Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Wie spreekt het eerst?

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

AT 1351 - The Silence Wager    AT 1351 - The Silence Wager   

Beschrijving

The Silence Wager

Tekst

Wanneer een arme schoenmaker en zijn vrouw een buitenkansje hebben, besluiten ze pannenkoeken te bakken -- daar is de man dol op. Maar ze hebben geen koekenpan. Een buurvrouw wil deze wel lenen, op voorwaarde dat zij ook een paar pannenkoeken zal krijgen. Maar ze eten alles op. Nu wil geen van beiden de koekenpan terugbrengen. De man stelt voor dat ze aan hun werk zullen gaan en dat wie het eerst een woord spreekt de pan terug zal bezorgen. De schoenmaker gaat fluitend aan zijn werk en de vrouw begint te spinnen. Een buurman komt met een schoen die gerepareerd moet worden en wil wel een praatje maken, maar hij kan geen woord uit het echtpaar krijgen. Dan wendt hij zich tot de vrouw. Vroeger, toen ze nog met hem vrijde, kon ze toch aardig babbelen. Hij wil proberen haar dat opnieuw te leren. Hij trekt een stoel bij en doet alsof hij haar wil kussen. Dat wordt de man te veel. Hij roept: "Ho! Nu gaat het ver genoeg!" De vrouw klapt van blijdschap in de handen; hij heeft het verloren en moet de pan terugbrengen en haar achterlaten in het gezelschap van haar vroegere minnaar. Zo ongeveer loopt het rijmstuk 'De koekpanne' in de verhalenbundel It heamiel by Gealeboer (1850) van de Friese volksschrijver en verzamelaar van volksverhalen Waling Dijkstra (1821-1914). Hij gebruikte als bron voor zijn gedicht een toen en later in Friesland gangbaar volksverhaal en als zodanig heeft hij het later ook in proza gepubliceerd. Het is een lezing van een oud en verbreid verhaaltype (AT 1351: 'The silence wager') uit de zo geliefde categorie humoristisch-didactische verhalen over de gespannen relaties tussen meer of minder onnozele echtelieden, die kibbelend over trivialiteiten groot onheil over zich afroepen. Het leverde ook de stof voor talloze literaire bewerkingen. De geschiedenis van dit verhaaltype begint in India. We vinden het voor het eerst in de zogenaamde Tripitaka, een Chinese verzameling van uit het Sanskriet vertaalde boeddhistische geschriften, in een verzameling apologen uit 492. Een man en een vrouw hebben drie pannenkoeken. Ze krijgen elk een, de derde is voor wie het langst kan zwijgen. Dieven breken in en kunnen alles meenemen. Ook als ze de vrouw willen grijpen, blijft de man zwijgen maar zij kan zich niet meer stilhouden. De Indiase bron is verloren gegaan maar ruim 500 jaar later, in 1014 in de Dharmapariksa ('Onderzoek van de godsdienst') van Amitagita, vinden we dit verhaal inhoudelijk vrijwel gelijk terug. Het is nu ingebed in een in het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië geliefde raamvertelling: 'De grootste dwaas' (AT 1332: 'Which is the greatest fool'). Drie (of vier) mannen willen iets hebben wat de domste van hen is toegezegd. Ze vertellen elk hun grootste stommiteit. Ook in de jongere overlevering uit deze gebieden wordt het meestal in dit raamwerk geplaatst. Maar hier duiken ook nieuwe aanleidingen op: wie zal de deur dicht doen en (voornamelijk in Perzië) wie zal het kalf of de ezel water geven. Het is nog vrijwel altijd de vrouw die als eerste spreekt, omdat dieven haar of hun bezittingen mee willen nemen, omdat een rechter dreigt haar man te onthoofden of omdat een barbier zijn gezicht bewerkt. Waarschijnlijk vanuit het Midden-Oosten waaide het verhaaltype over naar Europa. Invloedrijkste hoewel niet oudste Europese versie, is die in de beroemde Italiaanse sprookjesbundel Le piacevoli notti (1550-1553) van Giovan Francesca Straparola (ca. 1480-1557). Ook hij plaatst het verhaal in een raamvertelling: drie sufferds vinden een ring en vechten om het bezit ervan. Een heer beslist dat de luiste van hen drieën hem mag hebben. De derde komt met ons verhaal (deur sluiten). Weldra wordt het in Europa ongemeen geliefd en op allerlei manieren verder doorgegeven, als prozaverhaal, als rijmstuk, ballade, straatlied, toneelklucht, almanakvertelling, mondelinge overlevering, enzovoort. Het raamwerk raakt hierbij weldra op de achtergrond. Aanvankelijk is vooral het sluiten van de deur de aanleiding voor de echtelieden om het zwijgen er toe te doen en vaak maakt een man hiervan gebruik door bij de vrouw in bed te kruipen. Nu eens vindt ze dit zelf te ver gaan en stuift ze op, in andere versies weer heeft ze hier geen bezwaar tegen maar kan de man dit niet aanzien, wordt hij jaloers en verliest hij zo de weddenschap. Later, in de negentiende eeuw, wordt dan de ook door Dijkstra opgepikte redactie (wie brengt de pan terug?) de meest gangbare, meestal met een schoenmaker en zijn vrouw als zwijgers. Dijkstra's tekst is overigens niet de oudste uit Nederland. In almanakken (bijvoorbeeld in het Oprecht IJlster Almanach voor 1671) en in kluchtboeken als de uit het Frans bewerkte St. Niklaesgift (1644, 1647) vinden we al veel eerder de deur-redactie. De oudste Europese versie is een Italiaanse novelle van Giovanni Sercambi (1347-1424). Hij heeft geen raamwerk. De man en de vrouw twisten bij hem over wie de afwas moet doen. Als hun buren denken dat ze stervende zijn, doet de man hier zijn voordeel mee. Door middel van gebaren verdeelt hij hun 'erfenis'. Als hij een geliefd kledingstuk van zijn vrouw aan iemand toewijst, protesteert zij. Deze lezing staat enigszins buiten de gangbare tradities, maar zij heeft toch ook haar sporen nagelaten. In de negentiende-eeuwse Vlaamse en de twintigste-eeuwse Noord-Duitse overlevering duikt hij weer op: de heren van de wet willen een sprei meenemen bijvoorbeeld, of de dominee wil een buurvrouw de rok van de vrouw geven als betaling voor het waken bij de 'zieken', die geen zin hebben om af te wassen. In een recente, zowel in Europa als Noord-Amerika genoteerde, vooral in homosexuele subculturen circulerende redactie is ook een grote afwas startpunt van het gebeuren: een man op een fiets komt bij een huis waar een man, een vrouw en hun dochter wonen. Hij blijft eten. Wie van de drie het eerst spreekt moet de afwas doen. Hij grijpt eerst de dochter, dan de moeder. Niemand zegt iets. Dan vraagt hij de man om olie. Hij wil zijn fiets smeren, maar de man denkt dat hij het ook op hem voorzien heeft en kiest dan toch maar liever voor de afwas. Deze redactie is recentelijk in getekende vorm ook in het derde deel van de 'erotische' stripboek-serie Rooie oortjes van Di Sano verspreid. Als mondeling doorgegeven verhaal is dit verhaaltype in de negentiende en twintigste eeuw in vrijwel heel Europa, in grote delen van Azië (tot in China en Korea) en in geheel Amerika genoteerd. In Nederland is het als zodanig tot dusverre alleen in het Noorden (Friesland en Groningen) gevonden. In de Friese overlevering wordt het ook wel gecombineerd met een verwant verhaaltype dat eveneens op humoristische wijze, zij het ook vanuit een meer uitgesproken mannelijk perspectief (vrouwen zijn nieuwsgierig en kunnen nooit hun mond houden) een strijd tussen echtelieden belicht, dat van de 'Verloren tong' (AT 1351A*: 'Lost tongue'). In dat verhaaltype, vooral in Duitsland en Nederland gevonden (in beide landen al in de zeventiende eeuw) brengt een man zijn mokkende vrouw die weigert nog langer met hem te spreken er toe haar mond weer open te doen door met een lamp of kaars net zo lang het huis te doorzoeken tot zij haar nieuwsgierigheid niet langer kan bedwingen en vraagt: "Wat zoek je toch?" Het antwoord luidt: "Je tong." Gecombineerd met 'Wie spreekt het eerst?' is het vervolg dat de vrouw nu de koekenpan weg moet brengen. Uit Vlaanderen kennen we acht teksten van 'Wie spreekt het eerst?' De 'Verloren tong' is er niet gevonden.

Literatuur

Teksten: Dykstra 1850, p. 83-88; Dykstra 1895-1896, p. 123-125; Van der Kooi 1977, p. 18-20; Van der Kooi & Meerburg 1990, nr. 87; Van der Kooi & Schuster 1993, nr. 36-37; Ter Laan 1959, p. 123; De Meyere 1925-1933, 3, p. 102; De Mont & De Cock 1925, p. 189-190; Poortinga 1979, p. 302-303.
Studies: AT 1351, 1351A*; VDK p. 440; De Meyer 1968, p. 108; EM s.v. Schweigewette; Brown 1922.