Beschrijving
I. (a) Een boer, (a1) een door zijn dochter hiertoe aangezette boer, (b) beklaagt zich bij de koning, (b1) een graaf, over het feit (c) dat een heer hem het eigendomsrecht op een veulen betwist (niet zijn paard, maar een boom van de heer zou het veulen gekregen hebben), (c1) zijn landheer hem bij de verdeling van de oogst bedrogen heeft ((1030). (d) De koning, enz., geeft hem en zijn opponent, (d1) een overmoedige boer ((922), een aantal vragen op: (e) Wat is het vetste? - de aarde [H653.1]; (f) wat is het diepste? - het hart van de mens [H643.1]; (g) wat klinkt luider dan metaal? - Gods woord [H635.2]; (h) hoe hoog is de hemel? - zo ver men kan zien [H682.1.4]; (i) hoe diep is de zee? - een steenworp [H681.4.1]; (j) wat is het middelpunt der aarde? - hier, en wie het niet gelooft meet het maar na [H681.3.1]. (k) Geholpen door zijn schrandere dochter [J1111.4] kan alleen de boer de (hier na de vraag gegeven) juiste antwoorden geven [H561.1.1]. - (l) Een koning wil een pienter meisje testen en geeft haar via haar vader een aantal opdrachten. Zij moet achtereenvolgens: (m) gekookte eieren uit laten broeden - gekookte erwten laten groeien [H1023.1.1]; (n) met één bos biezen 50 stoelen matten - van één plankje 50 stoelramen maken, (n1) van een handvol vlas een zeil maken - van één latje een weefgetouw maken [H1022.3]; (o) een meer leegscheppen - met een bosje hooi alle toegangswateren afsluiten, (o1) met een traliekorf een meer leegscheppen - dit met een net afsluiten [H1023.2, H1143]. (p) Zij zet hem telkens schaakmat door even absurde (hier achter de opdracht gegeven) voorwaarden te stellen waaraan hij eerst moet voldoen [H951]. II. (a) De koning (graaf) ontbiedt de boerendochter die haar vader geholpen heeft (haar), (a1) omdat hij met een slimme vrouw trouwen wil, kandidates, bij zich: (b) niet te paard en niet te voet - op een bok, (b1) ezel, (b2) niet op de grond en niet van de grond - op en geit, met om beurten een van haar voeten op de grond [H1053.1]; (c) niet naakt en niet gekleed - in een visnet [H1054.1]; (d) niet bij dag en niet bij nacht - in de schemering [H1057]. (e) Zij, (e1) één meisje, voldoet aan deze opdrachten op de wijze hier achter de opdrachten aangegeven [H373]. III. (a) De koning neemt haar mee uit rijden. Zij laat haar vader op het land vissen. "Als een boom een veulen krijgen kan, kan ik vissen op het land vangen" [J1191.1]. (b) De koning trouwt met haar [L162]. (c) Hij krijgt genoeg van haar, (d) omdat zij zich met de rechtspraak bemoeid ((821B). IV. (a) Hij stuurt haar weg, maar ze mag meenemen wat ze het liefste heeft. Ze geeft hem een slaapdrank, (a1) voert hem dronken, en neemt hem mee [J1545]. (b) Hij trouwt met haar, (b1) ze verzoenen zich. Cf. 922.
Subgenre
sprookje
Literatuur
A. Dömötör, in: EM I 1353-1365
O. Holzaphel, in: EM I 878-879
Liungman 1961 228-231, 369
Ranke 1962 203-217
Schwarzbaum 1968 47-48, 295. Sinninghe 1943 nr. 875,6 (= [B.S.] H[ylkema], S&R 1900, 411-412 [De kening en de earme jongfaem. (In âld teltsje)
( NF 1 (1946-7), nr. 39, Zat. 12 April, 2: De skrandere dochter]) is een vertaling. Y. Poortinga, in: IB 35 (1973) 115-6.

