Onderwerp
SINUR 0119c* - Warum die Heringe Streifen auf dem Rücken tragen   
Beschrijving
Warum die Heringe Streifen auf dem Rücken tragen
Tekst
Op het strand van Ameland was oudtijds de haring zoo overvloedig, dat men die visch soms bijna met de hand kon vangen. Maar dit maakte zachtjes aan de inwoners weelderig en zorgeloos. Zij vonden eindelijk dien overvloed van haring lastig en geeselden de diertjes met rijsjes om hen te verdrijven. De haring verdween en kwam nooit terug, en dit heeft veel armoede op het eiland veroorzaakt. Nu worden er door de visschers nog wel eens haringen gevangen met striemen op het lijf. (Dykstra, I, p. 117.)
Deze sage van omstreeks 1850 is niet enkel op Ameland of in Friesland te vinden. Ook in Noord-Holland zijn twee versies opgetekend door de arts en verhalenverzamelaar Cornelis Bakker in 1907 en 1908. Veel meer versies van dit verhaal zijn niet gevonden. Dat maakt in totaal drie verschillende Nederlandse versies van dit sagentype die alle ongeveer hetzelfde vertellen. Volgens een Noordhollandse versie zouden het haringen uit de Zuiderzee (het vroegere IJsselmeer) zijn geweest die gegeseld werden, maar het motief blijft hetzelfde, namelijk dat van overvloed aan haringen en geselen uit baldadigheid. De derde versie noemt geen plaats waar het 'drama' zich zou hebben afgespeeld.
Wel vermeldt een inwoner van Uitdam in deze versie uit 1908 dat de haringen 'een waar wonder Gods' zijn, want 'het is een soort haring, langer dan het gewone soort, ze hebben strepen en geen hom of kuit, dus hoe is het gosmogelik dat ze voorttelen?' Ook zijn er andere verhalen over de haring te vinden. In het boek Legenden langs de Noordzee is het Texelse verhaal opgenomen over de grootte en hoeveelheid van de haring, waarin - net als in onze sage - overvloed en overmoed het motief uit maken. Nu worden de vissers hiervoor gestraft doordat de haringen weer hun gewone kleine formaat hebben. Sagen over vissen komen vaker voor in de vissersgebieden langs de kusten. Meer landinwaarts is de sage niet opgetekend, en ook buiten Nederland lijkt het verhaal niet populair te zijn geweest. De haring wordt in literatuur wel genoemd als volksmedicijn of als het symbool voor het vasten. Zo wordt in Limburg na carnaval op aswoensdag aan 'heringbiete' gedaan en werkt men 's ochtends al haring naar binnen. Ook in het buitenland vindt men de haring in dit verband terug in volksgebruiken, zoals het op een stok dragen van haring in Schwaben (Duitsland). Divers volksgeloof is met de haring verbonden. Zo verhaalt E. Hoffmann-Krayer dat bij het betreden van een nieuw huis het ongeluk brengt als men iemand tegenkomt die een haringpan draagt. Ook wordt het verhaal van de haringkoning gegeven. Deze haring zou twee maal zo groot zijn als andere haringen. Als deze wordt gevangen, wordt het een goede vangst, maar dan mag hij niet worden gedood en moet hij terug in het water worden gegooid anders wordt het juist een slechte vangst.
Meer informatie is er te vinden over vissen in het algemeen. Maar toch maakt het relatief geringe aantal vissensprookjes, -legenden en -sagen nauwelijks een zinvolle systematisering van deze verhalen mogelijk, aldus R. Schenka. Wel zijn er talrijke vissen-etiologieën die uitleggen hoe en waarom de vis geschapen is en vooral sagen die gaan over het uiterlijk van vissen. J. Sinninghe noemt in zijn catalogus vier Nederlandse typen, namelijk 'Waarom de schol plat en gevlekt is', 'Waarom de schelvis bruine vlekken heeft', 'Waarom in de kop van een spierling een visser te zien is' en onze sage (typenummers 119a tot en met 119d).
Deze etiologieën zijn verhalen die een verklaring geven voor het een of ander. Dit kan een verklaring zijn die een plaatsnaam uitlegt, of een natuurramp, maar ook bijvoorbeeld een andere cultuur. De laastgenoemde verklarende verhalen ontstaan doordat in latere tijden de vroegere gebruiken niet meer worden begrepen. Daarnaast kan een etiologie een natuurverschijning verklaren. Zo verklaart onze sage waarom de haring strepen op zijn rug heeft.
Volgens de verouderde opvatting die ook Schenka volgt, hebben sagen een kern van oeroud geloof. Schenka beweert dat bijna alle vissenverhaal-inhouden en -schema's een voorganger hebben in oude natuurbeschrijvingen, zoals in het oude en nieuwe testament. Vissenverhalen bevatten veel traditionele aspecten, in overeenstemming met de betekenis en ouderdom van het vissersberoep, aldus Schenka. Van een lange mondelinge overlevering kan daarbij echter geen sprake zijn. Daarvoor is ook de pseudo-wetenschappelijke literatuur over vissen te omvangrijk. Door deze sterke literaire traditie mag men de teksten uit de negentiende en de twintigste eeuw niet als zuiver 'van het volk' beschouwen. Het blijft de vraag of de vertellingen überhaupt wel ouder zijn dan de vorige eeuw. Tegenwoordig is men van mening dat niet gesproken kan worden van een al oude traditie van verhaaloverlevering. Zo wijst F. Ranke erop dat de tijd waarin men alle volksoverleveringen voor oeroud hield, voorbij is.
Deze sage van omstreeks 1850 is niet enkel op Ameland of in Friesland te vinden. Ook in Noord-Holland zijn twee versies opgetekend door de arts en verhalenverzamelaar Cornelis Bakker in 1907 en 1908. Veel meer versies van dit verhaal zijn niet gevonden. Dat maakt in totaal drie verschillende Nederlandse versies van dit sagentype die alle ongeveer hetzelfde vertellen. Volgens een Noordhollandse versie zouden het haringen uit de Zuiderzee (het vroegere IJsselmeer) zijn geweest die gegeseld werden, maar het motief blijft hetzelfde, namelijk dat van overvloed aan haringen en geselen uit baldadigheid. De derde versie noemt geen plaats waar het 'drama' zich zou hebben afgespeeld.
Wel vermeldt een inwoner van Uitdam in deze versie uit 1908 dat de haringen 'een waar wonder Gods' zijn, want 'het is een soort haring, langer dan het gewone soort, ze hebben strepen en geen hom of kuit, dus hoe is het gosmogelik dat ze voorttelen?' Ook zijn er andere verhalen over de haring te vinden. In het boek Legenden langs de Noordzee is het Texelse verhaal opgenomen over de grootte en hoeveelheid van de haring, waarin - net als in onze sage - overvloed en overmoed het motief uit maken. Nu worden de vissers hiervoor gestraft doordat de haringen weer hun gewone kleine formaat hebben. Sagen over vissen komen vaker voor in de vissersgebieden langs de kusten. Meer landinwaarts is de sage niet opgetekend, en ook buiten Nederland lijkt het verhaal niet populair te zijn geweest. De haring wordt in literatuur wel genoemd als volksmedicijn of als het symbool voor het vasten. Zo wordt in Limburg na carnaval op aswoensdag aan 'heringbiete' gedaan en werkt men 's ochtends al haring naar binnen. Ook in het buitenland vindt men de haring in dit verband terug in volksgebruiken, zoals het op een stok dragen van haring in Schwaben (Duitsland). Divers volksgeloof is met de haring verbonden. Zo verhaalt E. Hoffmann-Krayer dat bij het betreden van een nieuw huis het ongeluk brengt als men iemand tegenkomt die een haringpan draagt. Ook wordt het verhaal van de haringkoning gegeven. Deze haring zou twee maal zo groot zijn als andere haringen. Als deze wordt gevangen, wordt het een goede vangst, maar dan mag hij niet worden gedood en moet hij terug in het water worden gegooid anders wordt het juist een slechte vangst.
Meer informatie is er te vinden over vissen in het algemeen. Maar toch maakt het relatief geringe aantal vissensprookjes, -legenden en -sagen nauwelijks een zinvolle systematisering van deze verhalen mogelijk, aldus R. Schenka. Wel zijn er talrijke vissen-etiologieën die uitleggen hoe en waarom de vis geschapen is en vooral sagen die gaan over het uiterlijk van vissen. J. Sinninghe noemt in zijn catalogus vier Nederlandse typen, namelijk 'Waarom de schol plat en gevlekt is', 'Waarom de schelvis bruine vlekken heeft', 'Waarom in de kop van een spierling een visser te zien is' en onze sage (typenummers 119a tot en met 119d).
Deze etiologieën zijn verhalen die een verklaring geven voor het een of ander. Dit kan een verklaring zijn die een plaatsnaam uitlegt, of een natuurramp, maar ook bijvoorbeeld een andere cultuur. De laastgenoemde verklarende verhalen ontstaan doordat in latere tijden de vroegere gebruiken niet meer worden begrepen. Daarnaast kan een etiologie een natuurverschijning verklaren. Zo verklaart onze sage waarom de haring strepen op zijn rug heeft.
Volgens de verouderde opvatting die ook Schenka volgt, hebben sagen een kern van oeroud geloof. Schenka beweert dat bijna alle vissenverhaal-inhouden en -schema's een voorganger hebben in oude natuurbeschrijvingen, zoals in het oude en nieuwe testament. Vissenverhalen bevatten veel traditionele aspecten, in overeenstemming met de betekenis en ouderdom van het vissersberoep, aldus Schenka. Van een lange mondelinge overlevering kan daarbij echter geen sprake zijn. Daarvoor is ook de pseudo-wetenschappelijke literatuur over vissen te omvangrijk. Door deze sterke literaire traditie mag men de teksten uit de negentiende en de twintigste eeuw niet als zuiver 'van het volk' beschouwen. Het blijft de vraag of de vertellingen überhaupt wel ouder zijn dan de vorige eeuw. Tegenwoordig is men van mening dat niet gesproken kan worden van een al oude traditie van verhaaloverlevering. Zo wijst F. Ranke erop dat de tijd waarin men alle volksoverleveringen voor oeroud hield, voorbij is.
Literatuur
Dykstra 1895-1896, I, p. 117; Franke 1934, p. 200-201; HDA, I, kol. 647-665; HDA III, kol. 1776-1783; HDA, IV, kol. 1196-1211; Meder 2001a; Sinninghe 1942, p. 77; Sinninghe 1943a, p. 50; Ranke 1971.
