Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Tanden in het riet

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

SINUR 0130B - Drei Zähne im Schilfrohr    SINUR 0130B - Drei Zähne im Schilfrohr   

Beschrijving

Drei Zähne im Schilfrohr

Tekst

Als je goed kijkt naar het riet, dat in de sloten groeit, dan zul je zien dat er in ieder blaadje drie tanden staan: er is geen enkel blaadje of die drie tanden staan erin. Dat is nog uit de tijd dat Onze Lieve Heer moest vluchten naar Egypte. Onze Lieve Vrouw en ons lief Heertje zaten op een ezel, en die ezel had erge honger. En hij probeerde altijd maar om in het riet te bijten langs de weg in de sloten. Maar de heilige Jozef had haast én de ezel mocht geen ogenblik blijven staan en de blaadjes van het riet slipten tussen zijn tanden door. Hij kon er geen een afbijten, maar zijn tanden stonden erin. En ze staan er nog in, zoals je heel goed kunt zien. (Sinninghe, p. 205.)
De sage die verklaart waarom er tanden in het riet staan, kent in totaal een zestiental subtypen. De zeventien opgetekende Nederlandse versies van deze sage kunnen in elf subtypen worden ondergebracht. Allereerst zijn er de verschillende subtypen waarin een ezel in het riet bijt (a t/m h), waaronder hierboven die over het ezeltje waarop Maria met het kind Jezus naar Egypte vlucht. Dan is er een subtype waarin het de ezel is waarop Maria samen met Jozef naar Bethlehem rijdt. Een enkele keer is het de ezel van Bileam. In een ander subtype is de ezel het rijdier van Christus waarop hij door de beek Kidron trekt. Daarnaast is het Christus die de beetafdrukken veroorzaakt (I t/m m). De sage waarin Christus aan het kruis hangt en edik (azijn of zure wijn) op een rietstok krijgt aangeboden en hierin bijt, komt een aantal malen voor. Of het is Christus die uit angst in het riet bijt. Een enkele keer wordt Petrus beschreven als degene die de beetafdrukken veroorzaakt (p) en een laatste subtype heeft betrekking op de duivel (n t/m o). Meestal wordt hij door Jezus bevolen zich in het riet te verschuilen als hij op het kruis wil gaan zitten. Een subtype dat alleen in het buitenland gevonden is, spreekt over de duivel en zijn grootmoeder die ruzie hebben. De sage van de tanden in het riet is dus ook in andere Europese landen te vinden, zoals in Hongarije, Duitsland en België. Wel komt volgens H. Marzell deze sage vooral in het Nederduitse gebied voor.

Onderstaand schema geeft de verschillende subtypen van het sagentype 'De tanden in het riet'. De indeling is gebaseerd op de gevonden Nederlandse en buitenlandse versies van de sage en wordt gegeven om inzicht te scheppen in het aantal en de verschillende subtypen van deze sage.

gevonden Nederlandse subtypen
a: ezel waar Maria en het kind Jezus op rijden.
b: ezel waar Jezus de wereld op rondrijdt.
d: ezel van Christus waarvoor hij in Jeruzalem geen water krijgt.
f: ezel waar Bileam op rijdt.
g: ezel van Noach.
h: ezel van de duivel bijt.
j: Christus bijt in het riet als hij er azijn op krijgt aangeboden.
k: Christus bijt als hij gegeseld wordt.
l: Christus bijt in riet dat hem als spot in de mond wordt geduwd.
n: Duivel bijt als Christus hem van het kruis jaagt.
p: Petrus bijt.

subtypen waarvan geen Nederlandse versies zijn gevonden
c: ezel bijt als Jezus ermee door de beek Kidron rijdt.
e: ezel bijt als Jezus naar Bethlehem rijdt.
i: Christus bijt als boot lek is.
m: Christus bijt uit angst voor lijden.
o: Duivel bijt als hij ruzie met zijn grootmoeder heeft.

In een ander sagentype wordt het riet beschreven als zijnde eigendom van de duivel. Ook zijn er andere sagentypen die betrekking hebben op riet en eveneens zijn er sagen die lijken op ons type, maar dan handelend over een andere plant, namelijk de bies.
Daar de sage betrekking heeft op Christus of andere bijbelse figuren, wordt deze overlevering ook vaak een legende genoemd. Echter, legenden verklaren door welke heiligen, waarom en hoe een of ander wonder werkt. Dit is op deze sage niet zozeer van toepassing en 'oorsprongssage' is dan ook de betere benaming. Wel zijn in het Nieuwe en Oude Testament de verschillende plaatsen terug te vinden, waarin de gebeurtenissen plaatsvinden die in de verschillende subtypen van de sage gebruikt worden om uit te leggen waarom het riet deze kenmerken heeft. Dit laatste gegeven wordt echter niet in de bijbel verhaald. (Mattheus 14:30; Mattheus 27:48; Johannes 18:1; Marcus 15:36)
De oorsprong van de sage ligt dan ook niet in een bijbelse context. De uitleg van O. Dähnhardt staat in de traditie die tot in de tweede helft van deze eeuw heerste, namelijk dat in de volksverhalen een kern van oeroud geloof werd overgeleverd. Volgens Dähnhardt is de sage een heidense overlevering, waarbij in plaats van een oud mythisch wezen nu Christus, Petrus of de duivel genoemd wordt. Hij suggereert dat het riet in het heidense geloof wellicht een belangrijke betekenis had en misschien is er een verband met de Germaanse god Donar. In zijn boek over natuursagen trekt hij een parallel met een heilige struik waaraan de Scandinavische god Thor zich in een storm vasthield. Dähnhardt schrijft in 1909 dat van deze struik wordt gezegd dat hij heilig is en dat men in Zweden vandaag de dag nog gelooft dat een stok van deze struik tegen toverij beschermt. Op schepen zou men graag iets hebben dat van dit hout is gemaakt, omdat het tegen storm- en watergeesten zou beschermen. De varianten die over de azijndrank gaan, zullen jonger zijn en bedacht om de oude sage van 'de over de golven varende god' door een zuiver christelijke te vervangen, aldus Dähnhardts theorie.
Deze opvatting over een oud-germaanse herkomst van sagen is ook in de 'plantlore', een onderafdeling van de folklore, terug te vinden. De sage is een plantensage en is daarom ook in de literatuur over 'plantlore' te vinden. J. Schrijnen betoogt in 1910 dat de Germanen 'zich het meest gevoelig toonden voor de wonderen der schepping om hen heen.' Zij zagen een overeenkomst tussen de plant en hen zelf en zij schreven aan de plant een ziel toe, gelijkvormig aan die van hen. Naast dat de 'plantlore' deze cultus reconstrueert, toont zij ook 'nog menig rudimentair overblijfsel der oude mythologische voorstellingen.' De goden en godinnen waar de planten aan gewijd waren, werden bij de kerstening vervangen door Christus en heiligen, aldus Schrijnen. F. Ranke wijst erop dat de tijd voorbij is, waarin dit oude idee leefde dat men alle volksoverleveringen voor oeroud hield. Hoe oud een sage is, kunnen wij dan ook niet beantwoorden. T. Johansen constateert dat de meeste etiologische verhalen christelijk zijn en dat geldt ook voor onze sage. Wellicht is deze sage, die in de Dresdense Romantiek zo geliefd was, een kinderverhaal. Zo werd het later in ieder geval gebruikt door L. Weismantel in zijn Bloemenlegende (1921) bedoeld voor kinderen, aldus H. Rosenfeld.
Naast een plantensage is deze sage ook een oorsprongssage, ofwel een etiologische sage. Etiologie betekent de uitleg van iets opvallends of ongewoons dat om de een of andere reden een verklaring vraagt. Echter ook heel gewone zaken kunnen het onderwerp van een etiologie zijn. Deze verklaring wordt dan gevonden met behulp van fantasie. Er bestaan vele oorsprongssagen wat aangeeft hoezeer de mens bezig is met de vraag naar het 'Waarom?' en het 'Waar vandaan?'. Ook wetenschappelijke vragen naar het waarom en de antwoorden hierop behoren bij etiologie genoemd te worden. Het is immers de wijsheid van de oertoestand en het streven naar helderheid, naar weten en wijsheid van het leven wat in de etiologie tot uitdrukking komt, aldus K. Beth in het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens (1927-1942). Etiologische sagen kunnen gaan over natuurrampen, natuurverschijningen, volks-, plaats- en persoonnamen en religieuze culturen (de laatste ontstaan doordat in latere tijden de vroegere gebruiken niet meer worden begrepen). De sage van de tanden in het riet valt bij deze onderverdeling onder de natuurverschijningen en geeft een verklaring voor de oorsprong van de drie beetafdrukken in het rietblad. L. Röhrich onderscheidt drie soorten etiologische sagen. Onze sage hoort waarschijnlijk in de categorie van de enkel onderhoudende etiologie, die meestal een grappig gekleurde vertelling is zonder religieuze inhoud en die niet wordt geloofd.

Literatuur

Teksten: Boekenoogen 1903, p. 114-116; Harou 1900, p. 85-105; Meder 2001a; De Meijere 1932, p. 97-116; Poortinga 1979; Sinninghe 1942; Sinninghe 1978a; Teirlinck 1924; Teirlinck 1904.
Studies: Dähnhardt 1907-1912; HDA, I, kol. 647-665; HDA, VII, kol. 1075-1076; Johansen 1989; Ranke 1971; Röhrich 1964, p. 27-35; Rosenfeld 1972; Schrijnen 1910; Sinninghe 1943a, p. 51; Sinninghe 1978.