Hoofdtekst
Heel lang geleden in 1852, mijn moeder was toen een aankomend meisken, werkte in de buurt van ’t Hogepad, da’ was een soort kerkpad dwars door het land, een meiske van achttien of twintig jaar, [Appolonia buisoge], een dochter van ’n daar in de buurt wonende boer, vermoord gevonde. Men had wel enige verdenking tegen enkele personen uit de omgeving, maar, hoe de politie ook speurden, tot een arrestatie kwam het niet. Wel, viel het den eerst volgende zondag in de kerk op ’t klooster, da’s het klooster [Zande], sterk op dat toen de pastoor de droeve gebeurtenis memoreerde en hij op ’t altaar drie grote kruisen had doen ophangen, achterin de kerk drie mannen zaten met hunne rug naar ’t altaar gekeerd. Maar ja, hoe vreemd ook, da’ was nog geen enkel bewijs. Pas na enkele jaren, zei moeder, verkondigde pastoor vanaf de preekstoel dat de werkelijke dader was gestorven en voor zijn sterven een bekentenis had afgelegd doordat hij, de pastoor, die naam niet mocht noemen. Kort na de moord waren de meeste mensen bang om ’s avonds langs ’t Hoge pad te gaan. Maar toen er al tal van jaren waren verstreken en men wat dan al vergeten was, zag op een schemeravond een dienstbode van [Koen Jansen] die daar in de buurt woonde, dicht bij de plaats waar de moord was geschiedt, een lichtgevende schim die over ’t pad gleed. Dodelijk verschrikt zet dat meiske het op een lopen en ze werd, dat begrijpt u, door Koen Jansen flink uitgelachen. ‘Huh, zijt niet wijs,’ zei Koen, ‘ge […] door oude praatjes bang laten maken.’ Maar meerdere mensen, in een soortgelijke ervaring op de een als ze ’s avonds langs da’ pad liepen en toch geen bangeriken of fantasten waren, bevestigden dat verhaal. Da’ kwam nog bij dat de knecht van Koen Jansen een paar maal al iets geks had meegemaakt. Jansen had langs ’t hoge pad een stuk weiland da’ was afgerasterd waar hij overdag de koeien liet grazen en, zoals dat hier gebruikelijk is, ze ’s avonds liet binnenhalen door zijn knechtje. Een paar keer ging, als de jongen de beesten kwam halen, dat damhek vanzelf langzaam open en sloot het zich eveneens vanzelf als de laatste koe en ’t knechtje gepasseerd worden. ‘Kom,’ zegt Jansen als de knecht da’ vertelt, ‘ze hebben jou dus ook al zover gekregen.’ Maar de volgende avond als Koen zelf met de jongen meeloopt, herhaalt zich dat verschijnsel. Daar is toch geen struikgewas te bekennen, dus aan flauwe grapkes daar hoeft niet aan gedacht te worden. ‘’T is gek,’ zegt Koen, ‘maar ‘k moet bekennen dat ‘k ook niet kan verklaren.’ Ja ge begrijpt dat dat hoge pad zodoende in een slechte reuk kwam te staan, zodanig, dat men ’t nog niet helemaal is vergeten.
Onderwerp
SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Om de moord op een meisje te memoreren hangen drie kruisen op het altaar; opmerkelijk is dat drie mannen ruggelings naar het altaar zitten. In de buurt van de moordplaats spookt het, mensen zien schimmen, het damhek gaat vanzelf open en dicht.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Commentaar
Appolonia Buisoge mogelijk Apolonia Buisrogge
Naam Overig in Tekst
Koen Jansen   
Appolonia Buisoge   
Naam Locatie in Tekst
Hogepad   
Zande   
Kloosterzande   
Plaats van Handelen
Kloosterzande   

