Hoofdtekst
Om rijk te worden.
Frederik en Lijs waren een paar echtelieden, die met hard werken den kost moesten verdienen. De man deed steeds geduldig en welgemoed zijn best, maar de vrouw was altijd knorrig en ontevreden. Zij wilde 't gaarne beter hebben in de wereld en kwelde dagelijks hare hersenen om het middel te vinden hoe daartoe te geraken, terwijl zij dikwijls haren man bekeef, omdat hij aan zoo iets nooit dacht. Op zekeren avond hadden zij - wat zij trouwens elken avond deden – zich tezamen ter rust begeven. Frederik sliep weldra dat hij snorkte, maar Lijs kon den slaap niet vatten, want zij lag weêr te malen over 't zelfde waarover zij altijd maalde. Langer dan een uur had zij getobd, toen zij Frederik met den elleboog in de zijde stompte om hem wakker te maken. «Wat wil je?» mompelde hij op een toon die zeide: «Laat me toch slapen.» - «Word wakker!» zeî Lijs, «ik heb een middel gevonden waarmeê wij rijk kunnen worden.» Nu werd hij beter wakker en vroeg: «Wat is dat?» - «Ik zal het je zeggen,» zeide zij, «let maar goed op. Als ik eens een gulden vind, dan moet jij mij daarbij een verdienen en dan wil ik er ook een bij ter leen vragen. En wordt er ons dan ook nog een gegeven, dan heb ik vier gulden, niet waar?» - «Ja, dat komt uit,» zeî Frederik. «Met dat geld ga ik naar de markt en koop een kalfje. Dat zal grooter worden en opgroeien tot eene koe, die ons weêr een kalfje zal brengen, - en dat kan ik dan verkoopen . . . . » - «Ja; waarlijk!» zeî Frederik. «Eene koe! dat zou mooi zijn. En als die dan een kalfje krijgt, kan ik ook eens melk drinken.» - «Wat zeg je daar?» zeî Lijs verstoord; «jij melk drinken? ben je gek? neen, de melk krijgt het kalfje om er vet van te worden. Schiet er iets over, daar karn ik boter van. Begrepen?»
«Nu, dat is mij ook wel,» antwoordde hij weêr; «maar voor een enkelen keer mag ik toch wel een beetje melk drinken. Denk er aan dat je ook een gulden van mij krijgt.» - «Niets zul je hebben, zeg ik je!» snauwde Lijs hem toe ; «geldmaken is mijn doel, maar jij, trage zorgelooze man, zoudt alles wel willen opmaken. Ik zal wel wijzer zijn; ik wil eens wat vooruit komen in de wereld.»,
Frederik werd ook wat driftig. «Hoor eens, vrouw!» zeî hij, «als wij eene koe hebben, dan wil ik soms wat melk drinken.» - «En ik zeg je, dat je niets krijgt,» zeî Lijs ter dege verstoord. «Lijs, hou je stil!» riep hij weêr, «en anders: pas op!» - «Wat is dat? durf jij mij te dreigen, jij lomperd!»
De twist werd gaandeweg heviger en liep ten slotte nog op een vechten uit. - Of Lijs des anderen daags of kort daarna een gulden heeft gevonden, hiervan meldt de geschiedenis niets,
Frederik en Lijs waren een paar echtelieden, die met hard werken den kost moesten verdienen. De man deed steeds geduldig en welgemoed zijn best, maar de vrouw was altijd knorrig en ontevreden. Zij wilde 't gaarne beter hebben in de wereld en kwelde dagelijks hare hersenen om het middel te vinden hoe daartoe te geraken, terwijl zij dikwijls haren man bekeef, omdat hij aan zoo iets nooit dacht. Op zekeren avond hadden zij - wat zij trouwens elken avond deden – zich tezamen ter rust begeven. Frederik sliep weldra dat hij snorkte, maar Lijs kon den slaap niet vatten, want zij lag weêr te malen over 't zelfde waarover zij altijd maalde. Langer dan een uur had zij getobd, toen zij Frederik met den elleboog in de zijde stompte om hem wakker te maken. «Wat wil je?» mompelde hij op een toon die zeide: «Laat me toch slapen.» - «Word wakker!» zeî Lijs, «ik heb een middel gevonden waarmeê wij rijk kunnen worden.» Nu werd hij beter wakker en vroeg: «Wat is dat?» - «Ik zal het je zeggen,» zeide zij, «let maar goed op. Als ik eens een gulden vind, dan moet jij mij daarbij een verdienen en dan wil ik er ook een bij ter leen vragen. En wordt er ons dan ook nog een gegeven, dan heb ik vier gulden, niet waar?» - «Ja, dat komt uit,» zeî Frederik. «Met dat geld ga ik naar de markt en koop een kalfje. Dat zal grooter worden en opgroeien tot eene koe, die ons weêr een kalfje zal brengen, - en dat kan ik dan verkoopen . . . . » - «Ja; waarlijk!» zeî Frederik. «Eene koe! dat zou mooi zijn. En als die dan een kalfje krijgt, kan ik ook eens melk drinken.» - «Wat zeg je daar?» zeî Lijs verstoord; «jij melk drinken? ben je gek? neen, de melk krijgt het kalfje om er vet van te worden. Schiet er iets over, daar karn ik boter van. Begrepen?»
«Nu, dat is mij ook wel,» antwoordde hij weêr; «maar voor een enkelen keer mag ik toch wel een beetje melk drinken. Denk er aan dat je ook een gulden van mij krijgt.» - «Niets zul je hebben, zeg ik je!» snauwde Lijs hem toe ; «geldmaken is mijn doel, maar jij, trage zorgelooze man, zoudt alles wel willen opmaken. Ik zal wel wijzer zijn; ik wil eens wat vooruit komen in de wereld.»,
Frederik werd ook wat driftig. «Hoor eens, vrouw!» zeî hij, «als wij eene koe hebben, dan wil ik soms wat melk drinken.» - «En ik zeg je, dat je niets krijgt,» zeî Lijs ter dege verstoord. «Lijs, hou je stil!» riep hij weêr, «en anders: pas op!» - «Wat is dat? durf jij mij te dreigen, jij lomperd!»
De twist werd gaandeweg heviger en liep ten slotte nog op een vechten uit. - Of Lijs des anderen daags of kort daarna een gulden heeft gevonden, hiervan meldt de geschiedenis niets,
Onderwerp
AT 1430 - The Man and his Wife Build Air Castles   
ATU 1430 - The Man and his Wife Build Air Castles.   
Beschrijving
Het echtpaar Frederik en Lijs moet altijd hard werken voor hun geld. Lijs is altijd erg ontevreden. Ze bedenkt wat ze zou doen als ze een gulden zou vinden en stelt zich voor dat ze dan een kalf zou kunnen kopen, dat opgroeit en opnieuw een kalf geeft. Als Frederik zegt dat hij wel graag melk van de koe zou drinken ontstaat er een ruzie: de melk moet voor het kalf bewaard worden. Uiteindelijk raakt het stel aan het vechten. Of Lijs ooit een gulden gevonden heeft, is onbekend.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 118-119
Motief
J2060.1 - Quarrel and fight over details of air-castles.   
Naam Overig in Tekst
Lijs   
Frederik   
