinses genezen kan worden. Hij geneest zichzelf met het water, trekt naar de stad, boort het water aan, brengt de dorre boom tot bloei, geneest de prinses en krijgt haar hand, de hiervoor toegezegde beloning. De slechte hoort (eventueel van de goede, die hem alles vergeeft) hoe deze aan zijn kennis gekomen is en verstopt zich nu ook onder de boom (galg). De dieren enzovoort, voorzichtiger geworden omdat hun geheimen bekend geraakt zijn, laten zich deze keer niet afluisteren maar ontdekken en grijpen hem. Dit is een van de alleroudste sprookjes. Uit het oude Egypte is een in de dertiende of twaalfde eeuw v. Chr. te dateren papyrus bewaard gebleven met een populariserende omwerking van een mythe over een rechtsstrijd tussen de goden Horus en Seth, die, ondanks duidelijke verschillen, als een voorstadium van de 'Twee reisgezellen' gezien kan worden: een man, Leugen genaamd, klaagt zijn broer Waarheid aan voor de rechtbank van de negen goden. Hij zou een reusachtig mes van hem geleend en niet teruggegeven hebben. Waarheid kan dit niet bestaande mes niet voor het licht brengen, waarop de goden hem laten blinden en een dienaar opdragen hem door de leeuwen te laten verslinden. De barmhartige dienaar laat hem in leven en vrouwe Begeerte vindt hem. Zij maakt hem haar dorpelwachter en begint een heimelijke verhouding met hem, die resulteert in de geboorte van een zoon. Deze wordt op een keer door zijn schoolkameraden bespot omdat hij geen vader heeft. Zijn moeder licht hem nu in en hij hoort vervolgens van Waarheid hoe Leugen hem behandeld heeft. De zoon weet de leugen van Leugen te ontmaskeren door een even absurd verhaal over een reusachtige koe te vertellen. De goden beseffen nu dat ze door Leugen bedrogen zijn. Ze laten hem op zijn beurt blinden en maken hem tot dorpelwachter van Waarheid. "Zo verschafte de jongeling zijn vader recht en werd de strijd beslist tussen Waarheid en Leugen." Tweeduizend jaar lang ontbreekt dan elk spoor van dit verhaal, totdat het in 710 n. Chr. opduikt in een uit het Sanskriet vertaalde Chinese bundel stichtelijke boeddhistische geschriften (de zogenaamde Tripitaka) als de geschiedenis van de broers Goede Daad en Slechte Daad. Ook hier ontbreekt nog, evenals in de wat jongere middeleeuwse oriëntaalse varianten zoals bijvoorbeeld die van de Perzische dichter Nizami (1145-1202), de verbinding van de episode van het blind maken met die van het afluisteren van de demonen en de mislukte poging tot navolging. Deze elementen van afluisteren (omstreeks het jaar 1000 in andere verhalende contexten al aantoonbaar in Indische bronnen) en mislukte navolging vinden we zonder blind maken wel in een moeilijk dateerbaar, maar zeker middeleeuws (veertiende-eeuws?) verhaal, dat als 'Abu de Bedrieger en Abu de Rechtvaardige' een plaats kreeg in de Duizend en één nacht, en in een dertiende-eeuws, in Europa ontstaan Hebreeuws handschrift. In deze laatste bron duikt een nieuwe inleiding op: twee mannen (in dit geval een Jood en een niet-Jood) twisten erover wiens godsdienst de waarheid in pacht heeft en sluiten hierover een weddenschap. In het middeleeuwse Europa en de vroege nieuwe tijd wordt dit, meest in de vorm van een weddenschap over wie het sterkst is, de waarheid (gerechtigheid) of de leugen (ongerechtigheid) de gangbare redactie. In Nederland vinden we deze bijvoorbeeld in het 1554 te Antwerpen uitgegeven, uit het Duits vertaalde Een nyeuwe clucht boeck. De eerste volledige versie met zowel blind maken, afluisteren en poging tot navolging, stamt dan uit de vijftiende eeuw en komt voor in de Spaanse exempelverzameling Libro de los gatos. Langs verschillende wegen verspreidde dit sprookje zich nu tot in de nieuwste tijd. Voornaamste redactie werd er een waarin het blind maken van de goede als een daad van pure kwaadaardigheid van de slechte reisgezel en als de koopsom voor een bete broods wordt voorgesteld. De gebroeders Grimm namen er achtereenvolgens twee verschillende varianten van op in hun Kinder- und Hausmärchen. In de editie van 1815 een variant uit Mecklenburg, 'Die Krähen', die ze gekregen hadden van August von Haxthausen (1792-1866) -- deze had hem in 1813 op een nacht aan de Deense grens gehoord van een huzaar, die de volgende dag sneuvelde -- en in de editie van 1843 in plaats van deze een uit Holstein, ingezonden door een student uit Kiel: 'Die beiden Wanderer'. De laatste werd hun definitieve (nr. 107), wat jammer is, want 'Die Krähen' is een aansprekender verhaal. Uit Nederland kennen we naast een viertal Friese varianten (vanaf 1854) alleen bovenstaande van Klokman die opvalt omdat er in plaats van twee drie reizigers in figureren en omdat nog het oudere motief van de weddenschap als uitgangspunt dient. In Vlaanderen was de 'Twee Reisgezellen' een van de meestbekende wondersprookjes. Het is er zeventien keer genoteerd.

Literatuur

Teksten: KHM 107; Klokman 1936, p. 72-77; Van der Kooi 1979a, nr. 52; De Meyere 1925-1933, 1, p. 40-58, 118-122; De Mont & De Cock 1924, p. 196-201; Pleij 1983, nr. 220-221; Poortinga 1976, p. 103-107; Poortinga 1982, p. 48-50; Roeck 1980, p. 15-19, 176-177; Top 1982, nr. 14.
Studies: AT 613; EM 1, 195-197 en s.v. Die beiden -> Wanderer; Scherf 1995, 1, p. 74-78; Sinninghe 1943a, p. 23; VDK p. 347-348; De Meyer 1968, p. 77-78; BP 2, p. 468-482, 561-562; Christiansen 1919; Gerhardt 1964; Liungman 1961, p. 183-184; Mingels 1979; Uther 1981, p. 183-184.