Beschrijving
[cf. Jason 947*E, EB 130, 5]
(a) Een man, (a1) dominee, (a2) vrouw, (a3) prinses, (b) is op weg naar een heerlijk koninkrijk aan de overzijde van een brede rivier. (c) Hij (zij) vindt dat hij (zij) zijn (haar) kruis, (c1) zorgenpak, niet langer dragen kan, (c2) is zwaarmoedig. (d) In wwn gebouw, (d1) lange gang, (d2) op een weiland, (d3) berg, (d4) ergens, (e) mag (kan) hij (zij) het omruilen voor een ander; (e1) zij mag uit allerlei kleren, elk een leen voorstellend, het mooiste kiezen, dat leven zal zij moeten leiden. (f) Hij (zij) droomt dit, (g) God, (g1) een heer, biedt hem (haar) deze mogelijkheid, (g2) een astroloog voorspelt haar deze droom. (h) Hij (zij) legt zijn (haar) kruis af en probeert vele andere, maar vindt uiteindelijk maar een dat goed bevalt; het blijkt zijn (haar) eigen kruis te zijn, (h1) hij blijft net zo lang ruilen met anderen todat hij tot zijn grote opluchting zijn eerste kruis weer terugkrijgt, (h2) zij kiest tenslotte het kleed dat haar eigen leven voorstelt, (h3) hij ruilt van kruis met iemand die hij tegenkomt en die ogenschijnlijk een veel lichter kruis meedraagt, maar dat veel zwaarder blijkt te zijn dan zijn eigen. (i) Zijn eigen kruis brengt hem over de rivier voor het koninkrijk.
Subgenre
sprookje
Literatuur
Schwarzbaum 1968 149-150. Y. Poortinga, in: IB 35 (1973) 114.

