Hoofdtekst
In Haaren gingen ze altijd naar Oisterwijk en dan gingen ze met de kar gingen ze aardappelen wegbrengen. En toen waren ze zowat halverwege de weg, de weg die was toen vruuger nog niet net’s nou, dat was eenmaal een karreweg za’k maar zeggen van ’t zand allemaal. War niet net as eh, nog niet geen stenen. En toen waren ze halfweg en toen, toen konden ze niet meer vooruit. en de smid hadden ze erbij gehaald, ze hadden heel de buurt al opgebeld want der woonde wel mensen die hadden ze gehaald en ze gingen nie vooruit. De smid kon er ook niets aan doen, hij had het wel gemaakt maar ze konden niet meer vooruit. en toen stonden ze zo met z’n allen, kwam zo’n wijfje aan met een kar, was een wijfke kwam er langs, zat op de wagen en ze ging naar Oisterwijk toe en toen kwam ze terug en toen zei ze: “benne jullie nou nog niet weg?”. “Nee,” zeien ze, “we zijn nog niet weg”. En toen zei ze: “Maar verdikke nog toe. Ziede gij dan nie dat doar een grote steen veur de, veur de, veur de kar ligt?” Nee, die zagen ze niet en dan schopt ze zo een keer tegen die, die steen aan, zogenaamd want zullie zagen hem niet, en toen ging ’t weg en toen konden ze weer vooruit.
Beschrijving
Onderweg naar huis bleef een kar vaststaan tussen Haaren en Oisterwijk. Meerdere mensen waren erbij gehaald waaronder de smid maar niemand kon er iets aan doen om het te verhelpen want ze konden niets vinden. Op een gegeven moment komt er een vrouwtje langs die op de heenweg ook langs was geweest en die vraagt hen of ze nou nog niet weg zijn. Na hun reactie vraagt ze hen of ze die grote steen voor de kar niet zien liggen en schopt er een paar keer tegenaan. De kar kan weer verder rijden maar niemand kon de steen zien.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Locatie in Tekst
Haaren   
Oisterwijk   
Plaats van Handelen
Haaren   

