Beschrijving
I. (a) Een arme man, (a1) weduwe, (b) heeft 3 zonen [P251.6.1], waarvan de jongste niet voor vol wordt aangezien [L101, L111.3], (b1) een zoon. (c) Hij heeft een pruimeboom die het hele jaar door vrucht draagt [D950, D1668, D2145.2.2]. (d) De koning belooft zijn dochter aan de man die hem midden in de winter pruimen kan bezorgen [T68, H1023.3], (d1) pruimen brengt lekkerder dan zijn eigen. II. (a) De man (weduwe) stuurt eerst de oudste, dan de middelste zoon. Beide zijn onvriendelijk tegen een oude vrouw die hen vraagt wat ze bij zich hebben [Q2]. (b) Padden, (b1) kikkers, (b2) denneappels, zegt de oudste, (c) eikels, (c1) vlooien, (c2) padden, zegt de middelste. (d) Als ze bij de koning komen zijn de pruimen in het genoemde veranderd (veranderen ze erin) [Q280, D441.2]. (e) Hierna gaat de jongste, hij is vriendelijk tegen de oude vrouw en vertelt de waarheid; zijn pruimen veranderen in de lekkerste [N825.3, L13, L10, H1242]. III. (a) De koning wil hem de prinses pas geven, (a1) een rijke boer wil hem zijn dochter geven, (b) als hij 3, (b1) 4, dagen lang, (c) 7, (c1) 12 konijnen, (c2) 100 hazen, hoeden kan, zonder er een kwijt te raken [H1112], (d) 3 dagen 100 zalmen en 3 dagen 100 sperwers kan hoeden [B845]. (e) Lukt hem dit niet dan zal hij onthoofd worden [H901]. (f) Van de (een) oude vrouw krijgt hij een (zilveren) fluitje, hiermee kan hij de dieren bijelkaar houden [D1223.1, D14441.1.1, H971.1, H987]. (g) Tijdens de (laatste) 3 dagen proberen resp. de (opper)jachtmeester, (g1) de boer, (h) de prinses, (h1) boerin, (i) de koning, (i1) dochter, van hem een konijn (haas) te pakken, (j) de laatste 2, (j1) alle 3, in vermomming. (k) De prinses als boerenmeid [K1812.8, K1815], de koning als hoveling [K1812], (k1) tuinman [K1816.1]. (l) Ze krijgen een konijn (haas) op voorwaarde dat hij met een proppenschieter op de neus van jachtmeester mag schieten, dat de prinses hem een kus geeft [K1358] en dat de koning een buiging voor hem maakt [K1288], (l1) dat ze alle 3 naakt in een sloot baden; het konijn (de haas) haalt hij echter terug met het fluitje. IV. (a) De koning (boer) wil hem zijn dochter pas geven als hij 3 zakken vult met gekheid [H1045], (a1) in een nacht 24 dikke bomen omhakt [H1095], (a2) de prinses, die ijskoude lippen heeft binnen 3 dagen ertoe brengt hem te kussen [H315.1]. (b) Hij begint te onthullen hoe hij 3 maal een konijn weggegeven heeft - de koning gebiedt hem te stoppen [K1271.1.1], (b1) de oude vrouw geeft hem een toverstokje waarmee hij tegen de bomen moet tikken terwijl hij zegt: "Boompje, boompje, val om" [D1254.1, D1641.4], (b2) zij geeft hem een middel om de lippen van de prinses vol en rood en kusbereid te maken [D1244]. (c) Hij trouwt met de prinses (boerendochter) [L161].
Subgenre
sprookje
Literatuur
Delarue & Tenèze 1964 454-466
Opie & Opie 1974 230-235
Ranke 1958 264-300.

