Beschrijving
(a) Een pastoor stuurt zijn knecht met een flesje van zijn urine naar een wonderdokter. Onderweg in een herberg gooit een vrouw het flesje stuk en ruilt het dan om met een flesje van haar eigen urine. (a1) Een man gaat met een mengsel van zijn en zijn vrouws urine, (a2) de urine van een merrie, naar een wonderdokter. (b) De wonderdokter, (b1) een dokter, (b2) collega's (c) vertelt (vertellen) hem, (c1) een dikke man, (c2) poep, dat hij (de persoon van wie de urine is), moet bevallen, (d) van een veulen. (e) Hij (deze), (e1) de pastoor, (e2) een poep, (e3) een meid, (e4) meisje dat in verwachting is, (f) moet ergens buiten, (f1) op weg naar huis, zijn (haar) behoeften doen; (f2) hij valt dronken in slaap bij een merrie. (g) Als hij (zij) klaar is springt er net een haas weg, (g1) wakker wordt heeft de merrie een veulen geworpen. (h) Hij (zij) denkt nu dat hij (zij) daar van dit dier bevallen is [J2321.1].
Subgenre
mop
Literatuur
Legman 1968 601-602
Randolph 1976 23-24
Ranke 1972 41-43, 141
Schwarzbaum 1979 419-420.

