Hoofdtekst
Er woonde vrouger bij ons zo oude Hendik en die kon geweldig vertellen van spouken, heksen, en van dat je weer kwam en alles nog wat meer. Maar daar was mij op een avond verteld dan: er was vrouger een boer en sien vrouw en die waren d’r op uut west met peerd en woagen en toen ze ‘s avonds in het donker weer naar huus rijden zagen ze een kerel daar aan de weg staon. De boer had gezegd tegen sien vrouw: “er staat ook nog een kerel aan de weg, laten we die ook maar mitnemen”. Want uh nou ja ach dat heurde, jah vroeger op de Westerwold, als je met peerd en woagen op de weg was en er stond nog ein aan de weg: “wil je ook mitfahren?” De boer had gezegd: “wilt je mitfahren?” “Ja”, had de man gezegd en was voorop de waogen gesprongen.
De boer had hem aansproken, nou ja zoals het in de regel gaat: mooi weer of mal weer of een slechte weg of een mooie weg, of luchte morgen of dustere morgen of wat dan ook. Maar die man had niks meer ‘m gezegd. De vrouw die keek ‘ns um en nou zit er niks bij heur op de woagen. Ze denken, wat is dat ja vreemd.
Maar zo langzaam aan kreeg de boer wel in de gaten, ach die hij had wel wat [...] geheurt, dat het peerd haast stieve trekken moust. En dat leek hem niet goud zo. Maar hij had er maar niks van tegen de vrouw gezegd. Hij houdt het stil, […].
Maar in ieder geval ze bint in huus gekomen op de Weste Tange, dat ligt hier dicht aan de grens hier in de gemeente Vlagtwedde. Een paar dagen later begon ’t lieve lebend. Er ging eerst een swien dood, en later nog weer ’ns eine. Dan een kalf dan een kou en tot overmaat van ramp hebben de hounder klege ‘t ook over. De boer had al een paer avonds met de afvouren eerder, oh maar nou wordt het eigenlijk niet meer gedaan maar vroeger gingen ze om een uur of 10 dan gingen ze nog heen en dan gaven ze de beesten een top stro of een top heui en dat was afvouren.
En de boer ging aan het afvouren en toen zag hij een zwarte kerel zijn. Dat had hij zich tenminste verbeeld, maar dat was zo snel dat hij nog maar zunig uitmaken kunt of het nou een zwarte kerel was of een ander soort ding west was. Hij had sien vrouw daar nog maar niks van verteld, um nog wat ellende te verkomen. Maar op een murgen, hij ging weer naar de beesten en daar lagen er weer een kou dood in de stal.
Hij kwamt in de kamer en zei tegen sien vrouw: “Dat heb ik nou een paer avonden mitmaekt, ik heb d’r nog niks over gezegd, mae als ik ‘s avonds op ‘t dele kom, dan is er daer wat, een zwart ding. En nou ligt er een kou dood dat wie hebt aardig zeker daer ‘n knecht in huus en wat motten we daeraen doun.
De vrouw die ging onmiddellijk naar de Bourtang, in de Bourtange woonde een wat wonderlieke kerel. Die kon seerte besetten, deiren genezen en had ook duvelsdreck in veurraad. De boer zei tegen de Bourtanger, hoe hij hier kwam, hij was vort natuurlijk heengegaan. Zo en zo heb je dat. “Dat is male boele,” zei de Bourtanger, “dat kan ik niet anders bekieken, als du hebt de duvel in huis”. De boer vertelde de man hou hij er aangekomen was; dat hij eruit west was met de woagen, en dat de man daar aan weg gestaan had en dat hij de man gevraogd had of die mitfahren wol. Ja dat was dan aardig zeker wel waor. Hij kon het haast net verhoren heuren. De Bourtanger zei , dat was dan zo’n soort duivelbanner, of misschien wel helemael ein, of een duivelverbanner of hoe noemen ze dei. De Bourtanger zei: “Ik zal je raad geven maar ik kom ook zelf nog bij die. Du graaft onder de druppel van de voordeur- tegenwoordig zeggen ze ook wel baanderdeur, maar dat was dan de grote deure- een gat en daar stoptst du een dood kalf in. Dat kalf moet met sien achterwerk op de bodem van dat gat zitten, met de voorbenen geliek vooruit en de kop omhoog. Maar je moet zorgen dat je zo deip zit, dat hij d’r helemaal zitten kan en du d’r geen last van krijgt. En dan gooi je het gat maar weer dicht. En de duvel kan niet over zo’n graf komen”. Maar zou je nog wel zeggen dat de duvel er nog wel omtouw kunt, maar goed dat vertelt de historie eigenlijk niet. Maareh, afijn, “dat is heel makkelijk,”had die boer gezegd, “want dan ben ik d’r van eins weer af”. “Ja zo,” de man gezegd, “ is t ook weer net, want ik kom nog bij die en dan moet ’t vort”.
Een week later kwam de duvelbanner, dat was dan die Bourtange Bourtanger op de weste tange. Het was tegen avond. Ach, hij wilde eerst flink praoten over vele wonderlieke dingen want als u zulke dingen in huis hebt en dan komt een mens die er wat tegen doun kan dan wordt ja dan zit u er vol van en wordt er over gepraot. Toen het duister was had de man gezegd ineins: “nu mogen we wel even kieken”. Hij doet de boeten aan. Achter het huis aan door de voordeure en daar trof hij de duivel.
De Bourtanger zei: “hoe bist du hier gekomen en wat moet je hier?” De duivel zei: “ja wat moest du hier en hoe bin ik hier gekomen. Sie hebt me mitgenommen, dat was vrijwillig”. Ja, nou ja daar was dan niks aan te doun.
“Kom,” zei de duivelbanner, “ik zal je werk geven. En als du dan klaar benst dan kunnst du die gang weer gaen”. De Bourtanger pakte een alt muddevat van de dele en ging met de zwarte kerel naar de riesdam. Daor kwamen ze bij een al baahargt baarhachtig stuk grond. Nou die waren er vrouger veel op Westerwolde zandbulten.
“Ziezo,” zei de Bourtanger, “nu schept du het vat maar vol en alst du het vol hebst, dan breng dat vat met zand maar weer naar de west tange. Nou dat was geen maklijke opgave en wat dat lag wel in ieder geval misschien wel een uur gaans, zoeken aan ander en misschien nog even wieder, en dan een vat vol zand. Maar hij nam hand van duivel en zei: “Als je kerel bent, dan had je hem daar wel krijgen”.
Maar die Bourtanger, die duvelbanner, had toen hij het vat aanpakte in die schuur op weg naar tange, had ie de bodem door gauw uut schopt. De duvel begon te scheppen maar toen hij dat vat optillen wol, toen liep het leeg, ja. Want er zat ja geen bodem in, en zo worden dat allemaal zandbulten daar op de riesdam. Hij was maar aan ‘t scheppen en liet het vat weer leeglopen ja hij was nog wel goud bezig. En zo worden dat allemaal zandbulten.
En dit moet waargebeurd wezen, ‘t was natuurlijk eh wiet voor mien tijd.
Later was daar een stuk grond en daar zeiden ze tegen van de duvelsbulten. Vrouger was d’r op riesdam wol eens wat zijn en wat heurt daer wouden mensen nog wel ‘ns bang worden en nog wat zijn. Maar of de duvel daar nog staat te scheppen, ik weet neit.
De boer had hem aansproken, nou ja zoals het in de regel gaat: mooi weer of mal weer of een slechte weg of een mooie weg, of luchte morgen of dustere morgen of wat dan ook. Maar die man had niks meer ‘m gezegd. De vrouw die keek ‘ns um en nou zit er niks bij heur op de woagen. Ze denken, wat is dat ja vreemd.
Maar zo langzaam aan kreeg de boer wel in de gaten, ach die hij had wel wat [...] geheurt, dat het peerd haast stieve trekken moust. En dat leek hem niet goud zo. Maar hij had er maar niks van tegen de vrouw gezegd. Hij houdt het stil, […].
Maar in ieder geval ze bint in huus gekomen op de Weste Tange, dat ligt hier dicht aan de grens hier in de gemeente Vlagtwedde. Een paar dagen later begon ’t lieve lebend. Er ging eerst een swien dood, en later nog weer ’ns eine. Dan een kalf dan een kou en tot overmaat van ramp hebben de hounder klege ‘t ook over. De boer had al een paer avonds met de afvouren eerder, oh maar nou wordt het eigenlijk niet meer gedaan maar vroeger gingen ze om een uur of 10 dan gingen ze nog heen en dan gaven ze de beesten een top stro of een top heui en dat was afvouren.
En de boer ging aan het afvouren en toen zag hij een zwarte kerel zijn. Dat had hij zich tenminste verbeeld, maar dat was zo snel dat hij nog maar zunig uitmaken kunt of het nou een zwarte kerel was of een ander soort ding west was. Hij had sien vrouw daar nog maar niks van verteld, um nog wat ellende te verkomen. Maar op een murgen, hij ging weer naar de beesten en daar lagen er weer een kou dood in de stal.
Hij kwamt in de kamer en zei tegen sien vrouw: “Dat heb ik nou een paer avonden mitmaekt, ik heb d’r nog niks over gezegd, mae als ik ‘s avonds op ‘t dele kom, dan is er daer wat, een zwart ding. En nou ligt er een kou dood dat wie hebt aardig zeker daer ‘n knecht in huus en wat motten we daeraen doun.
De vrouw die ging onmiddellijk naar de Bourtang, in de Bourtange woonde een wat wonderlieke kerel. Die kon seerte besetten, deiren genezen en had ook duvelsdreck in veurraad. De boer zei tegen de Bourtanger, hoe hij hier kwam, hij was vort natuurlijk heengegaan. Zo en zo heb je dat. “Dat is male boele,” zei de Bourtanger, “dat kan ik niet anders bekieken, als du hebt de duvel in huis”. De boer vertelde de man hou hij er aangekomen was; dat hij eruit west was met de woagen, en dat de man daar aan weg gestaan had en dat hij de man gevraogd had of die mitfahren wol. Ja dat was dan aardig zeker wel waor. Hij kon het haast net verhoren heuren. De Bourtanger zei , dat was dan zo’n soort duivelbanner, of misschien wel helemael ein, of een duivelverbanner of hoe noemen ze dei. De Bourtanger zei: “Ik zal je raad geven maar ik kom ook zelf nog bij die. Du graaft onder de druppel van de voordeur- tegenwoordig zeggen ze ook wel baanderdeur, maar dat was dan de grote deure- een gat en daar stoptst du een dood kalf in. Dat kalf moet met sien achterwerk op de bodem van dat gat zitten, met de voorbenen geliek vooruit en de kop omhoog. Maar je moet zorgen dat je zo deip zit, dat hij d’r helemaal zitten kan en du d’r geen last van krijgt. En dan gooi je het gat maar weer dicht. En de duvel kan niet over zo’n graf komen”. Maar zou je nog wel zeggen dat de duvel er nog wel omtouw kunt, maar goed dat vertelt de historie eigenlijk niet. Maareh, afijn, “dat is heel makkelijk,”had die boer gezegd, “want dan ben ik d’r van eins weer af”. “Ja zo,” de man gezegd, “ is t ook weer net, want ik kom nog bij die en dan moet ’t vort”.
Een week later kwam de duvelbanner, dat was dan die Bourtange Bourtanger op de weste tange. Het was tegen avond. Ach, hij wilde eerst flink praoten over vele wonderlieke dingen want als u zulke dingen in huis hebt en dan komt een mens die er wat tegen doun kan dan wordt ja dan zit u er vol van en wordt er over gepraot. Toen het duister was had de man gezegd ineins: “nu mogen we wel even kieken”. Hij doet de boeten aan. Achter het huis aan door de voordeure en daar trof hij de duivel.
De Bourtanger zei: “hoe bist du hier gekomen en wat moet je hier?” De duivel zei: “ja wat moest du hier en hoe bin ik hier gekomen. Sie hebt me mitgenommen, dat was vrijwillig”. Ja, nou ja daar was dan niks aan te doun.
“Kom,” zei de duivelbanner, “ik zal je werk geven. En als du dan klaar benst dan kunnst du die gang weer gaen”. De Bourtanger pakte een alt muddevat van de dele en ging met de zwarte kerel naar de riesdam. Daor kwamen ze bij een al baahargt baarhachtig stuk grond. Nou die waren er vrouger veel op Westerwolde zandbulten.
“Ziezo,” zei de Bourtanger, “nu schept du het vat maar vol en alst du het vol hebst, dan breng dat vat met zand maar weer naar de west tange. Nou dat was geen maklijke opgave en wat dat lag wel in ieder geval misschien wel een uur gaans, zoeken aan ander en misschien nog even wieder, en dan een vat vol zand. Maar hij nam hand van duivel en zei: “Als je kerel bent, dan had je hem daar wel krijgen”.
Maar die Bourtanger, die duvelbanner, had toen hij het vat aanpakte in die schuur op weg naar tange, had ie de bodem door gauw uut schopt. De duvel begon te scheppen maar toen hij dat vat optillen wol, toen liep het leeg, ja. Want er zat ja geen bodem in, en zo worden dat allemaal zandbulten daar op de riesdam. Hij was maar aan ‘t scheppen en liet het vat weer leeglopen ja hij was nog wel goud bezig. En zo worden dat allemaal zandbulten.
En dit moet waargebeurd wezen, ‘t was natuurlijk eh wiet voor mien tijd.
Later was daar een stuk grond en daar zeiden ze tegen van de duvelsbulten. Vrouger was d’r op riesdam wol eens wat zijn en wat heurt daer wouden mensen nog wel ‘ns bang worden en nog wat zijn. Maar of de duvel daar nog staat te scheppen, ik weet neit.
Beschrijving
De duivel krijgt een onmogelijke taak van de duivelbanner. De duivel moet een vat vol scheppen met zand en die meenemen naar de mensen die hij lastig viel. Voordat de duivelbanner echter het vat aan de duivel gaf, heeft hij de bodem eruit geschopt.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Motief
K211 - Devil cheated by imposing an impossible task.   
Naam Overig in Tekst
Boertanger   
Hendrik   
Naam Locatie in Tekst
Bourtange   
Vlagtwedde   
Plaats van Handelen
Westerwolde   

