Beschrijving
(a) Twee, (a1) 3, (a2) 4, poepen, (b) verdelen geld dat, (b1) een kaas die, (b2) varken dat, (c) ze gevonden, (c1) gestolen, (c2) gekocht, (c3) gekregen, hebben. (d) Ze verdelen het (hem) in parten en hierna vraagt een van hen bij elk del (stuk): "Wie zal dit hebben?" (d1) Wie zal het grootste stuk hebben?" (e) Een van hen (de ander) zegt (telkens als eerste): "Ik!" waarop de ander(en): "Jij hebt ook altijd geluk!"
Subgenre
mop
Literatuur
Fischer, Lachende Heimat 154 (Würt.).

