Onderwerp
AT 1730 - The Entrapped Suitors   
Beschrijving
The Entrapped Suitors
Tekst
Ergens in Limburg. Een beeldhouwer en zijn vrouw zijn al acht jaar getrouwd -- en hebben nog steeds geen kinderen. De pastoor spreekt de vrouw hier op aan. Zij legt de schuld bij haar man. `Dan moet ik het maar doen', zegt de pastoor. `Goed', zegt de vrouw en zij spreekt met hem af dat hij de volgende avond om zes uur zal komen. De pastoor vertelt dit zijn vriend, de schoolmeester. Die heeft ook wel zin in de mooie beeldhouwersvrouw en maakt met haar een afspraak voor dezelfde avond om zeven uur. Ook de meester kan het niet voor zich houden en vertelt het de slager. Ook deze spreekt met de vrouw af, om acht uur.
Op de afgesproken tijd komt de pastoor en begint met de vrouw. Dan belt de meester. De vrouw stopt de naakte pastoor in een grote kast en wijdt zich aan de meester. Die wordt onderbroken door de slager en gaat eveneens naakt de kast in. Hij denkt dat daar een naakt beeld staat. Als de slager bij de vrouw is komt haar man thuis met twee klanten. Ook de slager moet ook in de kast. De bezoekers zijn vol lof over de beelden. `We hebben er nog veel mooiere', zegt de vrouw en opent de kast. Omdat het daar donker in is, steekt ze de slager een brandende kaars in de aars. Nu wordt het de drie liefhebbers te veel en ze slaan op de vlucht.
De volgende dag preekt de pastoor in de kerk. De vrouw van de beeldhouwer zit vooraan. De pastoor zegt:
`Daar zit zij in rood satijn.'
`Ze was van u, maar ook van mijn,'
antwoordt de schoolmeester.
De slager, die achterin zit, voegt hier aan toe:
`Ze was van ons altegaar,'
`Ze maakte van mijn reet een kandelaar.'
Deze cante-fable (volksverhaal met lied- of rijmfragmenten) die Dam Jaarsma (1914-1991) in 1969 optekende in het Friese Boelenslaan, kent een lange en complexe voorgeschiedenis. Hij wordt voor het eerst grijpbaar in India, in de Kathasaritsagara (`De oceaan van sprookjesstromen') van Somadeva, een in de tiende eeuw te dateren verhalenboek. Daarin is dit verhaaltype (AT 1730: `The entrapped suitors') al in twee verschillende redacties opgenomen:
(1) De deugdzame vrouw van een afwezige koopman wordt begeerd door drie dienaren van de koning en door een bankier. Zij nodigt hen kort na elkaar bij zich thuis. De drie dienaren laat ze in het donker in een bad zwart maken en ze sluit ze daarna, voorwendend dat er iemand aan komt, elk op in een mand. De bankier, die gedreigd had het geld van haar man achterover te zullen drukken, jaagt ze met hetzelfde voorwendsel naakt de straat op. De volgende dag klaagt ze hem bij de koning aan. De drie manden neemt ze mee. De bankier ontkent dat hij geld van haar man heeft, maar zij laat haar huisgoden (de zwarte mannen in de manden) zweren, dat dit wel zo is. De bankier bekent, de koning wil de 'goden' zien en zo komt de ware toedracht uit.
(2) De god Siva geeft aan een koopman die op reis moet en aan zijn deugdzame vrouw elk een lotus. Zolang zij elkaar trouw blijven zal deze niet verwelken. Vier kooplieden in de stad waar de man verblijft horen hiervan en besluiten de vrouw te verleiden met behulp van een koppelaarster. Deze laat de vrouw een huilende hond zien en beweert dat deze een vrouw is geweest die is betoverd omdat ze zo dom was kuis te blijven (= AT 1515: 'The weeping bitch'). De koopmansvrouw heeft haar door, nodigt de mannen achterelkaar bij zich, verdooft en brandmerkt ze en laat ze vervolgens gaan. Dan reist ze naar haar man en claimt dat de vier kooplieden haar slaven zijn: de merktekens op hun voorhoofd bewijzen dit. De waarheid komt nu aan het licht.
De Kathasaritsagara bevat veel ouder materiaal en het is duidelijk dat dit verhaaltype toen al langer circuleerde. Men heeft het zelfs willen herkennen in een medaillon op de stupa van Bharhut uit het begin van de eerste eeuw voor Christus.
In de loop van de middeleeuwen waaiert dit verhaal dan uit over de islamitische Oriënt, waar het onder andere wordt opgenomen in het Perzische papagaaienboek, de Tuti-Nameh, in de Duizend en één nacht (twee keer), in het Arabische Boek van de zeven vizieren, in de Turkse Geschiedenis van de veertig vizieren en later ook in de Perzische Duizend en een dag. Ook in het middeleeuwse Europa duikt het nu op. Daarbij blijven de oude elementen, maar worden er ook voortdurend nieuwe aan toegevoegd, dikwijls ook met andere accenten. Naast trouwe vrouwen die belaagd worden door geile kerels ontmoeten we nu ook vrouwen, die maar al te graag op hun attenties ingaan, maar als ontdekking dreigt zich handig uit de situatie weten te redden door hun onfortuinlijke minnaars tot object van hoon en spot te maken. Ook hun mannen krijgen een actievere rol. Zij zijn vaak niet weg en brengen hun vrouwen, hetzij omdat deze hen van de ongewenste toenaderingen vertellen, hetzij omdat zij een en ander ontdekken, er toe de vrijers aan te moedigen en na elkaar uit te nodigen, waarop zij hen opsluiten. Verder wordt nu ook de bestraffing van de belagers nader uitgewerkt. Zo laat men bijvoorbeeld hun vrouwen hen in hun precaire situatie ontdekken, of moeten zij in hun schuilplaats knarsetandend toezien hoe de echtgenoot van de omworvene hun eigen vrouwen verleidt, of, radicaler nog, worden zij op gruwelijke wijze omgebracht.
In het laatste geval treden vaak contaminaties op met andere verhaaltypen, die als kern hebben het wegwerken van een of meer lijken, zoals 'Het meermaals gedode lijk' (AT 1537: 'The corps killed five times') of 'De drie gebochelden' (AT 1536B: 'The three hunchback brothers drowned'). Zo bijvoorbeeld in sommige redacties van de in de twaalfde eeuw uit het zogenaamde (oorspronkelijk wel Perzische) vroeg-middeleeuwse Boek van Sindbad ontstane Historia septem sapientium, ook in de Nederlandse versie (Die hystorie van die seuen wijse mannen van romen, oudste druk 1479). Hier doodt de man de minnaars, drie ridders, en weet de vrouw, met desastreuze gevolgen -- hij brengt ook haar man om --, haar broer er toe te brengen hun lijken weg te werken. Tot een elegantere oplossing komt Boccaccio (1313-1375) in de achtste novelle van het achtste boek van zijn Decamerone: een man heeft een verhouding met de vrouw van een vriend. Als deze er achter komt laat hij zijn vrouw de vriend in een kist opsluiten en slaapt hier bovenop met diens vrouw. Zij besluiten vervolgens tot een gelukkige menage met z'n vieren. Dezelfde thematiek duikt ook op in de Middelnederlandse boerde 'Van enen man, die lach gheborgen in ene scrine' en in het toneelstuk Bedrooge jalouzy van Jan van Breen (1659). In de middeleeuwse Franse fabliau (kort, rijmend humoristisch verhaal) Constant du Hamel worden de minnaars door de vrouw in een vat met veren gestopt en vervolgens de straat op gejaagd, waar de dorpshonden hen blaffend achtervolgen.
Al deze accenten en motieven blijven, op een na, tot in de negentiende eeuw in de literaire overlevering (als proza-verhaal, rijmstuk, toneelstuk en ook als libretto van komische opera's) van dit verhaaltype doorwerken. Het zijn meestal galante bewerkingen, humoristisch van aard, waarin de vernedering van onnozele minnaars door een sluwe vrouw en/of haar echtgenoot centraal staat -- altijd en overal een geliefd thema. Maar ook meer pedagogische bewerkingen met moralistische toonzettingen, waarin de vrouw op een voetstuk gezet wordt, ontbreken niet. Zo bijvoorbeeld in 'De hingelmatte' van de populaire Friese volksschrijver Waling Dykstra (1821-1914), voor het eerst afgedrukt in zijn verhalenbundel It heamiel by Gealeboer (1850). Hierin wordt de vrouw van een matroos benaderd door een bakker, een slager en een rentenier. De matroos zorgt ervoor dat de mannen zich in een hangmat moeten verstoppen en nodigt vervolgens hun echtgenotes op de koffie. Tijdens het keuvelen snijdt hij de hangmat open en rollen de heren over de vloer.
Minder deugdzaam is de dienstmeid Aaltje uit het op een Leeuwarder liedblad uit de negentiende eeuw overgeleverde straatlied 'De uitgezaagde minnaar, of de drie oude snoepers'. Zij wil de drie bejaarde maar rijke heren die naar haar gunsten dingen graag ontvangen, maar zij komen te snel na elkaar en de eerste twee worden in een oude kast op zolder gestopt. Als de derde komt, zakken de eerste twee erdoor. Een timmerman moet ze uitzagen en op het kabaal komen ook hun vrouwen af. De zanger besluit met de moraal:
Gehuwde heren, die helaas
Nog haakt naar and're vrouwen,
Och, wees niet langer blind en dwaas,
Of 't zal u eenmaal rouwen.
En gij ook, jonge liên,
Wilt ook dit voorbeeld zien,
Hoe 't meest met die Sirenen
Zoals met Aaltje is gesteld.
Zij minnen er niet enen,
Maar loeren op uw geld.
Het oude motief dat op den duur uit dit verhaaltype is verdwenen, is dat van het kuisheidsteken. Het beleeft in dit type zijn laatste bloei in de latere middeleeuwen, als de door troubadourspoëzie en ridderepiek bezongen trouw van de achtergebleven echtgenote opnieuw een geliefd thema wordt. In sommige redacties van het omstreeks 1300 ontstane populaire verhalenboek de Gesta Romanorum vinden we volgend verhaal: een timmerman krijgt van zijn schoonmoeder een hemd dat schoon zal blijven zolang hij en zijn vrouw elkaar trouw blijven. Hij werkt aan de bouw van een paleis en de keizer, die nieuwsgierig is geworden omdat zijn hemd zo schoon blijft, vraagt hem hoe dit komt. Hij vertelt dat dit een bewijs is van de trouw van zijn vrouw. Een soldaat die dit afluistert, probeert de vrouw te verleiden, maar zij sluit hem op water en brood op in een kamer. Twee collega's van hem overkomt hetzelfde. Als de timmerman weer thuiskomt en zijn vrouw zijn schone hemd toont, brengt ze hem bij de soldaten. Deze worden vrijgelaten op voorwaarde dat ze hun leven zullen beteren. Meer uitgewerkt vinden we deze redactie in The Wright's Chaste Wife van Adam van Cobsham uit 1462. Hierin laat de begeerde vrouw haar drie vrijers (een edelman en twee hoge dienaren) spinnen voor hun levensonderhoud -- een voor hen uiterst vernederende bezigheid. Aan het slot kunnen hun vrouwen hen weer afhalen.
In de loop der tijden werden de literaire varianten van de 'Vrijers in de kast' steeds keuriger, maar er bleef wel degelijk een meer scabreuze traditie bestaan. Die ging echter grotendeels ondergronds verder, in de mondelinge overlevering. Deze kennen we wat dit type betreft niet zo goed, ongetwijfeld omdat veel verzamelaars van volksverhalen -- slechts uitzonderingen onder hen hadden ook oog voor het 'onfatsoenlijke' volksverhaal -- het links lieten liggen. Uit de grote, zij het disparate orale verspreiding van het type (Europa, het Midden-Oosten, India, China, Noord-Amerika) blijkt echter wel dat veel vertellers er geen moeite mee hadden. Een van de opvallendste redacties die dan in de mondelinge overlevering opduiken is wel de hier gepresenteerde cante-fable. In deze kandelaar-redactie is het verhaal geïncorporeerd in de grote en uiterst geliefde thematische kluchtgroep waarin de (vermeende) wellustigheid van, vooral katholieke, geestelijken en ander kerkpersoneel gehekeld en belachelijk gemaakt wordt. In de meeste varianten van deze redactie, bekend uit Nederland (Friesland -- daar al circa 1850 genoteerd -- en Brabant), Duitsland en Zuid-Europa, is de (overspelige) vrouw van een beeldhouwer de hoofdpersoon.
In sommige van deze varianten wordt de vlucht van de 'beelden' beter gemotiveerd dan hierboven: de bezoekers stellen voor om ze in de schaamstreek nog wat bij te werken (te castreren). Een verband met het oude, in grote delen van Europa bekende, al in de middeleeuwen, onder andere als fabliau ('Le prêtre crucifé') en Italiaanse novelle circulerende motief: kunstenaar dreigt als beeld vermomde minnaar van zijn vrouw te castreren (AT 1359C: 'Husband prepares to castrate the crucifix'), ligt voor de hand. Een mengvorm van dit verhaaltype en de 'Vrijers in de kast' vinden we al in een Duits verhalend gedicht (Märe) van omstreeks 1300: 'Der Herrgottschnitzer'. Hierin lokt op aanraden van haar man de vrouw van een beeldhouwer de pastoor die haar begeert in het atelier en laat hem, als haar man 'onverwachts' thuiskomt voor een kruisbeeld van een leerling doorgaan. De man vindt het beeld uitstekend, maar besluit om het tussen de benen hangende gedeelte nog wat bij te snijden. De priester vlucht. Onze jongere kandelaar-redactie bouwt hier duidelijk op voort.
In totaal kennen we zeven jongere varianten van dit type uit Nederland. Vier hiervan moeten tot de kandelaar-redactie worden gerekend. Uit Vlaanderen hebben we er drie.
Literatuur
Teksten: De Blécourt 1980, nr. 3.14; Dykstra 1850, p. 65-76; De Haan 1957b, p. 51-54, 196; Van der Kooi & Meerburg 1990, nr. 97; Kruyskamp 1957, p. 33-35.
Studies: AT 1730; EM 8, 1056-1063; Sinninghe 1943a, p. 42; VDK p. 540; De Meyer 1968, p. 127; Liungman 1961, p. 332; Ranelagh 1979, p. 233-242; Uther 1989b.
Studies: AT 1730; EM 8, 1056-1063; Sinninghe 1943a, p. 42; VDK p. 540; De Meyer 1968, p. 127; Liungman 1961, p. 332; Ranelagh 1979, p. 233-242; Uther 1989b.
