Hoofdtekst
Vader was dus een jonge kerel en die kwam van [?] af en die moest naar Douvergenhout, naar zijn familie. En der was een man uit Amstenrade, had die onderweg getroffen, was bij em. En hij heb nooit willen vertellen de naam van de man. De andere namen heb die verschillende genoemd, Huupke Smeets en Kuyper, moar die naam heb ik nooit gewete. En het was koud, oh het was zo koud zegt ie. Toen zei die man op een zeker moment, toen zegt ie: “als we ons eerst eens een borreltje gingen drinken” zegt ie, “dat zou ons allebij toch wel goed doen” zegt ie, “want we hebben nog een weg voor de boeg” he. Naar Amstenrade verder, nog verder langs het kasteel van Amstenrade van Damsburg af, de hele lange muur over naar Douvergenhout. Ik ken die weg daar wel dromen. Als kind heb ik daar honderden keren, honderden keren gelopen. En dit is nou nog zo, want ik ben er van een paar jaar terug nog geweest, is nou nog allemaal zo.
En toen kwamen ze, hadden ze bij [karden?], hadden ze in dat café, ben ik later nog eens geweest met m’n man. En ik vergeet nooit, allebij, zei die, hadden ze citroen gedronken. Citroenbrandewijn, hadden ze gedronken, citroentje. We komen weer naar buiten, zegt ie, en die man die bij hem was. En vader zei, bijn altijd: “ja ik, gewone man, Jan met de pet” zegt die “en dan hij”. Dus hij was geen Jan met de pet die bij hem was. Dat moet iemand, Jan met de pet was een mijnwerker he, wa, was er ‘t minste wat is wa, mijnwerker altijd gewees. En, en dat moet iemand van betere familie zijn gewees. Toen kwamen ze aan dat kruisbeeld, toen moesten die twee mannen, die moesten wateren. Die hadden in dat café gezeten en m’n vader zegt “ja, je moet toch eens effe achter die heg aan” zeg m’n vader, “want dat hou ik niet meer” zeg die. Toen zeg die ene “ik moet ook,” hij zeg: “daar bij het kruisbeeld” zeg die. Toen zeg m’n vader, hij zeg: Nee, da, da doen ik niet” zeg m’n vader. “Loop jij gek maar achter die heg” zeg die “ik ga hem bij het kruisbeeld”. Toen zei m’n vader: “voor geen goud” zei m’n vader, “durf ik tegen een kruisbeeld op plassen”. Hij zeg: “voor geen, al zou je me hier rijk genoeg maken” zei die “ik moet iedere dag het doods[?] aantrekken voor naar m’n Staatsmijn Emma in te kuipen 800 meter diep. Maar al zou je me rijk genoeg maken” had die tegen die man gezegd “dan plasten ik niet tegen dat kruisbeeld op”, he. Toen zeg die ander: “ich pis em in ‘t gezicht” zeg die ander. “Da durf ik” zeg die. “voor di’je bang is, hij is van steen” zei die. Da was ie Christus op het kruis he. “Dan zeik ik in ‘t gezicht” zei die. Toen zeg m’n vader: “al maak je me rijk genoeg zou ik dat niet durven”, en die loopt naar die heg toe, he. En die ander die maakt z’n gulp los en die gaat. En m’n vader zag het. M’n vader zag het nog, zei die. Hij plaste hem in ‘t gezicht da de druppels hem langs ‘t gezicht afliepen zo. Die Christusbeeld.
Mijn vader zeg: “daar zal je je staf wel voor krijgen, jong” zeg die. “Ik had niet graag in je schoenen gestaan”, zeg die. “Een onnozele hals” zeg die. Hij zeg: “wa zijn julllie toch onnozel”. Da was zeker een die meer gestudeerd had. Dat was geen eh, geen domme boerenkind van de dorpsschool. Da, zover heb ik het wel deruit gekregen maar ik heb nooit een naam geweten. Zeg die “wat zit hier toch onnozele hals” zeg die tegen m’n vader, he. Hij zeg: “waar zou ik bang zijn, hij is van steen” zeg die, “da ken me toch niks?”. En vader loopt achter die heg en die heb daar geplast en z’n kleren goed gedaan en die loopt weer een paar stappen verder en hij zeg “Kums te?”. Hij kwam niet. M’n vader zeg: “me nondeju” zeg m’n vader “dan loop ik alleen door”. Maar hij was nog een stukje gelopen en dacht ‘toch nog een lange weg voor alleen te gaan, hij moet toch diezelfde weg, da ik ga wel terug’. En toen ging mijn vader wel terug en die kwam aan het kruisbeeld en daar lag de man. Hij was al dood. Hij had een hartverlamming gehad. En toen heb m’n vader hulp gehaald. En toen hebben ze die man opgehaald. Met een koetsje, zei m’n vader, was die opgehaald. En die lig in Amstenrade begraven maar ik weet niet wie ‘t is, maar hij lig in Amstenrade op ‘t kerkhof, achter de grote kerk.
En toen kwamen ze, hadden ze bij [karden?], hadden ze in dat café, ben ik later nog eens geweest met m’n man. En ik vergeet nooit, allebij, zei die, hadden ze citroen gedronken. Citroenbrandewijn, hadden ze gedronken, citroentje. We komen weer naar buiten, zegt ie, en die man die bij hem was. En vader zei, bijn altijd: “ja ik, gewone man, Jan met de pet” zegt die “en dan hij”. Dus hij was geen Jan met de pet die bij hem was. Dat moet iemand, Jan met de pet was een mijnwerker he, wa, was er ‘t minste wat is wa, mijnwerker altijd gewees. En, en dat moet iemand van betere familie zijn gewees. Toen kwamen ze aan dat kruisbeeld, toen moesten die twee mannen, die moesten wateren. Die hadden in dat café gezeten en m’n vader zegt “ja, je moet toch eens effe achter die heg aan” zeg m’n vader, “want dat hou ik niet meer” zeg die. Toen zeg die ene “ik moet ook,” hij zeg: “daar bij het kruisbeeld” zeg die. Toen zeg m’n vader, hij zeg: Nee, da, da doen ik niet” zeg m’n vader. “Loop jij gek maar achter die heg” zeg die “ik ga hem bij het kruisbeeld”. Toen zei m’n vader: “voor geen goud” zei m’n vader, “durf ik tegen een kruisbeeld op plassen”. Hij zeg: “voor geen, al zou je me hier rijk genoeg maken” zei die “ik moet iedere dag het doods[?] aantrekken voor naar m’n Staatsmijn Emma in te kuipen 800 meter diep. Maar al zou je me rijk genoeg maken” had die tegen die man gezegd “dan plasten ik niet tegen dat kruisbeeld op”, he. Toen zeg die ander: “ich pis em in ‘t gezicht” zeg die ander. “Da durf ik” zeg die. “voor di’je bang is, hij is van steen” zei die. Da was ie Christus op het kruis he. “Dan zeik ik in ‘t gezicht” zei die. Toen zeg m’n vader: “al maak je me rijk genoeg zou ik dat niet durven”, en die loopt naar die heg toe, he. En die ander die maakt z’n gulp los en die gaat. En m’n vader zag het. M’n vader zag het nog, zei die. Hij plaste hem in ‘t gezicht da de druppels hem langs ‘t gezicht afliepen zo. Die Christusbeeld.
Mijn vader zeg: “daar zal je je staf wel voor krijgen, jong” zeg die. “Ik had niet graag in je schoenen gestaan”, zeg die. “Een onnozele hals” zeg die. Hij zeg: “wa zijn julllie toch onnozel”. Da was zeker een die meer gestudeerd had. Dat was geen eh, geen domme boerenkind van de dorpsschool. Da, zover heb ik het wel deruit gekregen maar ik heb nooit een naam geweten. Zeg die “wat zit hier toch onnozele hals” zeg die tegen m’n vader, he. Hij zeg: “waar zou ik bang zijn, hij is van steen” zeg die, “da ken me toch niks?”. En vader loopt achter die heg en die heb daar geplast en z’n kleren goed gedaan en die loopt weer een paar stappen verder en hij zeg “Kums te?”. Hij kwam niet. M’n vader zeg: “me nondeju” zeg m’n vader “dan loop ik alleen door”. Maar hij was nog een stukje gelopen en dacht ‘toch nog een lange weg voor alleen te gaan, hij moet toch diezelfde weg, da ik ga wel terug’. En toen ging mijn vader wel terug en die kwam aan het kruisbeeld en daar lag de man. Hij was al dood. Hij had een hartverlamming gehad. En toen heb m’n vader hulp gehaald. En toen hebben ze die man opgehaald. Met een koetsje, zei m’n vader, was die opgehaald. En die lig in Amstenrade begraven maar ik weet niet wie ‘t is, maar hij lig in Amstenrade op ‘t kerkhof, achter de grote kerk.
Beschrijving
Een man komt onderweg naar huis een andere man tegen waarmee hij zijn reis voortzet. Ze gaan eerst wat drinken en moeten wanneer ze onderweg zijn nodig plassen. De ene man plast een Christusbeeld in het gezicht en sterft even later ter plekke.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
Christus   
Jan   
Huupke Smeets   
Kuyper   
Jezus   
God   
Naam Locatie in Tekst
Douvergenhout   
Amstenrade   
Damsburg   
Plaats van Handelen
Amstenrade   

