Hoofdtekst
In Februari 1876 ging er op eens een verbazingwekkend gerucht uit van eene arbeiderswoning, staande in het veld aan een smallen kleiweg, niet ver van het dorp Hijum in Leeuwarderadeel. Dit huisje werd bewoond door een echtpaar met een zoontje, een tengeren, ietwat ziekelijken knaap van negen of tien jaren. De menschen, behoorende tot de gereformeerde gemeente, waren zeer eenvoudig van verstand. In de bedstede, de slaapplaats der ouders, was tegen de voetschutting eene krib getimmerd, waarin de knaap sliep. Dit komt op het platteland veelvuldig voor, maar gewoonlijk slapen in zulk een krib veel jonger kinderen. Nu gebeurde 't op zekeren nacht, dat de moeder uit den slaap werd opgeschrikt door een doffen slag tegen de voetschutting, gepaard met gerinkel van het theegoed en glaswerk, dat aan de andere zijde der schutting op de kastplanken stond. <<Doe jij dat, Klaas ?>> riep zij haar zoon toe. <<Neen,>> zeî Klaas. Dit antwoord deed haar hevig ontstellen, want nu stond het vast dat er iets bovennatuurlijks was gebeurd. Zij kon den ganschen nacht niet meer slapen en den volgenden morgen, ja den geheelen dag was zij nog zoo van de wijs, dat zij aan ieder, die met haar in gesprek kwam, het geval vertelde. Maar 't bleef er niet bij. Den volgenden nacht kwamen er meer dan één zulke slagen tegen de schutting en later alweêr. Weldra verspreidde zich nu het gerucht ver in den omtrek, en nieuwsgierigen zoowel als belangstellenden trokken er 's avonds op los om iets naders van de zaak te vernemen. Maar alleen vertrouwde geloovigen werden binnengelaten; anderen mochten rondom het huis loopen luisteren om zoo mogelijk iets op te vangen. De knaap ging 's avonds vroegtijdig naar bed en weldra begon het gebons. Het hoofd der christelijke school, waar Klaas lager onderwijs ontving, onderzocht de zaak nauwkeurig en verklaarde ten slotte er niets van te begrijpen, maar, meende hij, iets buitengewoons was het zeker. Er werd ook een wonderdokter geraadpleegd en deze verstrekte medicijnen, die echter geen gewenschte uitwerking hadden. In het hoofdkussen vond men, toen het geopend werd, tooverkransen, die voor een goed deel waren samengesteld uit de hede, waarmeê men reten in den buitenmuur der bedstede had dichtgestopt, maar die daaruit spoorloos was verdwenen. Eindelijk kwam, op last van den burgemeester, ook een veldwachter onderzoek doen. Deze zeî zonder omhalen: <<Niemand dan de knaap zelf maakt dat geklop.>> - Hij gaf den sluwen deugniet eene strenge berisping over zijne fopperij, maar - - werd door de geloovigen niet geloofd. Toch nam spoedig daarna het geklop een einde.
Beschrijving
De ouders van Klaas horen 's nacht gebonk. De moeder van Klaas vraagt of hij dit geluid maakt, maar Klaas ontkent dit. Nu zijn de ouders ervan overtuigd dat er iets bovennatuurlijke dingen aan de hand zijn. Allerlei mensen komen kijken en proberen het vreemde verschijnsel te verklaren, maar niemand komt er achter waar het geluid vandaan komt. Ten slotte wordt de veldwachter erbij gehaald. Deze geeft de jongen Klaas op zijn kop, want hij was de enige die het geluid kon hebben gemaakt. De gelovige mensen dachten dat hij het mis had, maar enige tijd daarna hield het geklop wel op.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, p. 227-228.
Naam Overig in Tekst
Klaas   
Naam Locatie in Tekst
Hijum   
Leeuwarderadeel   
