Hoofdtekst
H: Nou, dames en heren, ik ga u vanmiddag een verhaal vertellen over iets waarover u allemaal wel eens een traantje hebt gelaten. Maar niet uit verdriet want dan zou het somber worden vanmiddag maar mijn verhaal gaat over
V: Dat dacht ik al een ui.
H: Uien. Een gewone simpele Hollandse ui.
M: Dat je de tranen van in je ogen krijgt.
H: Jazeker, dat bedoel ik. Als je hem snijdt, nou dan weet u het wel hè. De een heeft er meer last dan de ander. En er zijn ook al trucjes voor: de kraan aan zeggen ze en zo, maar ik krijg er altijd rode ogen van. Maar stel u nou eens voor hè, dat er geen uien meer zouden zijn. Nooit meer een lekker bord hutspot.
V: Hachee
H: Geen hachee, mevrouw heeft het helemaal goed.
M: Geen uiensoep
H: Geen uiensoep, dat ook nog es een keer.
M: Dat hebben we ook nog gehad hier pas.
H: Nou, dat bedoel ik. Of een stukje, wat dacht u van haring met een rauw uitje?
V: Wou ik net zeggen, dat wou ik net zeggen.
H: De meeste mensen vinden dat heerlijk. Ik niet moet ik u zeggen, maar de meeste mensen vinden een harinkje met ui toch heerlijk.
V: Ik heb toch altijd liever zonder ui, hoor.
H: Toch wel hè.
V: Ja
H: Maar ja, laten we wel wezen, als er geen uien meer zouden zijn dan werd het in de keuken toch wel wat saai en op de borden ook. Nou was der een man, hij heette Robbie, en Robbie was zo’n sjacheraar. Zo’n man die altijd op zoek was naar een handeltje. U kent dat wel, zo’n gelukszoeker,
V: Ja, ja, ja
H: Woont nooit op een vaste plek, trekt van plaats naar plaats, doet hier en daar een klusje bij de boer om z’n kostje te bij elkaar te scharrelen. En ja, nou hoorde die op een dag van een rondtrekkende verhalenverteller dat er een land was waar ze geen uien hadden. Nou ja, Robbie zou Robbie niet zijn als die niet onmiddellijk bedacht: ‘daar ga ik naartoe! Ik ga die mensen dat heerlijke voedsel leren kennen’. En wat deed die: hij ging naar een boer want hij moest natuurlijk eerst zelf uien hebben, hij verhuurde zich om even te helpen in de appeloogst en na een paar dagen vroeg die aan de boer als loon vijf zakken vol met uien. Nou ja, u kan zich voorstellen, die boer die keek op van ‘wat een rare kerel’. Maar goed, hij kende Robbie een beetje en hij vulde royaal vijf zakken met uien. En wat die ook nog mocht hebben van de boer was een paard en wagen. Want dat land waar ze geen uien hadden dat was ver weg en Robbie moest met z’n paard en wagen wel vijf daag, vijf maanden onderweg.
V: Zo, das een eind met zo'n paard..
H: Das een ontzettend eind maar hij had het er voor over want hij dacht: ‘ik ga goud geld verdienen’. Dus Robbie komt in dat land en hij ziet het meteen: grote huizen en op elke hoek van de straat wel een standbeeld bedekt met bladgoud. Het moest een enorm rijk land zijn en ja hij dacht bij zichzelf: ‘ik moet naar de keizer want als de keizer die ui opeet, ja dan doen alle mensen in het land dat ook natuurlijk’. Ja, aanbellen, lakei deed de deur open, hij luisterde naar het verhaal van Robbie en hij keek naar dat eh, bolletje. En hij keek behoorlijk bedenkelijk want hij dacht bij zichzelf: ‘ziet er niet echt lekker uit’. Maar ja, hij kon het ook niet op z’n geweten hebben dat de keizer door hem zo’n lekker gewas mis zou lopen. Dus wat denkt u. Hij legt het op een zilver dienblad en laat Robbie achter zich aan meelopen naar de keizer. En daar aangekomen buigt Robbie diep. “Majesteit, ik heb een gerecht meegenomen, een gewas wat zo heerlijk is dat het de smaak van alles wat u tot nu toe geproefd heeft zal verhogen. En oh ja, zelfs rauw is het een delicatesse voor de fijnproever. U moet dat hebben geprobeerd”. De keizer die wilde dat wel, “maar”, zei die, “als er in dat gewas iets schadelijks zit dan hak ik je hoofd eraf”.
V: Zo!
H: “Alsof je het weet”. Maar ja, Robbie dacht bij zichzelf: ‘dat kan me niet schelen, dit komt goed’. En wat denkt u, ze maakten der een officiële gebeurtenis van. Het diner waarbij de gerechten van Robbie met die uien erin opgediend zouden worden werd een staatsgebeurtenis. Iedereen in het land die belangrijk was: ministers, staatssecretarissen, hoge functionarissen, ze waren der allemaal bij. En de keizer zelf ook en die was niet gek. Hij liet eerst Robbie zelf proeven en toen die zag dat Robbie na een half uur niet dood neerviel.
V: (lacht)
H: Ja, zo ging dat in die tijd. Toen mochten zijn lakeien een hapje nemen. En die lakeien, die deftige kerels, die knikten eh goedkeurend. Dus mochten na de lakeien nu ook de hoge functionarissen proeven, de ministers, de staatssecretarissen, de mensen van belang. En ze namen een hap. Hooo, hun ogen hè, waren zo verrast! Dit hadden ze nog nooit geproefd. Toen nam de keizer een hap.
[…]
Op dit moment gaat de keizer een hap proeven. Het wordt stil als de keizer z’n vork naar z’n lippen beweegt. Iedereen kijkt en de keizer, de keizer dames en heren, z’n ogen en z’n gezicht begint te stralen. Dit is het heerlijkste wat ie ooit heeft geproefd. En hij prijst de smaak en de geur van dat heerlijke gerecht en de sappigheid van zo’n ui. En de keizer zou de keizer niet zijn als die niet onmiddellijk de hele lading uien opeiste. Maar hij betaalde het wel. En waarmee denkt u? Met zuiver goud. Vijf zakken goud kreeg Robbie mee terug. In een klap miljonair met uien! Dat hadden ze daar genoeg dat goud. Dus Robbie trok met z’n paard en wagen terug naar z’n dorp en vertelde daar aan de boer dat ie nu miljonair was. En dat verhaal ging natuurlijk als een lopend vuurtje door het dorp heen. Want ja, zelfs de burgemeester die kwam Robbie feliciteren met z’n succes. Maar der was één man, Jaïr de koopman, een van de handelaren uit de stad, nou, die kon het niet uitstaan. Die dacht bij zichzelf: ‘dit is het helemaal. Niet te geloven. Zo’n sjacheraar die nooit wat doet. Zo’n zwerver die wordt me daar rijk met uien. En ik? Ik ben koopman en nou sta ik hier te kijk. Ik moet iets bedenken waarmee ik nog rijker word dan die Robbie’. Hij kon der niet van slapen. Hij draaide ’s nachts om in z’n bed en hij woelde. Toen had ie het bedacht. Hij zou knoflook naar dat vreemde land brengen. Want was knoflook niet veel geuriger en smaakvoller dan een ui?
V: Maar die kun je niet zomaar rauw opeten.
H: Dat bedoel ik mevrouw, maar hij dacht bij zichzelf: ‘als ze daar knoflook krijgen en ze geven al goud voor uien, ha, dan krijg ik diamanten voor m'n knoflook!’. Het lukte Jaïr om bij de keizer te komen en inderdaad hij kreeg gelijk. De keizer die prees de knoflook hoger dan het ui. Hoe moesten ze nou die Jaïr belonen? De keizer riep z’n ministerraad bijeen en sprak met hen. Goud dat was toch veel te weinig. Voor zo’n kostbaar gewas als knoflook, veel te weinig. En toen besloten ze dat ze Jaïr zouden betalen met het kostbaarste wat ze in hun land tot dan toe hadden. En zo ging Jaïr de koopman naar huis met vijf zakken vol met uien.
V: Dat had ie niet bedoeld.
H: Dat had ie niet bedoeld, nee. Alstublieft.
V: Dat dacht ik al een ui.
H: Uien. Een gewone simpele Hollandse ui.
M: Dat je de tranen van in je ogen krijgt.
H: Jazeker, dat bedoel ik. Als je hem snijdt, nou dan weet u het wel hè. De een heeft er meer last dan de ander. En er zijn ook al trucjes voor: de kraan aan zeggen ze en zo, maar ik krijg er altijd rode ogen van. Maar stel u nou eens voor hè, dat er geen uien meer zouden zijn. Nooit meer een lekker bord hutspot.
V: Hachee
H: Geen hachee, mevrouw heeft het helemaal goed.
M: Geen uiensoep
H: Geen uiensoep, dat ook nog es een keer.
M: Dat hebben we ook nog gehad hier pas.
H: Nou, dat bedoel ik. Of een stukje, wat dacht u van haring met een rauw uitje?
V: Wou ik net zeggen, dat wou ik net zeggen.
H: De meeste mensen vinden dat heerlijk. Ik niet moet ik u zeggen, maar de meeste mensen vinden een harinkje met ui toch heerlijk.
V: Ik heb toch altijd liever zonder ui, hoor.
H: Toch wel hè.
V: Ja
H: Maar ja, laten we wel wezen, als er geen uien meer zouden zijn dan werd het in de keuken toch wel wat saai en op de borden ook. Nou was der een man, hij heette Robbie, en Robbie was zo’n sjacheraar. Zo’n man die altijd op zoek was naar een handeltje. U kent dat wel, zo’n gelukszoeker,
V: Ja, ja, ja
H: Woont nooit op een vaste plek, trekt van plaats naar plaats, doet hier en daar een klusje bij de boer om z’n kostje te bij elkaar te scharrelen. En ja, nou hoorde die op een dag van een rondtrekkende verhalenverteller dat er een land was waar ze geen uien hadden. Nou ja, Robbie zou Robbie niet zijn als die niet onmiddellijk bedacht: ‘daar ga ik naartoe! Ik ga die mensen dat heerlijke voedsel leren kennen’. En wat deed die: hij ging naar een boer want hij moest natuurlijk eerst zelf uien hebben, hij verhuurde zich om even te helpen in de appeloogst en na een paar dagen vroeg die aan de boer als loon vijf zakken vol met uien. Nou ja, u kan zich voorstellen, die boer die keek op van ‘wat een rare kerel’. Maar goed, hij kende Robbie een beetje en hij vulde royaal vijf zakken met uien. En wat die ook nog mocht hebben van de boer was een paard en wagen. Want dat land waar ze geen uien hadden dat was ver weg en Robbie moest met z’n paard en wagen wel vijf daag, vijf maanden onderweg.
V: Zo, das een eind met zo'n paard..
H: Das een ontzettend eind maar hij had het er voor over want hij dacht: ‘ik ga goud geld verdienen’. Dus Robbie komt in dat land en hij ziet het meteen: grote huizen en op elke hoek van de straat wel een standbeeld bedekt met bladgoud. Het moest een enorm rijk land zijn en ja hij dacht bij zichzelf: ‘ik moet naar de keizer want als de keizer die ui opeet, ja dan doen alle mensen in het land dat ook natuurlijk’. Ja, aanbellen, lakei deed de deur open, hij luisterde naar het verhaal van Robbie en hij keek naar dat eh, bolletje. En hij keek behoorlijk bedenkelijk want hij dacht bij zichzelf: ‘ziet er niet echt lekker uit’. Maar ja, hij kon het ook niet op z’n geweten hebben dat de keizer door hem zo’n lekker gewas mis zou lopen. Dus wat denkt u. Hij legt het op een zilver dienblad en laat Robbie achter zich aan meelopen naar de keizer. En daar aangekomen buigt Robbie diep. “Majesteit, ik heb een gerecht meegenomen, een gewas wat zo heerlijk is dat het de smaak van alles wat u tot nu toe geproefd heeft zal verhogen. En oh ja, zelfs rauw is het een delicatesse voor de fijnproever. U moet dat hebben geprobeerd”. De keizer die wilde dat wel, “maar”, zei die, “als er in dat gewas iets schadelijks zit dan hak ik je hoofd eraf”.
V: Zo!
H: “Alsof je het weet”. Maar ja, Robbie dacht bij zichzelf: ‘dat kan me niet schelen, dit komt goed’. En wat denkt u, ze maakten der een officiële gebeurtenis van. Het diner waarbij de gerechten van Robbie met die uien erin opgediend zouden worden werd een staatsgebeurtenis. Iedereen in het land die belangrijk was: ministers, staatssecretarissen, hoge functionarissen, ze waren der allemaal bij. En de keizer zelf ook en die was niet gek. Hij liet eerst Robbie zelf proeven en toen die zag dat Robbie na een half uur niet dood neerviel.
V: (lacht)
H: Ja, zo ging dat in die tijd. Toen mochten zijn lakeien een hapje nemen. En die lakeien, die deftige kerels, die knikten eh goedkeurend. Dus mochten na de lakeien nu ook de hoge functionarissen proeven, de ministers, de staatssecretarissen, de mensen van belang. En ze namen een hap. Hooo, hun ogen hè, waren zo verrast! Dit hadden ze nog nooit geproefd. Toen nam de keizer een hap.
[…]
Op dit moment gaat de keizer een hap proeven. Het wordt stil als de keizer z’n vork naar z’n lippen beweegt. Iedereen kijkt en de keizer, de keizer dames en heren, z’n ogen en z’n gezicht begint te stralen. Dit is het heerlijkste wat ie ooit heeft geproefd. En hij prijst de smaak en de geur van dat heerlijke gerecht en de sappigheid van zo’n ui. En de keizer zou de keizer niet zijn als die niet onmiddellijk de hele lading uien opeiste. Maar hij betaalde het wel. En waarmee denkt u? Met zuiver goud. Vijf zakken goud kreeg Robbie mee terug. In een klap miljonair met uien! Dat hadden ze daar genoeg dat goud. Dus Robbie trok met z’n paard en wagen terug naar z’n dorp en vertelde daar aan de boer dat ie nu miljonair was. En dat verhaal ging natuurlijk als een lopend vuurtje door het dorp heen. Want ja, zelfs de burgemeester die kwam Robbie feliciteren met z’n succes. Maar der was één man, Jaïr de koopman, een van de handelaren uit de stad, nou, die kon het niet uitstaan. Die dacht bij zichzelf: ‘dit is het helemaal. Niet te geloven. Zo’n sjacheraar die nooit wat doet. Zo’n zwerver die wordt me daar rijk met uien. En ik? Ik ben koopman en nou sta ik hier te kijk. Ik moet iets bedenken waarmee ik nog rijker word dan die Robbie’. Hij kon der niet van slapen. Hij draaide ’s nachts om in z’n bed en hij woelde. Toen had ie het bedacht. Hij zou knoflook naar dat vreemde land brengen. Want was knoflook niet veel geuriger en smaakvoller dan een ui?
V: Maar die kun je niet zomaar rauw opeten.
H: Dat bedoel ik mevrouw, maar hij dacht bij zichzelf: ‘als ze daar knoflook krijgen en ze geven al goud voor uien, ha, dan krijg ik diamanten voor m'n knoflook!’. Het lukte Jaïr om bij de keizer te komen en inderdaad hij kreeg gelijk. De keizer die prees de knoflook hoger dan het ui. Hoe moesten ze nou die Jaïr belonen? De keizer riep z’n ministerraad bijeen en sprak met hen. Goud dat was toch veel te weinig. Voor zo’n kostbaar gewas als knoflook, veel te weinig. En toen besloten ze dat ze Jaïr zouden betalen met het kostbaarste wat ze in hun land tot dan toe hadden. En zo ging Jaïr de koopman naar huis met vijf zakken vol met uien.
V: Dat had ie niet bedoeld.
H: Dat had ie niet bedoeld, nee. Alstublieft.
Onderwerp
AT 1689A - Two Presents to the King   
Beschrijving
Man heeft gehoord van een land waar ze geen uien hebben en krijgt een plan. Hij gaat een tijdje bij een boer werken aan wie hij als loon uien vraagt. Hij gaat naar het land zonder uien, biedt ze de keizer van het land aan die ze zo lekker vindt dat hij de man zakken goud geeft voor de uien. Een koopman, jaloers op het succes, besluit om naar het land te gaan om knoflook te verkopen. Knoflook is immers veel lekkerder dan ui. Hij denkt dan ook dat hij diamanten krijgt voor zijn knoflook. De keizer geeft hem gelijk; knoflook is lekkerder dan uien. De keizer besluit de koopman iets waardevoller te geven dan goud, hij schenkt zakken uien.
Bron
Vertelgenootschap Apeldoorn
Motief
F708 - Countries with one conspicuous lack.   
N411 - Object unknown in a country sold for a fortune.   
J2415 - Foolish imitation of lucky man.   
Commentaar
Verteld door een lid van Vertelgenootschap Apeldoorn in een verzorgingstehuis tijdens Wereldverteldag 2014
Naam Overig in Tekst
Robbie   
Jaïr   
Hollandse   

