Hoofdtekst
En der was in eh, in Oisterwijk was een kindje geboren. En dan vroeger hadden ze van die keldergaten, weet u wel, op straat. En toen eh, toen kwam er altijd in de buurt zo’n vrouwtje. En toen zei de buurt: “dat vrouwtje moet je niet meer binnen loa, binnen laten want das een heks”. Ze zei: “Da zal toch niet waar zijn”, “ja, ’s wel waar. Doet maar ens un brandend kaars in het keldergat zetten. Steek ze maar es aan en dan zal ze niet meer binnenkomen.”. Nou de volge, nou de volgende dag mag het vrouwtje ook niet binnen. Ze liep met een boog zo om. Met een boog liep ze om ’t keldergat en toen, toen is ze nooit nie meer binnengekomen en da jongetje werd steeds beter want ’t was ziek geworden dat jongetje. En hij weerd steeds beter. En toen eh, toen was het vrouwke nooit niet meer binnengekomen. Mocht niet meer binnenkomen. Hekske.
Beschrijving
In Oisterwijk was er een kindje ziek en de buurtbewoners waarschuwden de familie dat een vrouwtje een heks was en dat ze haar niet meer binnen moesten laten. Door een brandende kaart te zetten in het keldergat zou de heks niet meer naar binnen kunnen. Het jongetje werd daarna beter.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Locatie in Tekst
Oisterwijk   
Plaats van Handelen
Oisterwijk   

