Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Oude Hildebrand

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

AT 1360C - Old Hildebrand    AT 1360C - Old Hildebrand   

Beschrijving

Old Hildebrand

Tekst

Een getrouwde vrouw heeft een verhouding met een andere man en wil met hem een tijdje alleen zijn. Ze doet alsof ze ziek is en stuurt haar echtgenoot er op uit om ergens ver weg een geneesmiddel voor haar te kopen. De man komt onderweg een goede kennis tegen, die de list doorziet en de echtgenoot voorstelt samen terug haar huis te gaan. Hij zal hem dan in een mand het huis binnendragen, zodat hij ongemerkt kan zien wat zijn vrouw doet. Aldus geschiedt. De kennis gaat met zijn mand naar binnen. De vrouw heeft het zich daar ondertussen gezellig gemaakt met haar minnaar. Er wordt gegeten, gedronken en gezongen. Ze zingen ieder een liedstrofe die betrekking heeft op de weggestuurde echtgenoot. Deze springt tenslotte kwaad uit zijn mand, jaagt de minnaar het huis uit en geeft zijn vrouw een afranseling. Dit verhaal behoort tot het uitgebreide complex van grappen in verband met echtbreuk. Het komt in de Kinder- und Hausmärchen van de Grimms voor ('Der alte Hildebrand', nr. 95) en is in de negentiende en twintigste eeuw enkele keren in Nederland (Friesland, Noord-Holland en Limburg) genoteerd. De meeste optekeningen (ruim 200) komen uit Europa, verder komt het verhaal in Amerika voor en zijn er ook uit Azië steeds meer varianten bekend geworden. De handeling vertoont nauwelijks variaties. Variatie is er wel in de onderdelen, bijvoorbeeld de smoezen die de vrouw bedenkt om haar man van huis weg te krijgen, of de gezongen liedstrofen. In het in 1901 door de arts Cornelis Bakker in Zuiderwoude opgetekende verhaal stuurt de vrouw haar man naar 'De Oost' (Indië) om sinaasappels te halen in een leren zak. In haar liedstrofe wenst ze haar man dood: Ik heb hem gegeven een leren zak. Ik wou dat hij onderweg zijn nek, zijn hart en zijn nieren brak. In het sprookje van de Grimms wenst de minnaar slechts dat de echtgenoot een jaar wegblijft. De minnaar is in veel varianten een geestelijke, in de vroege Friese varianten is hij een dokter. Deze kluchtstof is waarschijnlijk uit het gewone leven gegrepen. Zo blijkt uit Oostenrijkse processtuken dat in 1594 een vrouw deze list in de praktijk had toegepast en dat haar man de zaak niet had vertrouwd, was teruggekomen en haar met haar minnaar had betrapt. Terwijl de stof in verhaalvorm pas in de negentiende eeuw in de Kinder- und Hausmärchen voor het eerst voorkomt -- hun verhaal stamt uit Oostenrijk --, is deze al veel eerder bekend uit toneelstukken. Vooral de slotscène leent zich uitstekend voor een dramatische vormgeving. De vijftiende-eeuwse Vlaamse klucht Een cluijte van Plaijerwater is het vroegst bekende stuk. Het verhaal van de Oude Hildebrand moet toen al populair geweest zijn, getuige het feit dat Pieter Bruegel de Oude de slotscène op zijn schilderij De kermis heeft weergegeven. Deze afbeelding is door anderen vele malen gecopieerd. Jongere Vlaamse varianten zijn niet bekend. Als lied op een liedblad circuleert de Oude Hildebrand al rond 1600 in Duitsland ('Der Kaufmann von Stralsund'). Ook in Nederland zijn varianten op de Oude Hildebrand diverse malen als gezongen lied opgetekend. De hoofdpersoon is een boer die het land op gaat om te werken of door zijn vrouw gestuurd wordt. Hij keert niet verstopt in een mand, maar eigener beweging terug en betrapt zijn vrouw met een minnaar. Het volgende lied, gezongen door mevrouw T. Kroon-Meijer, werd in 1962 in Kolhorn door A. Doornbosch op de band opgenomen (archief PJMI). Zeg hebt gij al van dat vrouwtje gehoord, Dat vrouwtje uit Tenaten. Die had er zo'n lelijke man getrouwd, Ze wou niet bij hem slapen Zij stuurde hem uit om hooi Zij stuurde hem uit om strooi. Zij stuurde hem uit om hooi en strooi, Zo ver van huis is mooi. Een patertje bij het vrouwtje kwam, En wat zullen we 't avond eten, Een dikke rijst met suiker erin, En dat was naar de pater zijn zin. En me man is uit om hooi, En me man is uit om strooi, En mijn man is uit om hooi en om strooi, Zo ver van huis, het is mooi. En het patertje tegen het vrouwtje sprak, Hoe zullen we 't avond slapen, En ik een deken en gij het laken, Zo zullen wij wel in slaap geraken, Mijn man is uit om hooi, En mijn man is uit om strooi, En mijn man is uit om hooi en om strooi, Zo ver van huis, het is mooi. En ik ben er ja niet ver van huis, Maar sta hier achter de deuren, En het grapje dat gij daar beginnen wil, En dat zal nooit gebeuren, Want ik ga nooit weer om hooi, En ik ga nooit weer om strooi, En ik ga nooit weer om hooi en om strooi, Zo ver van huis het is mooi.

Literatuur

Teksten: KHM 95; Leendertz 1907, p. 160-180; Poortinga 1981, p. 293-294.
Studies: AT 1360C; VDK p. 445; Sinninghe 1943a, p. 35; BP 2, p. 373-380; EM 6, 1011 1017; Schmidt 1963, p. 327-342.