Hoofdtekst
....
"It earizer op."
Nog heden ten dage kan men in Friesland vrouwen zien, die een gouden of zilveren kap dragen, zooals er eens een het hoofd van Fostedina heeft gesierd. Deze kap heeft bij ieder oor een rozet, en een fijn kanten mutsje over het goud of zilver. Het is de oude hoofddracht van vrij Friesland. En wanneer zij hun nationale feestdagen of andere hoogtijden vieren, dan kleeden de vrouwen en meisjes zich in de oude kleederdracht en zetten "it earizer op".
De sage van Fostedina en de gouden .kap wordt ook als volgt verteld.
Sint Willebrord had eens een dertigtal Denen, die als losprijs aan den vijand zouden worden uitgeleverd, tot het christendom bekeerd. Het gelukte hem de Denen vrij te kopen; en hij nam hen aan boord zijner schepen. Zij landden op het eiland Fosetesland, dat op de grens tusschen Denemarken en Friesland lag. In de bron, die
113
op het eiland welde, doopte Willebrord de Denen en was er geheel onwetend van, dat deze bron door de eilanders
vereerd werd, en aan den god Fosete gewijd was. De ontheiliging van hun bron was in de oogen der eilanders een groote misdaad. Zij namen daarom den grijzen apostel en zijn volgelingen gevangen. Het heidensche opperhoofd
van het eiland bepaalde, dat men de gevangenen naar koning Redbad, die in Medemblik verblijf hield, zou zenden om door hem te worden gestraft voor de schennis van hun heiligdom. Doch de eilanders waren hiermee niet tevreden en eischten den dood van tenminste een der vreemdelingen. En Willebrord moest gedoogen, dat een van hen, een jonge geloovige Deen, zich vrijwillig aan de woeste eilanders overgaf en moedîg den marteldood stierf.
De vreemdelingen werden naar Friesland ingescheept. Onder het geleide was ook het opperhoofd met zijn
negentienjarige dochter, Fostedina genaamd, die dîep getroffen was geweest door de blijmoedigheid en het
vertrouwen op het eeuwige leven, waannee de jonge Deen den dood was ingegaan. Hoe wenschte zij zelve die zekerheid te bezitten! En sedert woonde in haar ziel een drang naar kennis van den god, die aan het kruis den marteldoodwas gestorven. Doch de vrees voor haar vader, die de heidensclte goden nooit ontrouw zou worden, hield haar terug van het openlijk belijden der nieuwe leer. Maar innerlijk scheen reeds het licht der belijdenis, en ongemerkt sloop zij telkens onder de aandacht van Willebrord, wanneer hij voor zijn volgelingen over Jezus Christus en zijn evangelie sprak.
Toen zij in Friesland waren aangekomen, liet koning Redbad de Denen voor zich komen. Zijn gelaat teekende verbeten woede, toen hij hen onderhield over het verraad aan het geloof hunner vaderen en de ontheiliging van de bron op Fositesland. En hij eindigde aldus : "Ik zeg u,
114
vloekt den god der christenen en ge zult vrij zijn en in vrede naar uw land terugkeeren; wanneer ge dit echter weigert te doen, zoo zal men u voor de wolven werpen."
Hierop sprak een der jonge christenen: "Ik zweer, dat ik niemand wil dienen dan Christus, den Zoon van den eenigen waren en levenden God." En meerderen riepen : " Ik wil desgelijks doen!" Vijf hunner bezweken en verzaakten hun geloof. De overigen werden in de gevangenis geworpen en den volgenden morgen zou de koning hen zonder wapenen tegen de wolven laten strijden.
Maar in den nacht werden de grendels van de ijzeren deur weggeschoven en bij het schaarsche licht zagen de gevangenen, dat Fostedina, de dochter van het opperhoofd, naar hun onderaardsch verblijf was afgedaald en hun den weg naar de vrijheid wees.
Des anderen daags toen het volk zich bedrogen wist, riep men luide om bestraffing van de vreemde jonge vrouw, die men des morgens bij de geopende deur van de gevangenis had aangetroffen. Vreeselijk was Redbad in zijn toornen tegen het meisje. En zich richtende tot haar vader, zeide hij: "Welnu, Theudebald, zij is uw dochter. Welke straf heeft zij volgens uw oordeel verdiend?" Hij, wiens naam door den koning was genoemd, trad naar voren, en terwijl hij zijn oogen met de handen bedekt hield, zei hij met een bevende stem : "Zij is, o koning, mijn eenigst kind. Haar moeder stierf in de stonde toen zij geboren werd; en al die jaren was zij mijn blijdschap en mijn kroon. Doch deze daad heeft mij verslagen en ik zou gaarne wenschen te sterven. Als gij, koning, mijn dochter voor de wolven laat werpen, dan stort ik mij naast haar neer. Want zonder haar heeft het leven voor mij geen waarde meer. 0 mijn Fostedina, mijn vreugde en mijn trots!" De tranen stonden den gebaarden krijgsman in de oogen en hij zonderde zich af in een hoek van de zaal.
115
Koning Redbad wilde voor het nemen eener beslissing eerst zijn raadslieden en de oudsten van zijn volk hooren.
En de priesters zeiden : "Zij heeft onze goden beleedigd! Slechts haar bloed kan het zoenoffer zijn!" Sommigen riepen: "Voor de wolven met haar!"
De jonge prins spreekt.
Toen verhief zich in den raad een jonge man met een bleek gelaat. Het was Adgillis, de zoon van koning Redbad.
"Ik ben nog jong," zoo begon hij, "en het voegt mij niet om in aanwezigheid van hen, wier haren grijs zijn en die in hun leven wijsheid hebben vergaderd, mijn stem te verheffen. En toch heeft een ieder in een samenkomst als deze recht van spreken. Onze eerwaardige oude vader heeft reeds verteld, hoe onze voorvaderen bij sommige gelegenheden hun kinderen aan de goden offerden. Dit schijnt de goden evenwel niet welgevallig te zijn geweest, want in de laatste honderd jaren werden er geen kinderen door hen geëischt. Ik kan ook niet inzien, welke vreugde de goden zouden hebben in het gestorte bloed van onschuldige kinderen. Zijn dan de goden van onze voorouders wolven en tijgers? Zou een uwer het bloed willen drinken of het vleesch nuttigen van zulk een kind? Zou een uwer dat inderdaad willen? Ik vraag slechts."
"Neen, neen, dat niet!", riepen verscheidene stemmen.
"Dat heb ik wel geweten," hernam Adgillis. "Ik wist wel, dat gij zoo iets niet zoudt doen. De Friezen hebben nooit geaarzeld om tegen den vijand op te trekken of om een beleediging met bloed te wreken. Maar nog nooit heeft een Fries met een edele inborst verlangd naar het bloed van vrouwen en kinderen. Daarentegen stond hij steeds gereed, om zijn leven voor hen op te offeren!"
"Ja, zoo is het! Inderdaad, zoo is het!" werd er geroepen.
En anderen zeiden : "De prins spreekt goed. Waarlijk,
116
het is zooals hij zegt." Overal zag Adgillis hoofden, die, bij wijze van instemming, zacht negen, en in veler oogen las hij bijval.
"Welnu," vervolgde de prins, "indien wij dan niet het bloed van vrouwen en kinderen verlangen, zijn wij dan beter dan onze goden, of zij erger dan wij? Zijn de Friezen vrije en edele wezens en hun goden naar bloed dorstende tijgers? Ik vraag in geen geval het bloed van dit onschuldig meisje. Begeert iemand uwer haar bloed te drinken?"
"Neen, neen! Hoe kunt ge zulks denken!" Er kwam beweging in de zaal. De ontkenning was op veler lippen.
En Adgillis zag, hoe de gedachte aan een dergelijke
wreedheid velen met afgrijzen vervulde. Toen wist hij zich sterk en zeker van zijn zaak. En terwijl in zijn oogen iets flikkerde van het zelfde vuur, dat uit de oogen van den grijzen Redbad soms vonken kon schieten, riep hij met zijn krachtigste stemgeluid :
"Welnu, zoudt gij den goden geven wat gij zelf niet begeert? Steeds heb ik er mij op beroemd een Fries te zijn, want de Friesche naam is niet bezwadderd met bloed. Maar als gij deze jonge vrouw wilt dooden, dan verlaat ik dit land en wil den naam Fries niet langer dragen. Ik zou mij van schaamte niet weten te bergen, wanneer iemand mij zei: "Gij zijt een zoon van het volk, dat weerlooze vrouwen ter dood brengt." En als gij haar voor de wolven werpt, dan volg ik haar en zal met mijn zwaard de wilde dieren bestrijden!"
Toen trok de prins zijn zwaard en stak het omhoog, terwijl hij de samenkomst overzag. Maar in aller oogen blonk geestdrift en van alle zijden klonken uitroepen van instemming en bewondering. En nog eenmaal verzocht Adgillis stilte. "Toen mijn koninklijke vader mij dit zwaard overhandigde, heb ik een duren eed gezworen om het aan te wenden ter bescherming van zwakken, van
117
onschuldigen en weerloozen. Aan dien eed zal ik vasthouden. Mogen de goden mij bijstaan!''
En hij ging met opgeheven zwaard naar Fostedina en stelde zich, als een trouwe beschermer, voor haar op.
Zoo redde prins Adgillis, Redbad's zoon, Fostedina het leven. Toch moest zij worden gestraft. En men veroordeelde haar, om gedurende een geheelen dag met een doornenkroon op het hoofd, ten aanschouwe van iedereen op het marktplein te staan. Daarna zou zij uit het land worden verbannen.
Met blijmoedigheid heeft Fostedina deze straf doorstaan. Daarna heeft zij het land verlaten. Willebrord en zijn vrienden brachten haar naar het hof van Pepijn van Herstal, het hoofd van het machtige Frankische Rijk.
Ook Adgillis werd na dien dag niet meer in de Friesche landen gezien. Hij ging in Frankischen dienst en wist de grenzen van het rijk te beveiligen. Zijn moed en dapperheid maakten hem beroemd en tenslotte benoemde Pepijn den Friesehen koningszoon tot bevelhebber van het Zuidelijk leger.
Redbad heeft het vertrek van zijn zoon niet lang overleefd. Na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn zoon Adgillis II, hoe de priesters zich daartegen ook verzetten. Het volk eischte hem op als den wettigen opvolger van den grooten Redbad. En datzelfde volk heeft ook niet geweigerd Fostedina als zijn koningin in te huldigen. Willebrord, de grijze priester, zegende hun huwelijk in. De litteekens van de doornenkroon waren nog duidelijk waar te nemen. toen Fostedina aan de zijde van haar koninklijken man haar intocht deed te Stavoren, waar toentertijd de Friesche koningen hun residentie hadden.
Het volk maakte zich boos, toen het de litteekens op het voorhoofd van de schoone koningin ontwaarde en er aan dacht, hoe eens dit edele voorhoofd wreed gepijnigd was.
118
Op den dag der kroning betraden twaalf jonge meisjes des morgens de kamer van Fostedina en vereerden haar een gouden kap. Deze was zoo gemaakt, dat bij het opzetten alle litteekens bedekt waren.
En zoo droeg Fostedina het eerste oorijzer, dat haar schoonheid nog beter deed uitkomen. De nieuwe hoofdtooi viel bij de Friesche vrouwen zeer in den smaak; vele voorname vrouwen schaften zich een dergelijke kap aan.
Doch Fostedina droeg de gouden kap niet graag. Vaak nam zij het sieraad in haar handen, zeggende: "Nooit zal deze zoo schoon zijn als de doornenkroon." En de oogen naar den hemel opslaand, fluisterde zij in stille verrukking: "Mijn God, o mijn God! Een kroon van oneindig hooger waarde hebt Gij voor mij beste bestemd!"
Onderwerp
TM 2608 - Herkomst van het Friese oorijzer   
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Fostedina   
Willebrord   
Theudebald   
Adgillis   
Adgillis II   
God   
Pepijn van Herstal   
Fosete   
Christus   
Redbad   
Jezus Christus   
Naam Locatie in Tekst
Fosetesland   
Denen   
Friezen   
Frankische Rijk   
Denemarken   
Friesland   
Friese   
Deen   
Medemblik   
Stavoren   
Fositesland   
Zuidelijk   
