Beschrijving
(a) Een buurman, (a1) de koster, (a2) slager, (b) steelt het (de) pas geslachte varken, (b1) koe, van de dominee. (c) Dominee vermoedt wie de dader is, (c1) hoort dit van diens zoon, (d) en haalt de(ze) zoon van de dief over om de komende zondag dit vanaf de preekstoel te vertellen, (e) in rijm: "De dominee, de dominee van 't woud, / Die heeft het varken (de koe) geslacht / En mijn vader heeft het in zout." (f) De jongen vertelt het zijn vader. Deze verandert het rijm (zijn tekst). (g) Hij zegt nu dat de dominee een kind bij de meid gemaakt heeft, maar haar niet getrouwd, (g1): "De dominee, de dominee in 't woud, / Die heeft een meid met jong gemaakt, / Die heeft hij niet getrouwd." (Alle rijmen Ned.).
Subgenre
mop
Literatuur
Wehse 1979 487-488 nr. 474.

