Onderwerp
AT 0834 - The Poor Brother's Treasure   
Beschrijving
The Poor Brother's Treasure
Tekst
De Schat van de Arme Broeder (AT 834, 834A) is een legendesprookje, waarvan de religieuze boodschap niet altijd geëxpliciteerd wordt, maar die onder de oppervlakte wel steeds aanwezig is. In de catalogus van Aarne & Thompson wordt het sprookje in twee typen uitgesplitst - nadien heeft Kurt Ranke beide weer samengenomen in zijn analyse. Het verloop van AaTh 834 valt aldus samen te vatten:
Een arme man droomt dat ergens een schat begraven ligt. Hij gaat er zelf niet heen, maar hij vertelt wel zijn rijke broer (buurman) over de droom. De broer graaft de schat op maar deze blijkt waardeloos: hij bestaat uit uitwerpselen (klei, modder, mieren, slangen, schorpioenen, schildpadden, een dode hond of kat). Boos gooit de man het gevondene bij zijn arme broer naar binnen. In diens huis verandert de waardeloze schat in goud (zilver, munten).
Het sprookje kent een ruime verspreiding: in Europa in het Fins-Oegrische taalgebied, de Baltische staten, Duitsland, Italië, de Balkan, Griekenland, Turkije en Rusland. Opmerkelijk genoeg lijkt het sprookje in het uiterste westen van Europa (bijvoorbeeld in Nederland, België, Frankrijk, Engeland en Ierland) niet gevonden te zijn. In het Midden-Oosten komen we het sprookje tegen in de Joodse en Arabische traditie, in Palestina, Perzië en Afghanistan. Ook in Azië kent het sprookje ruime verspreiding, met name in India en China, maar ook in Maleisië. Tot slot is het sprookje gevonden in het Spaanstalige deel van Amerika, waaronder Mexico en Guatemala.
De rijke man in het sprookje wordt regelmatig voorgesteld als hebzuchtig, terwijl de arme man goedhartig en deugdzaam blijkt. Centraal staat het motief dat de 'schat' voor de onwaardige waardeloos of zelfs gevaarlijk blijkt, maar voor de waardige een fortuin uitmaakt. Achter de transformatie schuilt uiteraard het ingrijpen van een hogere macht. In een aantal versies van het sprookje is de held evenwel niet uitgesproken deugdzaam, maar eerder (ongemotiveerd) afwachtend of ronduit lui. Hij is dan te lui om de schat te gaan halen en blijft soms zelfs in bed liggen. De man rechtvaardigt zijn gedrag met uitspraken als: "Als de schat voor mij is, zal hij vanzelf wel naar mij toekomen" of "Als God mij iets wil geven, zal Hij het wel naar mijn huis brengen", of woorden van gelijke strekking. Inderdaad krijgt hij de schat uiteindelijk zijn huis of zelfs zijn bed ingeworpen.
Terecht heeft Ranke hier gewezen op de overeenkomsten met AaTh 1645B* (God will Care for all). In deze vertelling imiteert een boer zijn rijke buurman door niet meer te werken onder het motto: "God zal voor ons allen zorgen". De buurman leent de ezel van de boer. Hij vindt onderweg een schat en laadt die op de ezel. Als de buurman even later verongelukt, loopt de ezel met de schat terug naar zijn baasje, de boer.
Nauw verwant aan de Schat van de Arme Broeder is het subtype AaTh 834A (The Pot of Gold and the Pot of Scorpions), waarvan het verhaal aldus verloopt:
Een arme man droomt over een schat (of: hij vindt een schat maar laat deze op de vindplaats achter). Een andere man (buurman, dief) hoort erover en graaft de schat op. De schat blijkt te bestaan uit schorpioenen (slangen, bijen, kikkers, duizendpoten, uitwerpselen). Uit wraak gooit hij de schat door de schoorsteen (een bovenraam) van de arme man. De schorpioenen veranderen in goud.
Het verhaal is in (Midden- en Oost-)Europa gevonden, en met name in Rusland, van Georgië tot Siberië. Daarnaast is de vertelling bekend in de Joodse cultuur, met name bij de joden uit (het Koerdische deel van) Irak. Vervolgens vinden we het sprookje in Perzië en India, maar bovenal in veel versies in China en Japan.
Weer staat in het sprookje de transformatie van de schat centraal: voor de ene persoon is hij daardoor van geen waarde, terwijl hij voor de ander van grote waarde wordt. Ondanks de variatie die kan optreden, zijn de wezenstrekken van het sprookjescomplex zo verwant, dat Kurt Ranke de variatie in beide vanuit de volgende vier plot-elementen kon verklaren :
1. De 'held' krijgt via een droom (een geest, het lot etc.) geluk aangekondigd.
2. De aankondiging zet de 'held' niet aan tot daden, maar wordt wel (per ongeluk of bewust) doorgegeven aan een ander.
3. De ander probeert de schat te verwerven, maar de schat transformeert in iets gevaarlijks of waardeloos.
4. De ander wil wraak nemen en brengt de waardeloze of gevaarlijke vondst naar het huis van de 'held', alwaar de vondst weer transformeert in een schat.
Ondanks dat de droom aan het begin niet in alle sprookjesversies voorkomt, lijkt dit (naast de transformatie) een cruciaal element, dat in het oorspronkelijke sprookje zal zijn voorgekomen. De aankondiging van geluk in de droom kan de dadenloosheid van de held verklaren: het geluk zal immers vanzelf komen. De droom in bed kan voorts langzaam maar zeker zijn veranderd in een held die in sommige sprookjesversies lui in bed blijft liggen.
Ranke meent dat polygenese van het sprookje weinig aannemelijk is, ondanks dat de versies niet bijzonder gelijkmatig over het Euraziatische en Amerikaanse continent zijn verspreid. Zowel de inhoudelijke samenhang als het originele verloop van de plot van de sprookjesversies duiden op monogenese. Waarvandaan en wanneer het sprookje zich verspreid heeft, durfde Ranke destijds bij gebrek aan voldoende gegevens niet te besluiten.
Niettemin had de Japanse folklorist Keigo Seki al verondersteld dat de Schat van de Arme Broeder van oriëntaalse oorsprong is. Om redenen van frequentie, ouderdom en wereldbeeld heeft de suggestie van Seki inmiddels aan waarschijnlijkheid gewonnen. De nieuwe catalogi van Chinese en Japanse volksverhalen brengen veel gevonden versies van AaTh 834(A) aan het licht. De oudst bekende versies zijn ook Chinees en Japans, al moeten ze wel beschouwd worden als proto-versies, waarin de plot nog niet volledig uitgekristalliseerd is. De oudste Chinese versie stamt uit een boek over waterwegen, de Shui Ching Chu van Li Daoyuan († 527) uit circa 500 na Christus, en verhaalt hoe een heer in een droom van God te horen krijgt, dat een dienaar zilver van hem gestolen heeft. Het gestolen zilver is echter getrans-formeerd in een slang, die de dienaar gedood heeft. Als de heer ontwaakt, vindt hij de dode dienaar en het gestolen zilver terug.
De oudst bekende Japanse versie stamt uit de Konjaku Monogatari (lett. Verhalen uit een tijd die nu voorbij is), een 12e-eeuwse verzameling van meer dan 1000 verhalen uit Japan, India en China - het betreft vooral vertellingen met een boeddhistische signatuur. De sprookjesversie is wederom een proto-versie en stamt uit circa 1050:
Een boeddhistische priester en zijn vrouw eigenen zich rijstkoekjes toe uit de tempel om sake van te brouwen. Als ze later het vat openen, treffen ze er slangen in aan, in plaats van sake. Ze kijken niet meer naar het vat om. Andere mensen die het vat openen, treffen er heerlijke sake in aan.
Het droommotief ontbreekt hier, maar dat geldt niet voor latere Japanse (en Chinese) versies. Ze beginnen er vaak mee, dat een goede oude man droomt dat een schat voor hem uit de hemel zal komen. De volgende dag graaft hij een pot met goud op, maar hij laat de schat ongemoeid, omdat hij ervan overtuigd is dat de schat uit de hemel moet komen, niet uit de aarde. Een hebzuchtige buurman hoort van de schat, maar vindt een pot met slangen. Om wraak te nemen klimt de buurman op het dak van de oude man en gooit de pot naar binnen. De slangen veranderen in goud, en ditmaal aanvaardt de oude man de schat, want nu is de schat wel uit de hemel gekomen. Het heeft er alle schijn van dat deze oriëntaalse versies de ideale verhaalstructuur en logica bezitten om de meer westerse versies te hebben kunnen voortbrengen. Bovendien lijkt het handelingsverloop, waarin geduldig wordt vertrouwd op goddelijke hulpvaardigheid, logisch aan te sluiten bij een boeddhistische levenshouding - een vorm van geduldigheid die na overname van het sprookje door islamitische en christelijke culturen niet altijd meer duidelijk uit de verf lijkt te komen.
Voorts lijkt het sprookjestype in Japan zo populair te zijn geweest, dat er nieuwe (soms komische) varianten zijn ontstaan, die voor Ikeda aanleiding zijn geweest om in zijn catalogus twee extra subtypen op te nemen: AaTh 834B (Money into Snakes) en AaTh 834C ("May the Cakes Turn to Frogs"). De oudst bekende versie van AaTh 834B stamt uit de 17e-eeuwse Seisui-shoo. Het verhaal komt erop neer dat iemand geld (of voedsel) in een pot verstopt en zegt: "Verander in kikkers (een slang) als iemand anders je ziet." Een dief hoort het, steelt het geld en stopt kikkers in de pot. Ook al roept de eigenaar hierna "Ik ben het en niet een ander", de kikkers veranderen niet meer in geld. In AaTh 834C geeft een schoonmoeder opdracht aan de rijstkoekjes om in kikkers te veranderen als haar schoondochter ze vindt. De schoondochter eet de koekjes en stopt kikkers in de doos. De kikkers springen eruit als de schoonmoeder de doos opent. Ze roept vergeefs "Ik ben het" en "Spring niet zo hoog, anders beschadigen de randen van de koekjes".
Alhoewel doorslaggevende bewijzen nog altijd ontbreken, lijkt de Schat van de Arme Broeder zijn oorsprong toch te vinden in het Verre Oosten. Het legendesprookje lijkt te getuigen van een boeddhistisch vertrouwen in de hulpvaardigheid van God. Toen het sprookje zijn vaste vorm kreeg met de voorspellende droom en de transformatie, lijkt het westwaarts te zijn gekomen en zich in aangepaste vorm te hebben genesteld in de culturen van moslims en christenen.
Literatuur
Hambruch 1922; Henssen 1957; Legman 1975b, p. 918-919; Megas 1963-1964; Ranke 1976.
