Beschrijving
(a) Een inhalige pastoor vraagt van een man op zijn sterfbed, (a1) de zoon, (a2) zonen, (a3) dochter, (a4) weduwe, (b) van en overleden man, (b1) vrouw, steeds meer geld, (c) om voor hem een plaats in de hemel zeker te stellen, (c1) deze uit het vagevuur te bidden, (c2) voor diens zieleheil. (d) Tenslotte antwoordt hij op de vraag van de geldgever (geefster): "Ben ik (is hij, zij) nu haast in de hemel?" "Op één been, (d1) vinger, na, (d2) bijna, (d3) hij heeft de kruk van de deur al in de hand, (d4) ja." (e) "Dan red(t) ik me (hij, zij zich) verder wel, ik (hij, zij) was altijd nog al vlug; (e1) knijp die er dan maar af, (e2) dan blijft hij daar ook wel", antwoordt de ander, (f) en strijkt al het geld weer op.
Subgenre
mop
Literatuur
Bemmann 1973 291, Bodens 1937 299
Dance 1978 154, 360
Dietz 1951 42-43
Hoffmann 1973 213-214 J2326.5
Kapfhammer 1974 16
O. Kaufmann, in: RhwZfV XIV (1967) 194
XV (1968) 186
Merkens 1900 235, 258 = Ranke 1972 167
K. Ranke, in: EM I 357
cf. Stroescu 1969 I 422 nr. 3763.

