Beschrijving
I (a) De held, een tamboer, (a1) (afgedankte) soldaat, (a2) een Sterke Harm, (a3) Anske [F610], (a4) Klaas, (b) vergezeld door een ruiter en een soldaat, (b1) kapitein en een luitenant, (b2) andere soldaten, (b3) een heggesnoeier, een smid en een timmerman, (b4) molenaars- en bakkersknecht, (b5) zijn broers Jan en Piet [P251.6.1]. (c) Ze zijn gedeserteerd, (c1) verdwaald, (c2) zwerven rond na een veldtocht, (c3) zijn op zoek naar 3 geroofde prinsessen [H1385.1, R11,1], die door hun vader beloofd zijn aan wie hem terugvindt [T68.1]. (d) Ze reizen in een wagen van zwavelstokken, getrokken door 2 ratten [F861.4]. (e) De soldaat krijgt onderweg van een vreemd mannetje [D812.12] een geweer dat nooit mist [D1653.1.7]. Het mannetje vertelt hem dat de prinsessen in een slot opgesloten zitten en door 3 reuzen bewaakt worden [F771.4.1]. Op weg naar het slot worden ze aangevallen door een hond en een leeuw. De soldaat schiet hen dood met zijn geweer [F771.5.1]. II. (a) Ze nemen hun intrek in een huis (hut) in een bos, (a1) molen, (a2) een kasteel waar nog nooit iemand levend uitgekomen is [F771.5.2], (a3) een hut bij het voor hen ontoegankelijke kasteel. (b) Ze worden houthakker, (b1) goudzoeker. (c) Elke nacht verdwijnt er iets van hun goud. (d) Om beurten blijft een van hen een dag thuis om te koken terwijl de anderen er op uittrekken om te werken (voedsel te verzamelen). De metgezellen van de held krijgen op hun thuisdag bezoek van een dwerg [F451.5.2], (d1) kabouters, (d2) een 7-koppige reus [F531.1.2.2], (e) die hen om (iets van) het eten vraag (vragen) [F451.5.2.14], (f) (en) die hen (daarna) bewusteloos, (f1) tot het hoofd in de grond slaat [G475.1]. (g) De held op zijn dag snijdt de dwerg zijn baard en een stukje van de kin af, (g1) bezorgt een van hen met een gloeiende pannekoek een bloedneus (bloedende wond aan het hoofd) [F102.1], (g2) weet de dwerg met zijn baard vast te zetten in een gespleten houtblok [K1111. 1], (g3) slaat de reus zijn koppen af [G512.1.2]; (g4) de held ontdekt dat het goud door een dwerg gestolen word [F451.5.2.2]. (h) Ze volgend het bloedspoor, (h1) de held volgt de dief, en dwingt de dwerg hem te vertellen hoe hij in het kasteel komen kan. (i) Ze komen bij, (i1) graven, een diep gat, (i2) door een put van water en vuur [F92, F92.5]. (j) De metgezellen zullen zich (in een mand) aan een touw in het gat laten zakken, maar ze worden bang voor ze beneden zijn en laten zich weer ophalen. (k) De held laat zich aan het touw zakken tot in de onderwereld [F96, F80], (k1) de held durft ook niet, maar zijn metgezellen laten hem vallen. III. (a) In de onderwereld valt een spinnende heks hem aan [G244], maar hij overmeestert haar, (a1) dienen de kabouters hem tot gids [F167.2]. (b) Hij bevrijdt 3, (b1) 7, prinsessen, (b2) een prinses [R11.1], (b3) 99 jongelingen. (c) De prinsessen zitten opgesloten in 3 verschillende kamers, (c1) 3 bijelkaar en 4 bijelkaar opgesloten. (d) De prinsessen worden bewaakt door resp. een één-, (d1) 2-, (d2) 3-, (d3) 5-, (d4) 6-, (d5) 7-, (d6) 9-koppige (e) draak [B11.2.3.6, B11.2.3.3, B11.2.3.4], (e1) reus [F531.1.2.2.2, F531.1.2.2.4, F531.1.2.2.5], (e2) "skodholle" (schuddehoofd). (f) De skodhollen zitten bij de prinsessen op het hoofd. (g). De eerste prinses wijst de held een zwaard [P1081]. (h) Dit is zo zwaar dat hij eerst een sterk makende drank [D1335.2] innemen moet voor hij het hanteren kan [F833.1]. (i) De prinsessen brengen de reuzen ertoe te gaan slapen [K834.1]. (j) De held onthoofdt de draken [B11.11] (reuzen) met het zwaard, (j1) doodt, (j2) verjaagt, de skodhollen met zijn stok van 200 pond [RR111.1.3, R111.1.1, R111.2.1, F612.3.1]. (k) De prinses was ontvoerd door een dwerg [R10.1], die haar gekocht had van haar stiefmoeder [S31]. (1) De prinsessen moesten voor de reuzen resp. bronzen, zilveren en gouden draden spinnen [F877.1]. (m) Sterke Harm vindt in de onderwereld ook nog een oude vrouw met een gouden kist en een gouden spinnewiel [F876, N512]. (n) De prinses geeft haar redder een stuk van haar mantel [H117]. IV. (a) De metgezellen boven halen de prinses(sen), (a1) de held en de prinsessen, weer omhoog. (b) De held is als laatste aan de beurt, hij vertrouwd de anderen niet en doet stenen (goud) in de mand (aan het touw). Zij laten deze (dit) vallen [K677], en laten de held achter in de onderwereld [K1931.2]. (c) De prinses(sen) moet(en) de metgezellen zweren dat zij niet zal (zullen) onthullen wie haar (hen) werkelijk gered heeft [K1933]. Zij moet(en) met (een van) hen trouwen [K1932, T68.1]. (d) De prinses krijgt van haar vader een jaar uitstel [T151], (d1) de jongste prinses wil pas trouwen als de bedriegers de gouden bikkels waar ze in het slot mee speelde na kunnen laten maken. Zij kunnen dit niet [T151.0.1]. V. (a) De held in de onderwereld vindt een hoorn [D1222] (hierop gewezen door de prinses), (a1) fluit [D1223.1], (a2) bel [D1213]. (b) Hiermee roept hij een troep dwergen, de gewonde voorop, (b1) een dwerg, (b2) adelaars, op [D1421.3.2, D1441.1]. (c) De dwerg vertelt dat hij de schat van een boskoning of bosgod moet bewaken [N574]. De held krijgt een kist geld als hij wil verdwijnen voor die iets merkt. (d) De held vindt 2 honden. (e) De held en de prinsessen klimmen naar boven op een trap van dwergen, (e1) de honden graven voor de held een gat naar boven [B421], (e2) de grootste adelaar draagt hem naar boven en vliegt hem naar het paleis [B542.1.1, F101.3], (e3) de dwerg tovert voor hem een paard en wagen, daarmee naar boven [D1113]. VI. (a) De held komt op de dag van de bruiloft bij het paleis aan [N681]. Hij laat de honden gebak halen van de tafel van de koning. De prinses herkent hen [H151.2]. (b) De held identificeert zich als redder met het stuk mantel [H83], (b1) door de adelaar de echte bikkels op te laten halen [B455.3]. (c) De held trouwt de (een van de, de jongste) prinses(sen) [L161]. (d) De metgezellen worden opgehangen [Q413.3]. (d1) vluchten. (e) De honden veranderen in 2 prinsen [D141]; ze waren door de heks betoverd [G263.1].
Subgenre
sprookje
Literatuur
Delarue 1957 108-133
K. Horálek, in: Fabula X (1969) 188-195
Kahn 1979
G. Kies, Hungarian redactions of the tale type 301. In: AE XVII (1968) 353-368
Liungman 1961 43 47, 357
Ranke 1955 58-99.

