Hoofdtekst
Napoleon heeft het loten voor de militie ingesteld. Vanuit stad en dorp trokken de jonge mannen naar de verzamelplaatsen waarover hun vrijheid of het soldatenpakske zou worden beslist. De een bleef onverschillig, de ander zat in zak en as. De moeders staken maar kaarsen op, deden beloften bij series, gaven allerlei goede raad aan hun zonen om toch maar met een hoog nummer verrast te worden, vrijgeloot.
Driekske stapte dus naar de naaister en werd er met een vriendelijke glimlach uitgenodigd om tussen de doodskleden plaats te nemen. Ietwat kil en kerkhofachtig vond hij het er wel maar hij vertelde: “ze keek ondeugend, dat Mieneke”. Hij kon zien dat ze meer zin had om dat dappere schutterke uit te lachen dan om hem te helpen. Maar van de andere kant zag ze toch wel in dat het voor die boerenjongens nou niet bepaald een pretje was om land en vee in de steek te laten voor land en zee en een huurknecht in hun plaats te zetten. Driekske babbelde nog wat en kreeg z’n naald mee die hij aan de binnenkant van zijn buis vastmaakte. En toen naar de stad. De grote hoop op stap. En toen diezelfde troep ’s middags weer arm in arm ronddoolde door de straten, van de ene herberg naar de andere, droegen de meeste hun tegenvallers in lage cijfers op de hoed, maar Driekske triomfeerde met het hoogste getal dat er was uitgereikt. Door een flinke plas jenever bespoeld en beneveld viel Driekske in de handen van de spotters. Hij vertelde in de rumoerige kring hoe de naald van een doodskleed hem gevrijwaard had. Ze bulderden van het lachen. “Driekske kleedde de dooie aan en daarom mocht hij geen soldaat worden. Het gaf teveel oponthoud in den oorlog”. Maar Driekske kwam thuis en daar was het feest, al rolde Driekske van de sokken. En de volgende dag ging hij naar Mieneke Prik en viel haar subiet om de hals. “De noald hedde ‘t ‘em geflikt. Ik zei vrij en gij mot maar met me trouwen” juichte Driekske.
Driekske Warsau en Mieneke Prik werden man en vrouw, wat veel gebabbel in het dorp gaf. Driekske en Mieneke hielden het samen best uit. Zelfs toen Mieneke op een goeie dag, waarop het volgens haar geen kwaad meer kon, aan Driekske een vertrouwelijke mededeling deed: “Die noald, weet oe wel, die ik oe gegeven heb omda ge dacht daarmee vrij te loten, da was een neije uit een pakske. Die had nooit in een doodskleed gepikt. Vinde da erg? Ik geleufde der niets van ziedde”. Driekske had bedremmeld staan kijken en toen gezucht: “dan zal ik nog wel opgeroepen worden”.
Driekske stapte dus naar de naaister en werd er met een vriendelijke glimlach uitgenodigd om tussen de doodskleden plaats te nemen. Ietwat kil en kerkhofachtig vond hij het er wel maar hij vertelde: “ze keek ondeugend, dat Mieneke”. Hij kon zien dat ze meer zin had om dat dappere schutterke uit te lachen dan om hem te helpen. Maar van de andere kant zag ze toch wel in dat het voor die boerenjongens nou niet bepaald een pretje was om land en vee in de steek te laten voor land en zee en een huurknecht in hun plaats te zetten. Driekske babbelde nog wat en kreeg z’n naald mee die hij aan de binnenkant van zijn buis vastmaakte. En toen naar de stad. De grote hoop op stap. En toen diezelfde troep ’s middags weer arm in arm ronddoolde door de straten, van de ene herberg naar de andere, droegen de meeste hun tegenvallers in lage cijfers op de hoed, maar Driekske triomfeerde met het hoogste getal dat er was uitgereikt. Door een flinke plas jenever bespoeld en beneveld viel Driekske in de handen van de spotters. Hij vertelde in de rumoerige kring hoe de naald van een doodskleed hem gevrijwaard had. Ze bulderden van het lachen. “Driekske kleedde de dooie aan en daarom mocht hij geen soldaat worden. Het gaf teveel oponthoud in den oorlog”. Maar Driekske kwam thuis en daar was het feest, al rolde Driekske van de sokken. En de volgende dag ging hij naar Mieneke Prik en viel haar subiet om de hals. “De noald hedde ‘t ‘em geflikt. Ik zei vrij en gij mot maar met me trouwen” juichte Driekske.
Driekske Warsau en Mieneke Prik werden man en vrouw, wat veel gebabbel in het dorp gaf. Driekske en Mieneke hielden het samen best uit. Zelfs toen Mieneke op een goeie dag, waarop het volgens haar geen kwaad meer kon, aan Driekske een vertrouwelijke mededeling deed: “Die noald, weet oe wel, die ik oe gegeven heb omda ge dacht daarmee vrij te loten, da was een neije uit een pakske. Die had nooit in een doodskleed gepikt. Vinde da erg? Ik geleufde der niets van ziedde”. Driekske had bedremmeld staan kijken en toen gezucht: “dan zal ik nog wel opgeroepen worden”.
Beschrijving
In de tijd van Napoleon moest men loten om te zien of ze het legen in moesten of thuis konden blijven. Een jongen was naar een naaister gegaan om een naald van haar te nemen dat gebruikt was om een doodskleed mee naaien. daar werd van gezegd dat het geluk zou brengen in de loting.
De jongen had uiteindelijk het hoogste nummer getrokken en hoefde niet het leger in. Uit blijdschap heeft hij die naaister ten huwelijk gevraagd. Na enige tijd heeft de vrouw toegegeven dat de naald die ze hem toentertijd had gegeven een nieuwe ongebruikte naald was.
De jongen had uiteindelijk het hoogste nummer getrokken en hoefde niet het leger in. Uit blijdschap heeft hij die naaister ten huwelijk gevraagd. Na enige tijd heeft de vrouw toegegeven dat de naald die ze hem toentertijd had gegeven een nieuwe ongebruikte naald was.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS
Naam Overig in Tekst
Napoleon   
Driekske   
Mieneke   
Driekske Warsau   
Mieneke Prik   

