Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KOOIJMAN0323

Een sage (mondeling), donderdag 13 december 1962

Hoofdtekst

Onder de visse hebbie een koninkie. Meestentijds een bliek of een voorn, maar ok wel een kolbliek of een grondel* of een winde. Ze ben klein en groot. Maar schubben hebben ze niet. Maar die slijmlaag is wel tien keer zo dik as bij andere visse. Als je nou een grote trek visse heb dan hebbie daar altijd een koninkie bij. Maar ik denk, datje wel duizend pond vis mot hebbe, voor je d'r een koninkie bij heb. Die hengelaars, die vange d'r ok wel is een. Maar die hengelaars wete van niks! Die neme d'm mee. Hij gaat de emmer in! Maar 't is van oudsher zo dat je een koninkie weg mot gooie, weer 't water in. Dan komt d'r weer vis omheen. Ik heb 't zelf pas nog gehad, ik kwam thuis met een berg snoekvissies** en toen was d'r een bliek bij, ok een koning. Ik heb 'm thuis netjies in de wasketel bewaard. De andere dag ging die weer overboord!

*grondeling
**Visjes om snoek mee te vangen, die door de broodvissers aan snoekhengelaars uit de stad worden verkocht.

Beschrijving

Onder de vissen heeft men koninkies. Deze vis heeft geen schubben, maar zijn soort kan verschillen. Het koninkie trekt andere vissen aan, om deze reden moet men hem ook nooit vangen en meenemen. Men moet de vis juist teruggooien, zodat er andere vissen op af komen.

Bron

Kooijman, Henk: Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant. Amsterdam 1988. p. 72