Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2039 - Drie vrijers

Een sprookje (boek), 1896

Hoofdtekst

Drie vrijers.
Zeker dorpsmeisje had drie vrijers aan de hand. Dit is nu iets wat eigenlijk nooit voorkomt, maar het zou toch kunnen gebeuren. Dat een meisje gedurende eenigen tijd twee vrijers aanhield, daarvan heb ik wel eens gehoord, maar dit werd haar dan juist niet als eene eer aangerekend. Het meisje waarvan ik vertel scheen er van te houden elken zondagavond een anderen vrijer te hebben. Zij kwamen alle drie, ieder op zijne beurt, om de drie weken. Waagde 't soms een hunner binnen den voor hem bestemden tijd te komen, met het doel een zijner medeminnaars den voet te lichten, dan kon hij onverrichter zake terugkeeren, maar mocht daarom met evenveel genoegen op den vasten tijd zijn bezoek hervatten. Het is begrijpelijk dat ieder der drie vrijers voor zich hoopte, eens de overwinning te behalen. Niemand slaagde hierin; eindelijk besloot de meid een einde aan het spelletje te maken.
Ik wil de vrijers maar Jan, Piet en Klaas noemen. Toen Jan zijne beminde eens weêr bezocht en evenals altijd onuitputtelijk was in liefdebetuigingen, daarbij verzekerende dat hij om haar bezit alles zou willen doen, toen zeî zij ten slotte: «Welnu, om mij daarvan het bewijs te leveren, moet gij doen wat ik u zal zeggen. Heden over drie weken moet gij, in plaats van mij te bezoeken, des nachts kwartier voor twaalven in het wit gekleed eene kist, zoo groot dat gij er in kunt liggen, op het kerkhof brengen. Gij moet er dan ook werkelijk in gaan liggen met het deksel wel dicht maar ongesloten, en vóór kwartier na middernacht er niet uitkomen, noch uwe stem laten hooren, onverschillig wat er gebeure. Volbrengt gij dit, dan zal ik de anderen afdanken.» Met blijdschap nam de vrijer de uitvoering van dit proefstuk op zich.
Den volgenden zondagavond kwam Piet op zijne beurt de beminde bezoeken. En toen hij ook alweêr het oude liedje zong, zeide zij: «Gij hebt mij dat nu al zoo dikwijls voorgepraat, maar als het ernstig gemeend is, moet gij 't mij bewijzen. Ik zal u zeggen wat gij doen moet. Heden over veertien dagen moet gij des nachts tien minuten vóór twaalven naar het kerkhof gaan, in het wit gekleed en voorzien van een zakje met pruimesteentjes en een hamer. Gij zult op het kerkhof eene kist vinden staan. Dan moet gij eerst op iederen hoek van het deksel dier kist een pruimesteentje met den hamer verbrijzelen en vervolgens de nog overigen op verschillende plaatsen langs den rand van het deksel. Mocht gij daar de eene of andere ontmoeting krijgen, ga dan op de kist zitten. En die zitplaats moet ge vóór kwartier na middernacht niet verlaten, onverschillig wat er moge gebeuren en gij moet bij dat alles zwijgen als het graf. Volbrengt gij dit naar eisch, dan weet ik dat gij moed in het lijf hebt en ik zal gelooven aan de oprechtheid uwer liefde;» Ook deze vrijer verheugde zich in het vooruitzicht dat hij nu eindelijk de overwinning zou behalen.
Weêr eene week later werd het meisje door Klaas bezocht; dezen zeide zij: «Ik verlang een overtuigend blijk van de trouwe liefde die gij zegt voor mij te koesteren. Heden over acht dagen moet gij des nachts vijf minuten vóór twaalven naar het kerkhof gaan, van top tot teen gehuld in het zwart, voorzien van een tamelijk langen en niet al te dunnen ketting. Dezen laat gij bij uwe komst op het kerkhof rammelend sleepen; zoo loopt ge wat heen en weêr op het pad langs de graven. Gij zult daar eene kist zien staan en zoodra het middernachtsuur slaat, gaat gij naar de kist, steekt uwen ketting door het hengsel en trekt de kist van hare plaats om haar zoo mogelijk buiten het kerkhof te sleepen. In dit werk moogt gij u door niets hoegenaamd laten verhinderen, en wat er moge voorvallen, gij moet altijd hardnekkig blijven zwijgen. Volbrengt gij dit naar eisch, dan zal het mij een blijk zijn dat gij mij waarlijk bemint en ik wil de uwe zijn.» Klaas verklaarde evenals de twee anderen dat haar voorstel hem zeer welgevallig was.
Den avond, waarop het zonderlinge tournooispel zoude plaats hebben, was het volle maan, dit had het liefje wel berekend. Het huis, waarin zij verblijf hield, was het eenige dat in de onmiddellijke nabijheid van het kerkhof stond en haar kamertje gaf daar uitzicht op. De vrijers begrepen alle drie zeer goed, dat zij door de geliefde bespied zouden worden en dus op hun tellen hadden te passen. Het zaakje werd begunstigd door fraai stil weder. Op den bepaalden tijd kwam Jan in het wit gekleed met eene kist aandragen, die hij midden op het kerkhof nederzette. Hij zal wel gezorgd hebben, dat zij niet luchtdicht was, althans hij kroop er in, haalde het deksel toe, afwachtende de dingen die komen zouden. En dat er iets komen zoude daar rekende hij op. En er kwam werkelijk iets. Hij hoorde zachte voetstappen naderen. Er werd op de kist geslagen, eerst op den eenen hoek, toen op den anderen, ja, op alle vier hoeken. 't Had er veel van dat er spijkers in het deksel werden geslagen. Vervolgens op nog meer plaatsen. Verduiveld! de kist werd voor goed dichtgespijkerd - meende Jan. Maar Piet sloeg er zijne pruimesteentjes op stuk, dit was het. En na volbrachten arbeid ging deze op de kist zitten.
Het duurde niet lang of er verscheen eene zwarte gedaante op het kerkhof, die een ketting achter zich na liet sleepen. Hij naderde de kist tot op korten afstand en stapte daar heen en weder. De witte daar op de kist zat volstrekt niet op zijn gemak, maar de zwarte was dat evenmin bij het denkbeeld dat hij zoo aanstonds bij de kist moest komen en trachten die weg te trekken. De klok in den ouden toren liet den eersten slag van twaalven hooren. Klaas vermande zich en naderde de kist. Met bevende handen stak hij de ketting door het hengsel. De witte gedaante liet hem gelukkig ongemoeid. Hij begon te trekken, maar 't gaf niet veel. Toch kreeg hij met een forschen ruk de kist van hare plaats. Maar dit was te veel voor Jan daar binnen, want hij had den ketting ook wel hooren rammelen. Hij begon te schoppen en te slaan en riep: «Ik wil er uit.» Piet sprong verschrikt op en riep: «Verduiveld, wat is dat?» De kist vloog open, Jan verrees er uit, de twee anderen namen de vlucht en Jan pakte zich ook spoedig weg.
Alle drie hadden dus de hand van het meisje verbeurd. Maar toen zij elkander na verloop van eenige dagen spraken, waren zij 
't tamelijk spoedig eens: dat men zulk een liefje maar liever moest vergeten dan zich om haar doodtreuren.

Onderwerp

AT 0940 - The Haughty Girl    AT 0940 - The Haughty Girl   

ATU 0940 - The Three Suitors in the Cemetery    ATU 0940 - The Three Suitors in the Cemetery   

Beschrijving

Een dorpsmeisje houdt er drie vrijers op na. Jan, Piet en Klaas hopen elk ooit het meisje helemaal voor zich te winnen. Het meisje geeft haar vrijers een opdracht: Jan moet om kwart voor twaalf naar het kerkhof gaan en daar in een kist gaan liggen, hij mag niets zeggen en er niet uit komen voor kwart over twaalf. Piet moet om tien voor twaalf naar het kerkhof gaan en daar op de kist gaan zitten, hij moet langs de randen kleine steentjes kapot slaan en blijven zitten en zwijgen tot kwart over twaalf. Klaas moet voorzien van een ketting naar het kerkhof gaan. Hij moet de ketting goed laten rinkelen en deze aan de kist bevestigen om de kist van zijn plaats te halen. Als Jan in de kist ligt en hoort hoe Piet de steentjes kapot slaat, denkt hij dat iemand de kist dichtspijkert. Als dan ook nog de kist van zijn plaats getrokken wordt, wordt het hem te gortig en begint hij te schreeuwen. Piet springt verschrikt op en begint ook te roepen. Als Jan uit de kist komt, nemen de andere twee vrijers de benen. Alle drie hebben ze gefaald, maar achteraf zijn ze blij dat ze niet met zo'n liefje opgescheept zitten.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 102-104

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

Piet    Piet   

Klaas    Klaas