Beschrijving
(a) Een pasgetrouwde jongeman, (a1) poep, (a2) bedelaar, (b) werkt 16, (b1) 3, jaar, (b2) moet 3 jaar, (c) bij een heer in den vreemde, (c1) Friese boer, (c2) in een gesticht doorbrengen. (d) Hij krijgt naast, (d1) in ruil voor, zijn loos, (e) van zijn werkgever, (e1) een oude man die hij op weg naar huis ontmoet, een aantal goede raden, (f) en een brood mee voor thuis. (g) De raden zijn: verlaat de grote weg niet [J21.5]; (h) vraag niet naar dingen die je niet aangaan [J21.6]; (i) ga niet in het huis van een oude man met een jonge vrouw [J21.3]; (j) handel niet onmiddelijk als je kwaad wordt [J21.2]. (k) Hij weigert met zijn reisgenoten een kortere weg binnendoor te nemen; zij worden vermoord, (k1) het blijken rovers te zijn. (l) Hij komt in een slot waar een vrouw in een kast opgesloten zit. Alleen tijdens de maaltijden mag ze eruit. Hij vraagt niets. Zijn gastheer, haar man, vertelt hem, had hij dat gedaan, dan zou dit zijn dood geworden zijn. Hij heeft haar opgesloten omdat zij hem ontrouw is geweest. Zijn gast bewerkt dat hij haar vergeeft (cf. AT 992A). (m) Hij slaapt niet in, maar heimelijk buiten, het huis van een oude man met een jonge vrouw en luistert af dat zij en haar minnaar, (m1) 3 rovers, de oude willen vermoorden (n) en hem (n1) 2 reizigers, daarvan de schuld geven. (o) Als hij thuiskomt ziet hij bij zijn vrouw een jonge man. Hij laat zijn woede bekoelen en verneemt dat het zijn zoon is. (p) Als ze thuis het brood opensnijden blijkt daarin zijn loon te zitten. (q) Hij zorgt ervoor dat i.p.v. de onschuldige reizigers de jonge vrouw en haar minnaar gestraft worden [J163.4, J21]. Cf. 910K.
Subgenre
sprookje
Literatuur
Liungman 1962 238-239, 370
Tubach 1969 nr. 70, 5324}. Y. Poortinga, in: Flecht 1970, 368-9, IB 35 (1973) 115.

