Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

AT 1875    AT 1875   

- The Boy on the Wolf's Tail

Een mop (),

Beschrijving

(a) De inwoners van Harlingen stoppen een reus in een ton en smijten deze in zee. De ton stoot tegen een schip. De reus maakt de bemanning wijs dat ze hem koning willen maken maar dat hij niet wil. Een matroos neemt zijn plaats in [K482] (Cf. 1535). (a1) Een moeder jaagt haar voor niets deugende zoon weg. Hij wordt koksmaat op een schip maar maakt zich ook daar onmogelijk. (a2) Als een schip dreigt te vergaan stopt de bemanning in een poging hem te redden de verteller (de jongen aan boord) in een ton. (a3) Rovers stoppen een boer in een ton. (a4) De enige zoon van een reder vaart mee met de schipper die alles van zijn vader zal erven als de jongen mocht overlijden. (a5) Op een schip waar honger heerst stoppen ze de jongen in een ton. (b) De matroos (koksmaat, jongen) wordt in de (een) ton overboord gezet (c) door de schipper (d) Na verloopt van tijd spoelt hij aan op een strand, (d1) bij Harlingen. (e) Hij, (e1) een soldaat, die tot boven zijn middel in de grond zit, nadat hij van grote hoogte gesprongen is, (e2) de boer, (f) grijpt (door het stopgat), (f2) verankert door een gaatje, (g) de staart van een passerende vos, (g1) hond, (g2) beer. (h) Deze trekt de ton stuk, (h1) hem los, (h2) de ton door Harlingen, waarbij de inwoners, die denken dat de reus terug is, hem netzolang door de stand jagen tot de ton openbarst en ze de matroos die koning worden wil vinden [X1133.3]. (i) Dit gebeurt met zoveel kracht, dat de soldaat in de vos schiet, waar hij in een kerk in een stad komt, (i1) dat de beer zijn staart verliest. (j) De jongen herovert met behulp van vissers het schip van zijn vader, waarbij de verraderlijke schipper gedood wordt, (j1) de boer berooft op zijn beurt de rovers, (j2) de jongen krijgt de prinses [L161] omdat hij het land van de alles met zijn staart verwoestende beer bevrijd heeft [T68.1].

Subgenre

mop

Literatuur

P. Delarue, Le conte de l'enfant à la queue du loup, in: Arts et Trad. Pop. I (1953) 33-58
Liungman 1961 341, 379
Moser-Rath 1964 351-352, 493
Müller-Fraureuth 1881 68-69
Randolph 1955 58-59, 187
Wossidlo-Henssen 1957 225. Y. Poortinga, in: Flecht 1970, 368.