Onderwerp
SINSAG 1174 - Kleine Ursache, grosse Wirkung.   
Beschrijving
Kleine Ursache, grosse Wirkung.
Die Tat eines Mannes, der sich rächen will, unachtsam ist, oder aus Selbstsucht nicht handeln will, ist die Ursache der Überschwemmung.
Die Tat eines Mannes, der sich rächen will, unachtsam ist, oder aus Selbstsucht nicht handeln will, ist die Ursache der Überschwemmung.
Tekst
De ondergang van Tidde Winnenga.
De boeren van Reiderland waren de rijkste boeren van Groningen. De rijkste van allen was Tidde Winnenga. Op een dag stak er een hevige storm op. Iedereen was in de weer om de dijk te versterken, behalve Tidde. Zijn boerderij stond hoog genoeg en hij liet zich niet op stang jagen. De buren drongen aan; het hele land was in groot gevaar. Maar Tidde Winnenga bleef halsstarrig. Hij zou niet wijken, zei hij, voordat het water manshoog op zijn land stond.
De dijk brak en de zee verzwolg het hele Reiderland.
Zo is de Dollard ontstaan. In het holst van de nacht klopte een man aan de poort van het klooster Palmar, dat bij de vloed gespaard was gebleven. De grote gebogen gestalte vroeg om brood en onderdak. Niet voor een nacht, maar voorgoed.
Het was Tidde Winnenga, die have en goed had verloren.
In het klooster was nog een plaats voor hem en daar hebben ze hem te eten gegeven, zo lang hij leefde.
(E. de Jong & P. Klaasse Sagen en Legenden van de Lage Landen, Bussum, 1980. p.54)
In dit verhaal spelen Tidde (/Tyde/Tiddo) Winnenga (/Winnenga/Winningha/Wyneda) en de Dollard (/Dullard) de hoofdrol. Deze sage geeft een verklaring waarom de Dollard, de mond van de rivier de Eems, zo wijds geworden is als hij nu is. De rivier de Eems bevindt zich tussen Groningen en Noord-Duitsland.
Het verhaal van Tidde is bekend in verschillende versies. Deze verhalen komen voor het grootste deel met elkaar overeen en volgen dezelfde verhaallijn. De verschillen zijn vooral terug te vinden in de details, zoals de voorwerpen van rijkdom, de hoeveelheid dorpen die vergaan etc.
Al de sagen die over Tidde spreken spelen zich af in het gebied Reiderland. Dit gebied wordt afgeschilderd als een vruchtbaar gebied waar men in rijkdom en weelde leefde. De rijkdom steeg het volk uiteindelijk echter naar het hoofd. Men werd trots, hooghartig en zorgeloos.
Na deze inleiding bespreken de verschillende sagen de gebeurtenis rondom Tidde. Als het water van de zee de sluis, die het gebied beschermt, vernielt loopt het land gevaar. De golven trekken steeds hogerop. Ieder moet zijn trots en gemak overboord zetten om mee te helpen een grotere ramp te voorkomen.
De enige die niet meehelpt om de dijken te verstevigen is de rijke boer Tidde. Hij stelt dat hij pas aan het werk gaat als de vloed een speer hoog (ook wel meters- of manshoog) over zijn land loopt. Vanwege de onwil en nalatigheid van Tidde breekt uiteindelijk de dijk door, soms zelfs exact bij het dijkstuk van Tidde. De dorpen van het Reiderland verdwijnen hierdoor onder de golven: “Allen moesten lijden om het verzuim van één”. (Cor Bruijn. Nederlandse sagen en volksverhalen. Houten, 1989. p.43)
Tidde zelf overleeft de ramp, maar al zijn rijkdom is verloren. Hij moet uiteindelijk aankloppen bij het klooster van Palmar, waar hij eten en onderdak ontvangt.
‘Hij was een van de rijkste boeren uit heel Groningerland geweest, nu moest hij voor elke hap en elke slok ‘dank je’ zeggen. Dat zal niet prettig voor hem geweest zijn, maar zo gaat het’. (Cor Bruijn. Nederlandse sagen en volksverhalen. Houten, 1989. p.43)
De variaties op het verhaal spelen in op verschillende elementen. Een van de versies die iets extra’s toevoegt aan het verhaal van Tidde geeft een verklaring voor het plotselinge gevaar van het water. De ramp vind namelijk plaats tijdens de oorlog tussen de Vetkopers en de Schieringers. Naar aanleiding van de strijd wordt de sluis vernield, waardoor het water vrij baan had. De sage, vermeld door Harkenroth, verhaalt dat Tidde tijdens deze strijd de zijlen (afwateringskanalen) inrijdt. Harkenroth voegt als commentaar hieraan toe: ”die God verderven wil beneemt Hij het verstand”. In andere versies waar de sluis doorbreekt, is de sluis gewoonweg niet stevig genoeg.
Een andere versie stelt dat deze onderlinge ruzie pas later naar voren komt. Als Tidde zich verzet om mee te werken aan het herstel van de dijk besluiten de anderen een nieuwe dijk aan te leggen. Het land van Tidde wordt echter buiten het veilige gebied gelaten. Al snel overstroomt Tiddes land en vlucht hij naar een klooster. Het overige land blijft desondanks niet lang gespaard; de samenwerking wordt door de onderlinge vijandigheid al snel teniet gedaan.
In veel verhalen draagt Tidde de verantwoordelijk voor zijn eigen dijkstuk, maar sommige versies stellen dat hij dijkgraaf was. Hierbij wordt hij gevorderd door de boeren en de gemeenten de dijk te herstellen. Tidde voldoet echter niet aan zijn taak.
Een laatste verhaal (bijna gelijkend aan een roman; het verhaal beslaat meer dan twintig pagina’s en is in literaire stijl geschreven. Zoals de schrijver stelt: een oud verhaal in een nieuw kleed gestoken) brengt meer inzicht in de voorgeschiedenis van Tidde. De reden van zijn boosheid, wrok en onwilligheid wordt uitgelicht. In dit verhaal spelen zijn vriend IJpma en diens zuster Itta een belangrijke rol. Als Tidde geen toestemming krijgt om met Itta te trouwen voelt hij zich afgewezen waarna hij zichzelf al snel verliest en de duivel van gierigheid en wraak hem overneemt. Na een overstroming (waarbij Tidde’s land niet ten onder ging, maar veel van de omgeving wel) weigert hij de Eemsdijken te herstellen. Door zijn onwil leeft het grootste gedeelte van de bevolking, waaronder IJpma, in armoede. Als men jaren later het bestaan weer opgepakt heeft vinden Tidde en IJpma elkaar terug in het klooster Palmar. IJpma is opgenomen in het klooster als monnik, terwijl Tidde op zijn sterfbed ligt. Tidde biecht op aan IJpma hoe hij door God gestraft is voor zijn slechte daden, hij heeft alles verloren. Voor hij sterft bekent hij spijt dat hij zich tegen God gekeerd heeft.
Het verhaal van Tidde valt onder het verhaaltype SINSAG 1174 Kleine Ursache, Grosse Wirkung. Die Tat eines Mannes, der sich rächen will, unachtsam ist, oder aus Selbstsucht nicht handeln will, ist die Ursache der Überschwemmung.
Het kan echter ook in verband gebracht worden met andere verhaaltypes, zoals ATU 0836 Pride is punished. De bewoners van Reiderland maken zich steeds minder druk om elkaar, ze zijn gefocust op eigen gemak en kortstondige vreugde. Tidde is hiervan het meest opvallende voorbeeld. Door zijn nalatigheid, uit luiheid en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, laat hij belangrijke taken links liggen, wat grote gevolgen heeft.
Het verhaaltype waar het verhaal van Tidde onder valt sluit aan bij verschillende andere sagentypes die ook gericht zijn op overstromingen. Dit zijn onder andere SINSAG 1171 Die Katze auf der Wieg (na een overstroming dobbert een wieg met een kindje rond; een kat op de wieg zorgt dat deze in evenwicht blijft en niet omkiept), SINSAG 1173 Der Hering im Brunnen (Graben) (er wordt een haring gevonden in het putwater/een greppel; dit voorspelt een overstroming), TM 2603 Hans Brinker (Hans voorkomt een overstroming door zijn vinger in de dijk te stoppen), TM 2604 Watersnood (dit type bevat overige verhalen over overstromingen, slachtoffers en wonderbaarlijke reddingen) en SINSAG 1145 die untergegangene Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner (dit verhaaltype valt het meest samen met SINSAG 1174, sommige verhalen onder het verhaaltype SINSAG 1174 kunnen ook het verhaaltype SINSAG 1145 bevatten. Het verhaaltype SINSAG 1145 richt zich op de arrogantie, verwaandheid en losbandigheid van de gehele bevolking van een stad of dorp. De bevolking is geobsedeerd door rijkdom, feesten en drank. Zij worden hiervoor gestraft (vaak door God of de duivel) door middel van een overstroming. Anders dan in SINSAG 1174 is er geen specifiek persoon die door een kleine handeling, die hij juist wel of juist niet uitvoert, de overstroming veroorzaakt)
Naast verhaaltypen bevatten de verhalen ook verschillende motieven. Deze sluiten aan bij het gedrag van Tidde, zoals J320 Present values preferred to future (In een versie feest Tidde liever verder dan dat hij komt helpen, hij biedt hier wel aan om geld te geven), J1730 Absurd ignorance, L412 Rich man poor to punish pride, Q494 Loss of social position as punishment, Q595 Loss or destruction of property as punishment en W167 Stubborness. Andere motieven sluiten aan bij de afloop van de gebeurtenis F944 City sinks into the sea en F993.1 Sunken bell sounds at certain times.
Het Groningse verhaal van Tidde is echter niet het enige verhaal dat binnen het type SINSAG 1174 valt. Aan de andere kant van het land, in Zeeland, is een verhaal te vinden wat erg op het verhaal van Tidde lijkt. In dit verhaal speelt de heer van Lodijke de hoofdrol.
Voor vele eeuwen lagen er gouden korenvelden en groene weiden, waar nu de zee stroomt, en dat is de schuld van den heer van Lodijke. Want toen in den vloed van 5 november 1530 een gat van nauwelijks twee ellen breed in den dijk was geslagen, en men hem smeekte, het gat te mogen dichten, zei hij: ”Laat de zee maar voor mij werken. Zoo krijg ik spoedig en met weinig kosten een haven naar mijn slot”. Maar er was geen stuiten aan; het gat van Lodijke werd dertig ellen breed en veertig ellen diep; al het land verzonk, en de rijke heer moest genadebrood eten in een klooster binnen Bergen op Zoom.
(J.R.W & M. Sinninghe. Zeeuws Sagenboek. Zutphen, 1933. p.265)
Het dorp van de heer van Lodijke bevond zich tussen Yerseke en Reimerswaal. Door de nalatigheid en de trots van de kasteelheer van Lodijke/Lodyke, Adriaan van Reimerswaal, verdwijnen het dorp en zijn kasteel voor altijd in de golven. De heer van Lodijke vond het niet nodig het gat in de dijk te herstellen. Hij was in de veronderstelling dat dit de kans zou zijn om een haven te kunnen creëren bij zijn dorp. Met behulp van een haven hoopte hij het dorp Lodijke om te toveren tot een stad vol rijkdom die zou kunnen concurreren met andere, omliggende en welvarende steden, zoals Reimerswaal, Zierikzee en Goes. De reden dat deze haven nog niet bestond is in het ene verhaal verbonden met de hoge kosten en in het andere met toestemming en de angst van de andere steden voor concurrentie.
Omdat de heer van Lodijke geen sein gaf om het gat in de dijk te dichten kon de zee ongehinderd het land veroveren. In een enkel verhaal geeft de heer van Lodijke op dat moment signaal om een nooddijk aan te leggen. Het is dan echter al te laat. Naast het dorp en het kasteel van Lodijke verdwijnen ook omliggende dorpen in de golven. Het water, op de plek waar het gat zich bevond, draagt nu nog altijd de naam Gat van Lodijke.
Naast de verhalen van Tidde en de heer van Lodijke noemt Sinninghe nog twee andere bronnen met verhalen binnen hetzelfde verhaaltype. De eerste bron, van Hendrick van Dam, betreft een 17eeeuws verhaal over een schaapherder en draagt de titel Een seer oudt Gedicht van de Oude Werelt, Leggende aen de Strandt tot Goeree. Het verhaal speelt zich, net als het verhaal van Lodijke, af in Zeeland. De herder graaft, om onduidelijke redenen, een geul in het land tussen Goeree en Voorne. Deze geul wordt echter steeds breder en breder door het aanstromende water. Uiteindelijk houdt het land het niet meer en overstroomt het. De handelingen van de schaapherder worden in enkele zinnen samengevat. De rest van de tekst richt zich op het ingrijpen van God en de vergankelijkheid van de mens. (Met motieven: A902 - Topographical features of the earth arranged by creator, J2120 - Disregard of danger to objects (or animals), N350 – Accidental loss of property, A1018 – Flood as Punishment etc.)
De andere bron die Sinninghe noemt is een gedeelte uit het hoofdstuk Beschrijving van Dordrecht uit het 17eeeuwse boek van Hadrianus Junius. Het hoofdstuk verdiept zich op de geschiedenis, achtergrond en organisatie van de stad Dordrecht (Zuid-Holland). In dit hoofdstuk beschrijft Junius de sage rondom het ontstaan van de St. Elisabethsvloed van 1421. De sage verhaalt over een man die jaloers was op zijn buurman. Omdat het huis van de buurman dicht bij de zee lag wilde de man het huis van zijn buurman laten overstromen. De sloten die hij gegraven had om het water van de zee naar het huis te leiden braken echter door door het geweld van de zee, waardoor het water het land binnenstroomde. (Met motieven: N330 – Accidental killing or death, F944 – City sinks in the sea, W151 – Greed, W195 – Envy etc.)
De verschillende verhalen spelen zich verspreid over het kustgebied van Nederland af, van Groningen tot Zeeland. Al deze gebieden hebben door de jaren heen te maken gehad met verschillende overstromingen. De overstromingen die in de verhalen voorkomen zijn geplaatst in een tijdsperiode waarin watersnoodrampen veel voorkomend waren. Over het algemeen is het hierdoor niet lastig te achterhalen over welke tijd en welke overstroming de verhalen spreken. Tegelijkertijd is het moeilijk te bepalen in hoeverre de sagen op waarheid berusten. In werkelijkheid hoeft er niet per se sprake te zijn van een historische Tidde, heer van Lodijke, jaloerse buurman of verveelde herder.
De verhalen van Tidde en de heer van Lodijke worden deels herkend als historisch en verklarend, voor de andere twee verhalen geldt dit minder; in deze verhalen komt dan ook niet een specifiek ‘historisch’ persoon naar voren die verantwoordelijkheid draagt voor de ramp.
De overstroming veroorzaakt door de heer van Lodijke zal deel geweest zijn van de Sint-Felix overstroming, 5 november 1530. Deze storm bracht grote schade toe aan geheel Zeeland; vooral Zuid-Beveland werd hevig geraakt en het gebied veranderde in een eiland. Verschillende dorpen en de stad Reimerswaal verdwenen in de golven. In enkele teksten wordt de overstroming echter geplaatst binnen de Allerheiligenvloed van 1532. Kasteelheer Adriaan van Reimerswaal, kasteelheer van Lodijke is een historisch figuur. In hoeverre hij daadwerkelijk verantwoordelijk geweest is blijft onduidelijk. Over de bestaande heer van Lodijke wordt wel gezegd dat hij in voortdurende twist was met de bewoners van Reimerswaal; ieder die hem aan zijn plichten als voorzitter van het dijkbestuur herinnerde dreigde hij in stukken te hakken. Opvallend is ook dat verteld wordt dat hij lid was van de commissie die belast werd met het onderzoek naar de omvang en oorzaak van de overstroming die hij zelf veroorzaakt had.
Het verhaal rondom de overstroming van Dordrecht richt zich op het jaar 1421 en de 2e St. Elisabethsvloed op 19 november. Deze nachtelijke ramp verwoestte grote delen van Zuid-Holland.
Het verhaal over de schaapherder en de geul zal met grote waarschijnlijkheid verhalen over de Late Middeleeuwen. De plek waar de geul gegraven is volgens de sage, is het tegenwoordige Haringvliet. Al sinds de 9e eeuw ontstonden er door verschillende stormen en overstromingen in het kustgebied van Zeeland en Zuid-Holland verschillende geulen. Deze geulen scheurden uit door het vele water dat naar binnen stroomde. Het land viel uiteindelijk uiteen en het gebied veranderde in een verzameling eilanden, schorren en platen. De exacte datering is niet vast te stellen in verband met de vele overstromingen.
De datering voor het verhaal van Tidde en de Dollard is lastig te achterhalen. Over het ontstaan van Dollard is veel onenigheid, zowel de datering als de oorzaken zijn onderwerp van discussie. De jaartallen voor het ontstaan van de Dollard lopen in de verschillende verhalen en bronnen ontzettend uiteen, variërend van 1277, 1287 (St. Lucia-vloed), 1362 (St. Marcellusvloed), 1377 (Dyonisius-vloed), 1413, 1454 tot en met 1565. De jaartallen die het meest genoemd worden zijn 1277 en 1413. De Dollard is niet in een keer ontstaan. Verschillende grote en kleinere overstromingen hebben elkaar door de jaren heen opgevolgd waardoor er telkens stukjes land van de Reiderwolde verdwenen. Naar aanleiding hiervan is het te begrijpen dat er veel verschillende jaartallen genoemd worden.
De oorzaken van de overstromingen worden in de sagen verhaald als de schuld van arrogantie, jaloezie, onwetendheid, verveling etc. Deze oorzaken zijn echter pas achteraf toegekend aan de gebeurtenissen, de verhalen en sagen die zijn ontstaan geven een ‘reconstructie’ van de gebeurtenis. Men probeert een verklaring te zoeken die past bij de gebeurtenis. De schuld wordt hierin vaak gelegd bij (de zonden van) de mens; dit is de enige verklaarbare mogelijkheid waarom de almachtige God een verwoesting ruim baan geeft.
De werkelijke oorzaken lagen echter bij de natuur en de mens. De gebieden van de overstromingen in Zeeland en Groningen waren kwetsbaar. In Zeeland bestaat het land vooral uit veen, in Groningen uit laagveen, kleigrond en moerassig binnenland. Het zoute water van de zee veroorzaakte erosie, verwering en bodemdaling. Het water ‘vrat’ zich in in het land, waardoor losse grondlagen gemakkelijk weggespoeld werden. In Zeeland werd dit proces in de hand gewerkt door het afgraven van veen voor zoutwinning.
Gebrek aan kennis en middelen gaven overstromingen vrij baan, maar waren niet de enige boosdoeners. Discussies omtrent verantwoordelijkheid, kosten en mankracht voor herstel van dijken zorgde voor veel onenigheid onder inwoners en landbezitters. Het ontbrak vaak aan een centrale macht om mensen aan hun plichten te houden. In Zeeland had men sinds de 12e/13e eeuw waterschappen opgericht om het herstel in de hand te houden. Maar ook hier wakkerden discussies op. Men wilde medezeggenschap, maar wilde niet opdraaien voor de kosten. Uiteindelijk werden om deze reden vaak ongeschikte personen tot dijkgraaf benoemd, gekozen aan de hand van het geld dat zij hiervoor neerlegden. Degenen die de macht verkregen hadden, wilden echter hierna geen geld meer uitgeven. Het eigenbelang kwam hoger te staan dan de veiligheid van land en volk.
De genoemde verhalen zijn voorbeelden van een uitgebreide reeks verhalen met betrekking tot overstromingen. Nederland, als waterland dat zich voor meer dan 60% onder de zeespiegel bevindt, heeft een ruim assortiment verhalen met het thema overstroming. Het water en Nederland leven in voortdurende strijd met elkaar. Aan de ene kant voorziet de zee de mensen van voedsel, vruchtbaar land en mogelijkheden. Aan de andere kant is het water een van de meest gevaarlijke en verwoestende krachten.
In het verleden had Nederland veel last van regelmatig terugkerende overstromingen en zelfs hevige watersnoden. Deze vonden plaats rond de kustprovincies (van Groningen tot Zeeland), maar ook rond de grote rivieren in het binnenland. Er worden door de geschiedenis heen meldingen gemaakt van verschillende grote en kleine stormen, overstromingen en watersnoodrampen. Ook zijn er voorbeelden hoe men zich voorbereidde en probeerde te beschermen tegen het water. Op vele plekken zijn dammen en dijken opgetrokken, daarnaast werden er in de 13e/14e eeuw dorpen uit voorzorg verplaatst naar hoger gelegen terrein in het Dollardgebied.
Veel van de grote overstromingen zijn genoemd naar de datum of de tijdsperiode waarin zij plaatsvonden, zoals de ‘St. Elisabethvloed’ (19 november 1404/1421/1424), de ‘Kerstvloed’ (rond 25 december 1717) en de ‘Allerheiligenvloed’ (rond 1 november 1170/1532/1570/1675/2006).
De strijd met het water is niet alleen een belangrijk thema in Nederland, ook andere landen ervaren ditzelfde conflict (bijvoorbeeld Bangladesh).
Veel van de verhalen over overstromingen proberen te verklaren waarom de overstroming plaatsvond. Dit verklarende karakter komt vaak voor bij verhalen over natuurverschijnselen- en rampen, al sinds het begin van de mensheid. Een logische verklaring van een ramp is een ‘straf’ of de ‘eigen schuld’. Om deze reden zijn er verschillende overstromingsverhalen te vinden waarin men gestraft wordt voor zijn nalatigheid door God.
Verhalen over overstromingen zijn terug te vinden over de gehele wereld, vooral in kustgebieden, maar ook in gebieden waar zich grote rivieren bevinden. In veel gevallen draait het hier ook om een verklarend verhaal; een uitleg waarom de mensen dit moet overkomen. Duidelijke voorbeelden hiervan zijn de wijdverspreide verhalen over zondvloeden, zoals het verhaal over Noach, Gilgamesj (Sumerisch), Tumbainot (Masai), Manu (India), Noah (Herschel-eiland) Pacha (Peru) etc. Maar verhalen over kleinere, plaatselijke overstromingen vindt men ook plaatselijk in verschillende werelddelen terug. (bijvoorbeeld ‘Hoe de stad Is/Ys in de zee verdronk’ (Bretagne), ‘Het gelukkige eiland’ (Boeddhistisch sprookje), ‘Hoe het Chikaso meer ontstaan is (Noord-Amerika) etc.).
Naast het water is een andere rode draad in de verhalen over overstromingen God. God krijgt in de verschillende overstromingsverhalen een bepaalde rol toebedeeld. In de meeste verhalen is dit een rol die er juist niet meer toe doet, God is niet meer van belang en juist dit is het probleem. De mensen hebben genoeg aan hun rijkdom, zij worden verwaand en voelen zich niet geroepen om dankbaar te zijn voor wat zij ontvangen hebben. Een overstroming wordt hierdoor, in sommige gevallen, gezien als een straf van God. Commentaar met betrekking tot de overstroming van het Dollardgebied: “‘t Was mènsken heur aigen schuld. Ze wazzen goddeloos en lui, zatten laiver ien kroug as ien kèrk, en ze zorgden nait veur de dieken”. (E.J. Huizenga-Onnekes, In het gebied van de Dollard. 1953).
In het verhaal van de schaapherder wordt God juist in een ander licht gezet. De nadruk ligt hier op de kracht en de macht die God heeft. De mens en alles wat bij ons hoort is vergankelijk. God is dat echter niet, hij staat hier boven. Als mens is het belangrijk om dit te beseffen. Men moet de nederige plek van de mens in het geheel erkennen, de vergankelijkheid onder ogen zien en eerbied en respect tonen voor hetgeen wat boven ons staat.
Naast de sagen zijn er ook nog andere elementen die herinneren aan de vroegere overstromingen. Van de beide dorpen van Tidde en de heer van Lodijke is niets meer overgebleven na de rampen. In Groningen kan men de Dollard bezoeken, waar het water op het vroegere land van Tidde nog altijd een speerlengte hoog staat. Onder schippers doen verhalen de ronde dat met helder weer de verdronken dorpen zichtbaar zijn. Anderen hebben zelfs verdronken klokken horen luiden vanuit de zee. Aan de andere kant van de Dollard (Duitsland), in de stad Emden leeft Tidde nog altijd voort als de straat Tide-Winnenga-Weg.
Het klooster waar Tidde volgens de sage uiteindelijk terecht komt, Palmar (ook wel Palmaer, Palla of Poll) werd in 1447 opgeheven uit angst voor een dijkdoorbraak. De resten van het klooster zijn uiteindelijk later, rond 1509 of 1520, verzwolgen door de Dollard.
Ook Lodijke is terug te vinden in het huidige Zeeland. In Bergen op Zoom vind men het Lodijkepad, Lodijkepark en zelfs een Rooms Katholieke basisschool, Lodijke. Daarnaast is het mogelijk in Zeeland om te duiken bij het Gat van Lodijke naar resten van het kasteel en het dorp. Er is echter niet veel overgebleven en de juiste plaats is moeilijk te bepalen door het donkere water.
De ondergang van het gebied van Reimerswaal is inspiratie geweest voor verschillende tekeningen en boeken (zoals de jeugdroman De ondergang van Reimerswaal van Jacob Stamperius (1896) en het boek Heer Adriaan van Lodijke van L. Janse(1954)). Maar ook voor een treurspel met de titel Ewoud van Lodijke of de ondergang der Zeeuwsche stad van Romerswaal door Adriaan Loosjes (1808).
Als herinnering aan de overstroming van Dordrecht in 1421 kan men vele gedichten en verzen terug vinden, zoals het opschrift op de Spuipoort in de stad: “ 't Lant en water, dat ghy hier siet, Waren twee en seventigh prochien, na cronieks bediedt;Verdroncken door het water crachtig, In 't jaar 1421 waarachtig.”
De boeren van Reiderland waren de rijkste boeren van Groningen. De rijkste van allen was Tidde Winnenga. Op een dag stak er een hevige storm op. Iedereen was in de weer om de dijk te versterken, behalve Tidde. Zijn boerderij stond hoog genoeg en hij liet zich niet op stang jagen. De buren drongen aan; het hele land was in groot gevaar. Maar Tidde Winnenga bleef halsstarrig. Hij zou niet wijken, zei hij, voordat het water manshoog op zijn land stond.
De dijk brak en de zee verzwolg het hele Reiderland.
Zo is de Dollard ontstaan. In het holst van de nacht klopte een man aan de poort van het klooster Palmar, dat bij de vloed gespaard was gebleven. De grote gebogen gestalte vroeg om brood en onderdak. Niet voor een nacht, maar voorgoed.
Het was Tidde Winnenga, die have en goed had verloren.
In het klooster was nog een plaats voor hem en daar hebben ze hem te eten gegeven, zo lang hij leefde.
(E. de Jong & P. Klaasse Sagen en Legenden van de Lage Landen, Bussum, 1980. p.54)
In dit verhaal spelen Tidde (/Tyde/Tiddo) Winnenga (/Winnenga/Winningha/Wyneda) en de Dollard (/Dullard) de hoofdrol. Deze sage geeft een verklaring waarom de Dollard, de mond van de rivier de Eems, zo wijds geworden is als hij nu is. De rivier de Eems bevindt zich tussen Groningen en Noord-Duitsland.
Het verhaal van Tidde is bekend in verschillende versies. Deze verhalen komen voor het grootste deel met elkaar overeen en volgen dezelfde verhaallijn. De verschillen zijn vooral terug te vinden in de details, zoals de voorwerpen van rijkdom, de hoeveelheid dorpen die vergaan etc.
Al de sagen die over Tidde spreken spelen zich af in het gebied Reiderland. Dit gebied wordt afgeschilderd als een vruchtbaar gebied waar men in rijkdom en weelde leefde. De rijkdom steeg het volk uiteindelijk echter naar het hoofd. Men werd trots, hooghartig en zorgeloos.
Na deze inleiding bespreken de verschillende sagen de gebeurtenis rondom Tidde. Als het water van de zee de sluis, die het gebied beschermt, vernielt loopt het land gevaar. De golven trekken steeds hogerop. Ieder moet zijn trots en gemak overboord zetten om mee te helpen een grotere ramp te voorkomen.
De enige die niet meehelpt om de dijken te verstevigen is de rijke boer Tidde. Hij stelt dat hij pas aan het werk gaat als de vloed een speer hoog (ook wel meters- of manshoog) over zijn land loopt. Vanwege de onwil en nalatigheid van Tidde breekt uiteindelijk de dijk door, soms zelfs exact bij het dijkstuk van Tidde. De dorpen van het Reiderland verdwijnen hierdoor onder de golven: “Allen moesten lijden om het verzuim van één”. (Cor Bruijn. Nederlandse sagen en volksverhalen. Houten, 1989. p.43)
Tidde zelf overleeft de ramp, maar al zijn rijkdom is verloren. Hij moet uiteindelijk aankloppen bij het klooster van Palmar, waar hij eten en onderdak ontvangt.
‘Hij was een van de rijkste boeren uit heel Groningerland geweest, nu moest hij voor elke hap en elke slok ‘dank je’ zeggen. Dat zal niet prettig voor hem geweest zijn, maar zo gaat het’. (Cor Bruijn. Nederlandse sagen en volksverhalen. Houten, 1989. p.43)
De variaties op het verhaal spelen in op verschillende elementen. Een van de versies die iets extra’s toevoegt aan het verhaal van Tidde geeft een verklaring voor het plotselinge gevaar van het water. De ramp vind namelijk plaats tijdens de oorlog tussen de Vetkopers en de Schieringers. Naar aanleiding van de strijd wordt de sluis vernield, waardoor het water vrij baan had. De sage, vermeld door Harkenroth, verhaalt dat Tidde tijdens deze strijd de zijlen (afwateringskanalen) inrijdt. Harkenroth voegt als commentaar hieraan toe: ”die God verderven wil beneemt Hij het verstand”. In andere versies waar de sluis doorbreekt, is de sluis gewoonweg niet stevig genoeg.
Een andere versie stelt dat deze onderlinge ruzie pas later naar voren komt. Als Tidde zich verzet om mee te werken aan het herstel van de dijk besluiten de anderen een nieuwe dijk aan te leggen. Het land van Tidde wordt echter buiten het veilige gebied gelaten. Al snel overstroomt Tiddes land en vlucht hij naar een klooster. Het overige land blijft desondanks niet lang gespaard; de samenwerking wordt door de onderlinge vijandigheid al snel teniet gedaan.
In veel verhalen draagt Tidde de verantwoordelijk voor zijn eigen dijkstuk, maar sommige versies stellen dat hij dijkgraaf was. Hierbij wordt hij gevorderd door de boeren en de gemeenten de dijk te herstellen. Tidde voldoet echter niet aan zijn taak.
Een laatste verhaal (bijna gelijkend aan een roman; het verhaal beslaat meer dan twintig pagina’s en is in literaire stijl geschreven. Zoals de schrijver stelt: een oud verhaal in een nieuw kleed gestoken) brengt meer inzicht in de voorgeschiedenis van Tidde. De reden van zijn boosheid, wrok en onwilligheid wordt uitgelicht. In dit verhaal spelen zijn vriend IJpma en diens zuster Itta een belangrijke rol. Als Tidde geen toestemming krijgt om met Itta te trouwen voelt hij zich afgewezen waarna hij zichzelf al snel verliest en de duivel van gierigheid en wraak hem overneemt. Na een overstroming (waarbij Tidde’s land niet ten onder ging, maar veel van de omgeving wel) weigert hij de Eemsdijken te herstellen. Door zijn onwil leeft het grootste gedeelte van de bevolking, waaronder IJpma, in armoede. Als men jaren later het bestaan weer opgepakt heeft vinden Tidde en IJpma elkaar terug in het klooster Palmar. IJpma is opgenomen in het klooster als monnik, terwijl Tidde op zijn sterfbed ligt. Tidde biecht op aan IJpma hoe hij door God gestraft is voor zijn slechte daden, hij heeft alles verloren. Voor hij sterft bekent hij spijt dat hij zich tegen God gekeerd heeft.
Het verhaal van Tidde valt onder het verhaaltype SINSAG 1174 Kleine Ursache, Grosse Wirkung. Die Tat eines Mannes, der sich rächen will, unachtsam ist, oder aus Selbstsucht nicht handeln will, ist die Ursache der Überschwemmung.
Het kan echter ook in verband gebracht worden met andere verhaaltypes, zoals ATU 0836 Pride is punished. De bewoners van Reiderland maken zich steeds minder druk om elkaar, ze zijn gefocust op eigen gemak en kortstondige vreugde. Tidde is hiervan het meest opvallende voorbeeld. Door zijn nalatigheid, uit luiheid en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, laat hij belangrijke taken links liggen, wat grote gevolgen heeft.
Het verhaaltype waar het verhaal van Tidde onder valt sluit aan bij verschillende andere sagentypes die ook gericht zijn op overstromingen. Dit zijn onder andere SINSAG 1171 Die Katze auf der Wieg (na een overstroming dobbert een wieg met een kindje rond; een kat op de wieg zorgt dat deze in evenwicht blijft en niet omkiept), SINSAG 1173 Der Hering im Brunnen (Graben) (er wordt een haring gevonden in het putwater/een greppel; dit voorspelt een overstroming), TM 2603 Hans Brinker (Hans voorkomt een overstroming door zijn vinger in de dijk te stoppen), TM 2604 Watersnood (dit type bevat overige verhalen over overstromingen, slachtoffers en wonderbaarlijke reddingen) en SINSAG 1145 die untergegangene Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner (dit verhaaltype valt het meest samen met SINSAG 1174, sommige verhalen onder het verhaaltype SINSAG 1174 kunnen ook het verhaaltype SINSAG 1145 bevatten. Het verhaaltype SINSAG 1145 richt zich op de arrogantie, verwaandheid en losbandigheid van de gehele bevolking van een stad of dorp. De bevolking is geobsedeerd door rijkdom, feesten en drank. Zij worden hiervoor gestraft (vaak door God of de duivel) door middel van een overstroming. Anders dan in SINSAG 1174 is er geen specifiek persoon die door een kleine handeling, die hij juist wel of juist niet uitvoert, de overstroming veroorzaakt)
Naast verhaaltypen bevatten de verhalen ook verschillende motieven. Deze sluiten aan bij het gedrag van Tidde, zoals J320 Present values preferred to future (In een versie feest Tidde liever verder dan dat hij komt helpen, hij biedt hier wel aan om geld te geven), J1730 Absurd ignorance, L412 Rich man poor to punish pride, Q494 Loss of social position as punishment, Q595 Loss or destruction of property as punishment en W167 Stubborness. Andere motieven sluiten aan bij de afloop van de gebeurtenis F944 City sinks into the sea en F993.1 Sunken bell sounds at certain times.
Het Groningse verhaal van Tidde is echter niet het enige verhaal dat binnen het type SINSAG 1174 valt. Aan de andere kant van het land, in Zeeland, is een verhaal te vinden wat erg op het verhaal van Tidde lijkt. In dit verhaal speelt de heer van Lodijke de hoofdrol.
Voor vele eeuwen lagen er gouden korenvelden en groene weiden, waar nu de zee stroomt, en dat is de schuld van den heer van Lodijke. Want toen in den vloed van 5 november 1530 een gat van nauwelijks twee ellen breed in den dijk was geslagen, en men hem smeekte, het gat te mogen dichten, zei hij: ”Laat de zee maar voor mij werken. Zoo krijg ik spoedig en met weinig kosten een haven naar mijn slot”. Maar er was geen stuiten aan; het gat van Lodijke werd dertig ellen breed en veertig ellen diep; al het land verzonk, en de rijke heer moest genadebrood eten in een klooster binnen Bergen op Zoom.
(J.R.W & M. Sinninghe. Zeeuws Sagenboek. Zutphen, 1933. p.265)
Het dorp van de heer van Lodijke bevond zich tussen Yerseke en Reimerswaal. Door de nalatigheid en de trots van de kasteelheer van Lodijke/Lodyke, Adriaan van Reimerswaal, verdwijnen het dorp en zijn kasteel voor altijd in de golven. De heer van Lodijke vond het niet nodig het gat in de dijk te herstellen. Hij was in de veronderstelling dat dit de kans zou zijn om een haven te kunnen creëren bij zijn dorp. Met behulp van een haven hoopte hij het dorp Lodijke om te toveren tot een stad vol rijkdom die zou kunnen concurreren met andere, omliggende en welvarende steden, zoals Reimerswaal, Zierikzee en Goes. De reden dat deze haven nog niet bestond is in het ene verhaal verbonden met de hoge kosten en in het andere met toestemming en de angst van de andere steden voor concurrentie.
Omdat de heer van Lodijke geen sein gaf om het gat in de dijk te dichten kon de zee ongehinderd het land veroveren. In een enkel verhaal geeft de heer van Lodijke op dat moment signaal om een nooddijk aan te leggen. Het is dan echter al te laat. Naast het dorp en het kasteel van Lodijke verdwijnen ook omliggende dorpen in de golven. Het water, op de plek waar het gat zich bevond, draagt nu nog altijd de naam Gat van Lodijke.
Naast de verhalen van Tidde en de heer van Lodijke noemt Sinninghe nog twee andere bronnen met verhalen binnen hetzelfde verhaaltype. De eerste bron, van Hendrick van Dam, betreft een 17eeeuws verhaal over een schaapherder en draagt de titel Een seer oudt Gedicht van de Oude Werelt, Leggende aen de Strandt tot Goeree. Het verhaal speelt zich, net als het verhaal van Lodijke, af in Zeeland. De herder graaft, om onduidelijke redenen, een geul in het land tussen Goeree en Voorne. Deze geul wordt echter steeds breder en breder door het aanstromende water. Uiteindelijk houdt het land het niet meer en overstroomt het. De handelingen van de schaapherder worden in enkele zinnen samengevat. De rest van de tekst richt zich op het ingrijpen van God en de vergankelijkheid van de mens. (Met motieven: A902 - Topographical features of the earth arranged by creator, J2120 - Disregard of danger to objects (or animals), N350 – Accidental loss of property, A1018 – Flood as Punishment etc.)
De andere bron die Sinninghe noemt is een gedeelte uit het hoofdstuk Beschrijving van Dordrecht uit het 17eeeuwse boek van Hadrianus Junius. Het hoofdstuk verdiept zich op de geschiedenis, achtergrond en organisatie van de stad Dordrecht (Zuid-Holland). In dit hoofdstuk beschrijft Junius de sage rondom het ontstaan van de St. Elisabethsvloed van 1421. De sage verhaalt over een man die jaloers was op zijn buurman. Omdat het huis van de buurman dicht bij de zee lag wilde de man het huis van zijn buurman laten overstromen. De sloten die hij gegraven had om het water van de zee naar het huis te leiden braken echter door door het geweld van de zee, waardoor het water het land binnenstroomde. (Met motieven: N330 – Accidental killing or death, F944 – City sinks in the sea, W151 – Greed, W195 – Envy etc.)
De verschillende verhalen spelen zich verspreid over het kustgebied van Nederland af, van Groningen tot Zeeland. Al deze gebieden hebben door de jaren heen te maken gehad met verschillende overstromingen. De overstromingen die in de verhalen voorkomen zijn geplaatst in een tijdsperiode waarin watersnoodrampen veel voorkomend waren. Over het algemeen is het hierdoor niet lastig te achterhalen over welke tijd en welke overstroming de verhalen spreken. Tegelijkertijd is het moeilijk te bepalen in hoeverre de sagen op waarheid berusten. In werkelijkheid hoeft er niet per se sprake te zijn van een historische Tidde, heer van Lodijke, jaloerse buurman of verveelde herder.
De verhalen van Tidde en de heer van Lodijke worden deels herkend als historisch en verklarend, voor de andere twee verhalen geldt dit minder; in deze verhalen komt dan ook niet een specifiek ‘historisch’ persoon naar voren die verantwoordelijkheid draagt voor de ramp.
De overstroming veroorzaakt door de heer van Lodijke zal deel geweest zijn van de Sint-Felix overstroming, 5 november 1530. Deze storm bracht grote schade toe aan geheel Zeeland; vooral Zuid-Beveland werd hevig geraakt en het gebied veranderde in een eiland. Verschillende dorpen en de stad Reimerswaal verdwenen in de golven. In enkele teksten wordt de overstroming echter geplaatst binnen de Allerheiligenvloed van 1532. Kasteelheer Adriaan van Reimerswaal, kasteelheer van Lodijke is een historisch figuur. In hoeverre hij daadwerkelijk verantwoordelijk geweest is blijft onduidelijk. Over de bestaande heer van Lodijke wordt wel gezegd dat hij in voortdurende twist was met de bewoners van Reimerswaal; ieder die hem aan zijn plichten als voorzitter van het dijkbestuur herinnerde dreigde hij in stukken te hakken. Opvallend is ook dat verteld wordt dat hij lid was van de commissie die belast werd met het onderzoek naar de omvang en oorzaak van de overstroming die hij zelf veroorzaakt had.
Het verhaal rondom de overstroming van Dordrecht richt zich op het jaar 1421 en de 2e St. Elisabethsvloed op 19 november. Deze nachtelijke ramp verwoestte grote delen van Zuid-Holland.
Het verhaal over de schaapherder en de geul zal met grote waarschijnlijkheid verhalen over de Late Middeleeuwen. De plek waar de geul gegraven is volgens de sage, is het tegenwoordige Haringvliet. Al sinds de 9e eeuw ontstonden er door verschillende stormen en overstromingen in het kustgebied van Zeeland en Zuid-Holland verschillende geulen. Deze geulen scheurden uit door het vele water dat naar binnen stroomde. Het land viel uiteindelijk uiteen en het gebied veranderde in een verzameling eilanden, schorren en platen. De exacte datering is niet vast te stellen in verband met de vele overstromingen.
De datering voor het verhaal van Tidde en de Dollard is lastig te achterhalen. Over het ontstaan van Dollard is veel onenigheid, zowel de datering als de oorzaken zijn onderwerp van discussie. De jaartallen voor het ontstaan van de Dollard lopen in de verschillende verhalen en bronnen ontzettend uiteen, variërend van 1277, 1287 (St. Lucia-vloed), 1362 (St. Marcellusvloed), 1377 (Dyonisius-vloed), 1413, 1454 tot en met 1565. De jaartallen die het meest genoemd worden zijn 1277 en 1413. De Dollard is niet in een keer ontstaan. Verschillende grote en kleinere overstromingen hebben elkaar door de jaren heen opgevolgd waardoor er telkens stukjes land van de Reiderwolde verdwenen. Naar aanleiding hiervan is het te begrijpen dat er veel verschillende jaartallen genoemd worden.
De oorzaken van de overstromingen worden in de sagen verhaald als de schuld van arrogantie, jaloezie, onwetendheid, verveling etc. Deze oorzaken zijn echter pas achteraf toegekend aan de gebeurtenissen, de verhalen en sagen die zijn ontstaan geven een ‘reconstructie’ van de gebeurtenis. Men probeert een verklaring te zoeken die past bij de gebeurtenis. De schuld wordt hierin vaak gelegd bij (de zonden van) de mens; dit is de enige verklaarbare mogelijkheid waarom de almachtige God een verwoesting ruim baan geeft.
De werkelijke oorzaken lagen echter bij de natuur en de mens. De gebieden van de overstromingen in Zeeland en Groningen waren kwetsbaar. In Zeeland bestaat het land vooral uit veen, in Groningen uit laagveen, kleigrond en moerassig binnenland. Het zoute water van de zee veroorzaakte erosie, verwering en bodemdaling. Het water ‘vrat’ zich in in het land, waardoor losse grondlagen gemakkelijk weggespoeld werden. In Zeeland werd dit proces in de hand gewerkt door het afgraven van veen voor zoutwinning.
Gebrek aan kennis en middelen gaven overstromingen vrij baan, maar waren niet de enige boosdoeners. Discussies omtrent verantwoordelijkheid, kosten en mankracht voor herstel van dijken zorgde voor veel onenigheid onder inwoners en landbezitters. Het ontbrak vaak aan een centrale macht om mensen aan hun plichten te houden. In Zeeland had men sinds de 12e/13e eeuw waterschappen opgericht om het herstel in de hand te houden. Maar ook hier wakkerden discussies op. Men wilde medezeggenschap, maar wilde niet opdraaien voor de kosten. Uiteindelijk werden om deze reden vaak ongeschikte personen tot dijkgraaf benoemd, gekozen aan de hand van het geld dat zij hiervoor neerlegden. Degenen die de macht verkregen hadden, wilden echter hierna geen geld meer uitgeven. Het eigenbelang kwam hoger te staan dan de veiligheid van land en volk.
De genoemde verhalen zijn voorbeelden van een uitgebreide reeks verhalen met betrekking tot overstromingen. Nederland, als waterland dat zich voor meer dan 60% onder de zeespiegel bevindt, heeft een ruim assortiment verhalen met het thema overstroming. Het water en Nederland leven in voortdurende strijd met elkaar. Aan de ene kant voorziet de zee de mensen van voedsel, vruchtbaar land en mogelijkheden. Aan de andere kant is het water een van de meest gevaarlijke en verwoestende krachten.
In het verleden had Nederland veel last van regelmatig terugkerende overstromingen en zelfs hevige watersnoden. Deze vonden plaats rond de kustprovincies (van Groningen tot Zeeland), maar ook rond de grote rivieren in het binnenland. Er worden door de geschiedenis heen meldingen gemaakt van verschillende grote en kleine stormen, overstromingen en watersnoodrampen. Ook zijn er voorbeelden hoe men zich voorbereidde en probeerde te beschermen tegen het water. Op vele plekken zijn dammen en dijken opgetrokken, daarnaast werden er in de 13e/14e eeuw dorpen uit voorzorg verplaatst naar hoger gelegen terrein in het Dollardgebied.
Veel van de grote overstromingen zijn genoemd naar de datum of de tijdsperiode waarin zij plaatsvonden, zoals de ‘St. Elisabethvloed’ (19 november 1404/1421/1424), de ‘Kerstvloed’ (rond 25 december 1717) en de ‘Allerheiligenvloed’ (rond 1 november 1170/1532/1570/1675/2006).
De strijd met het water is niet alleen een belangrijk thema in Nederland, ook andere landen ervaren ditzelfde conflict (bijvoorbeeld Bangladesh).
Veel van de verhalen over overstromingen proberen te verklaren waarom de overstroming plaatsvond. Dit verklarende karakter komt vaak voor bij verhalen over natuurverschijnselen- en rampen, al sinds het begin van de mensheid. Een logische verklaring van een ramp is een ‘straf’ of de ‘eigen schuld’. Om deze reden zijn er verschillende overstromingsverhalen te vinden waarin men gestraft wordt voor zijn nalatigheid door God.
Verhalen over overstromingen zijn terug te vinden over de gehele wereld, vooral in kustgebieden, maar ook in gebieden waar zich grote rivieren bevinden. In veel gevallen draait het hier ook om een verklarend verhaal; een uitleg waarom de mensen dit moet overkomen. Duidelijke voorbeelden hiervan zijn de wijdverspreide verhalen over zondvloeden, zoals het verhaal over Noach, Gilgamesj (Sumerisch), Tumbainot (Masai), Manu (India), Noah (Herschel-eiland) Pacha (Peru) etc. Maar verhalen over kleinere, plaatselijke overstromingen vindt men ook plaatselijk in verschillende werelddelen terug. (bijvoorbeeld ‘Hoe de stad Is/Ys in de zee verdronk’ (Bretagne), ‘Het gelukkige eiland’ (Boeddhistisch sprookje), ‘Hoe het Chikaso meer ontstaan is (Noord-Amerika) etc.).
Naast het water is een andere rode draad in de verhalen over overstromingen God. God krijgt in de verschillende overstromingsverhalen een bepaalde rol toebedeeld. In de meeste verhalen is dit een rol die er juist niet meer toe doet, God is niet meer van belang en juist dit is het probleem. De mensen hebben genoeg aan hun rijkdom, zij worden verwaand en voelen zich niet geroepen om dankbaar te zijn voor wat zij ontvangen hebben. Een overstroming wordt hierdoor, in sommige gevallen, gezien als een straf van God. Commentaar met betrekking tot de overstroming van het Dollardgebied: “‘t Was mènsken heur aigen schuld. Ze wazzen goddeloos en lui, zatten laiver ien kroug as ien kèrk, en ze zorgden nait veur de dieken”. (E.J. Huizenga-Onnekes, In het gebied van de Dollard. 1953).
In het verhaal van de schaapherder wordt God juist in een ander licht gezet. De nadruk ligt hier op de kracht en de macht die God heeft. De mens en alles wat bij ons hoort is vergankelijk. God is dat echter niet, hij staat hier boven. Als mens is het belangrijk om dit te beseffen. Men moet de nederige plek van de mens in het geheel erkennen, de vergankelijkheid onder ogen zien en eerbied en respect tonen voor hetgeen wat boven ons staat.
Naast de sagen zijn er ook nog andere elementen die herinneren aan de vroegere overstromingen. Van de beide dorpen van Tidde en de heer van Lodijke is niets meer overgebleven na de rampen. In Groningen kan men de Dollard bezoeken, waar het water op het vroegere land van Tidde nog altijd een speerlengte hoog staat. Onder schippers doen verhalen de ronde dat met helder weer de verdronken dorpen zichtbaar zijn. Anderen hebben zelfs verdronken klokken horen luiden vanuit de zee. Aan de andere kant van de Dollard (Duitsland), in de stad Emden leeft Tidde nog altijd voort als de straat Tide-Winnenga-Weg.
Het klooster waar Tidde volgens de sage uiteindelijk terecht komt, Palmar (ook wel Palmaer, Palla of Poll) werd in 1447 opgeheven uit angst voor een dijkdoorbraak. De resten van het klooster zijn uiteindelijk later, rond 1509 of 1520, verzwolgen door de Dollard.
Ook Lodijke is terug te vinden in het huidige Zeeland. In Bergen op Zoom vind men het Lodijkepad, Lodijkepark en zelfs een Rooms Katholieke basisschool, Lodijke. Daarnaast is het mogelijk in Zeeland om te duiken bij het Gat van Lodijke naar resten van het kasteel en het dorp. Er is echter niet veel overgebleven en de juiste plaats is moeilijk te bepalen door het donkere water.
De ondergang van het gebied van Reimerswaal is inspiratie geweest voor verschillende tekeningen en boeken (zoals de jeugdroman De ondergang van Reimerswaal van Jacob Stamperius (1896) en het boek Heer Adriaan van Lodijke van L. Janse(1954)). Maar ook voor een treurspel met de titel Ewoud van Lodijke of de ondergang der Zeeuwsche stad van Romerswaal door Adriaan Loosjes (1808).
Als herinnering aan de overstroming van Dordrecht in 1421 kan men vele gedichten en verzen terug vinden, zoals het opschrift op de Spuipoort in de stad: “ 't Lant en water, dat ghy hier siet, Waren twee en seventigh prochien, na cronieks bediedt;Verdroncken door het water crachtig, In 't jaar 1421 waarachtig.”
Literatuur
Boeken:
- Bruijn, Cor. Nederlandse sagen en volksverhalen. Houten, 1989. p.38-43
- Beukers, Eelco (red.). Hollanders en het water. Twintig eeuwen strijd en profijt 1. Hilversum, 2007.
- Chmelova, Elena. Keltische sprookjes. Deventer, 1985. p. 132 – 138
- Dam, Hendrick van. Korte bescrijvinge van het eylandt Westvoorn, ende de geschiedenissen van de stadt Goederede’ kortelyck by een versamelt. Rotterdam 1680. p 119-122
- Delvigne, J.J. & Koopman, G.J. Het landschap. Deel 1 uit de serie “De Geschiedenis van Westerwolde”. Groningen. 1991.
- Elerie, J.N.H (red.), Goelema, W.E., Groenendijk, H.A. e.a. Dollardzijlvest, gepeild en aangekaart. Een kartografische kijk op de geschiedenis van het land en water. Groningen, van Dijk & Foorthuis Regio PRojekt, 1992
- Horst, J.J. van der. Oud en nieuw, Nederlandsche legenden. Leiden, 1887. p.119-241
- Haan, Tjaard W.R. Smeulend vuur: Groninger volksverhalen. Den Haag, 1974. p.42-44
- Huizenga-Onneke, E.J. bewerkt door: K. ter Laan. Groninger Volksverhalen. Groningen, 1930. p.126
- Huizenga-Onnekes, E.J. In het gebied van de Dollard. Rede door Mevr. E.J. Huizenga-Onnekes te Ten Boer op algemene ledenvergadering van de “Afdeling Groningen” van de “Nederlandse Genealogische Vereniging”, Groningen, 13 april 1953.
- Junius, Hadrianus. Toneel der Ghemuurde en Onghemuurde Steden en Vlecken van Hollant en Westvriesland. Amsterdam, 1646. p.16-18
- Kuipers, J.J.B. & Swiers, R.J. Het verhaal van Zeeland. Hilversum, 2005. p.195
- Kuipers, Jan J.B., ‘Het drijvende wiegje. De literaire traditie van ‘verdronken geschiedenis’’, in: Traditie 15/4 (2009) p. 34-37.
- Laan, K. Ter. Nederlandse overleveringen. Zutphen, 1932. p.210
- Leyen, Friedrich van der. Boeddhistische sprookjes. Utrecht, 1977. p. 27 - 39
- Sinninghe, J.R.W. & M. Zeeuws Sagenboek. Zutphen, 1933. p.265
- Sinninghe, J.R.W. Hollandsch Sagenboek. Legenden en Sagen uit Noord- en Zuid-Holland. ’s Gravenhage, 1943. p.268 – 270
- Stratingh G.A. & Vennema, C.A. De Dollard. Een geschied-, aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems. Groningen, 1858
- Stulch, Vladimir. Sprookjes van de prairie. Verhalen uit Noord-Amerika. Deventer, 1982. (via volksverhalenalmanak.nl)
- Vrieze, K.T. Ingeleid en naverteld. Westerwolde door de eeuwen heen. De geschiedenis van Westerwolde. Meppel, 1981
Internet:
- Berg, Annette van de. Ontdek het verdronken Zeeland. http://www.dagjeweg.nl/nieuwsredactie/17343/Ontdek%20het%20verdronken%20Zeeland
- Bree. Dr L.W. Sint-Felix Quade Saterdach. Nederlandsche Historiebladen, 3e jaargang nr.3, 1941. Hoofdstuk: De Zeeuw in het defensief gedrongen. p.230-246 http://www.historici.nl/
- Beleef het Groninger landschap. Op stap in de natuur: wandelen. http://www.groningerlandschap.nl
- Dollardpolders, http://www.remeijer.nl/ansichtkaarten/finsterwolde/virtuele-wandeling/polders
- Knottnerus, Otto. Verdronken land. Canon van Oldambt. Uitgave van Cultuurhistorisch Centrum Oldambt.
http://www.hetverhaalvangroningen.nl
Knottnerus, Otto S. Het Dollardgebied, Historische geografie van het Dollardgebied: reconstructie van een verdwenen landschap. Oktober, 2003. http://ottoknot.home.xs4all.nl/dollard/index.html (under construction)
- Het verdronken land van Reymerswaal. Familie Remmerswaal http://preos.home.xs4all.nl/index.html Website bevat onderzoek van Olga Remmerswaal
- Reimerswaal: Verdronken en vergeten. Heydtbloem. Historisch en genealogisc onderzoeksbureau. www.heydtbloem.nl
- Proza over Reimerswaal, volksverhalen en literatuur. http://www.geschiedeniszeeland.nl
- Zeeuwsch genootschap de wetenschappen Nieuwe werken van het Zeeuwsch genootschap der Wetenschappen. Deel 1. Middelburg, 1839. p.129-130 (e-book).
- Bruijn, Cor. Nederlandse sagen en volksverhalen. Houten, 1989. p.38-43
- Beukers, Eelco (red.). Hollanders en het water. Twintig eeuwen strijd en profijt 1. Hilversum, 2007.
- Chmelova, Elena. Keltische sprookjes. Deventer, 1985. p. 132 – 138
- Dam, Hendrick van. Korte bescrijvinge van het eylandt Westvoorn, ende de geschiedenissen van de stadt Goederede’ kortelyck by een versamelt. Rotterdam 1680. p 119-122
- Delvigne, J.J. & Koopman, G.J. Het landschap. Deel 1 uit de serie “De Geschiedenis van Westerwolde”. Groningen. 1991.
- Elerie, J.N.H (red.), Goelema, W.E., Groenendijk, H.A. e.a. Dollardzijlvest, gepeild en aangekaart. Een kartografische kijk op de geschiedenis van het land en water. Groningen, van Dijk & Foorthuis Regio PRojekt, 1992
- Horst, J.J. van der. Oud en nieuw, Nederlandsche legenden. Leiden, 1887. p.119-241
- Haan, Tjaard W.R. Smeulend vuur: Groninger volksverhalen. Den Haag, 1974. p.42-44
- Huizenga-Onneke, E.J. bewerkt door: K. ter Laan. Groninger Volksverhalen. Groningen, 1930. p.126
- Huizenga-Onnekes, E.J. In het gebied van de Dollard. Rede door Mevr. E.J. Huizenga-Onnekes te Ten Boer op algemene ledenvergadering van de “Afdeling Groningen” van de “Nederlandse Genealogische Vereniging”, Groningen, 13 april 1953.
- Junius, Hadrianus. Toneel der Ghemuurde en Onghemuurde Steden en Vlecken van Hollant en Westvriesland. Amsterdam, 1646. p.16-18
- Kuipers, J.J.B. & Swiers, R.J. Het verhaal van Zeeland. Hilversum, 2005. p.195
- Kuipers, Jan J.B., ‘Het drijvende wiegje. De literaire traditie van ‘verdronken geschiedenis’’, in: Traditie 15/4 (2009) p. 34-37.
- Laan, K. Ter. Nederlandse overleveringen. Zutphen, 1932. p.210
- Leyen, Friedrich van der. Boeddhistische sprookjes. Utrecht, 1977. p. 27 - 39
- Sinninghe, J.R.W. & M. Zeeuws Sagenboek. Zutphen, 1933. p.265
- Sinninghe, J.R.W. Hollandsch Sagenboek. Legenden en Sagen uit Noord- en Zuid-Holland. ’s Gravenhage, 1943. p.268 – 270
- Stratingh G.A. & Vennema, C.A. De Dollard. Een geschied-, aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems. Groningen, 1858
- Stulch, Vladimir. Sprookjes van de prairie. Verhalen uit Noord-Amerika. Deventer, 1982. (via volksverhalenalmanak.nl)
- Vrieze, K.T. Ingeleid en naverteld. Westerwolde door de eeuwen heen. De geschiedenis van Westerwolde. Meppel, 1981
Internet:
- Berg, Annette van de. Ontdek het verdronken Zeeland. http://www.dagjeweg.nl/nieuwsredactie/17343/Ontdek%20het%20verdronken%20Zeeland
- Bree. Dr L.W. Sint-Felix Quade Saterdach. Nederlandsche Historiebladen, 3e jaargang nr.3, 1941. Hoofdstuk: De Zeeuw in het defensief gedrongen. p.230-246 http://www.historici.nl/
- Beleef het Groninger landschap. Op stap in de natuur: wandelen. http://www.groningerlandschap.nl
- Dollardpolders, http://www.remeijer.nl/ansichtkaarten/finsterwolde/virtuele-wandeling/polders
- Knottnerus, Otto. Verdronken land. Canon van Oldambt. Uitgave van Cultuurhistorisch Centrum Oldambt.
http://www.hetverhaalvangroningen.nl
Knottnerus, Otto S. Het Dollardgebied, Historische geografie van het Dollardgebied: reconstructie van een verdwenen landschap. Oktober, 2003. http://ottoknot.home.xs4all.nl/dollard/index.html (under construction)
- Het verdronken land van Reymerswaal. Familie Remmerswaal http://preos.home.xs4all.nl/index.html Website bevat onderzoek van Olga Remmerswaal
- Reimerswaal: Verdronken en vergeten. Heydtbloem. Historisch en genealogisc onderzoeksbureau. www.heydtbloem.nl
- Proza over Reimerswaal, volksverhalen en literatuur. http://www.geschiedeniszeeland.nl
- Zeeuwsch genootschap de wetenschappen Nieuwe werken van het Zeeuwsch genootschap der Wetenschappen. Deel 1. Middelburg, 1839. p.129-130 (e-book).
