Hoofdtekst
Een oude heer wilde nog eens bij een meid slapen. Zij wilde niet.
"Och, oude vent, je ken 't toch niet."
"Niet kennen?" zeide hij: "Ik ben als een hollend paard in bed."
"Nu vooruit dan."
De avond kwam. De oude heer deed vruchtelooze pogingen.
Kwaad zei de meid: "En je beweerde dat je als een hollend paard in 't bed waard?"
"Dat ben ik ook," zei hij, "maar kan jij een hollend paard tot staan brengen?"
(Leiden)
"Och, oude vent, je ken 't toch niet."
"Niet kennen?" zeide hij: "Ik ben als een hollend paard in bed."
"Nu vooruit dan."
De avond kwam. De oude heer deed vruchtelooze pogingen.
Kwaad zei de meid: "En je beweerde dat je als een hollend paard in 't bed waard?"
"Dat ben ik ook," zei hij, "maar kan jij een hollend paard tot staan brengen?"
(Leiden)
Beschrijving
Meid stemt toe om met een oude heer naar bed te gaan als hij beweert als een hollend paard te zijn. De meid wordt boos als het niet lukt, waarop de man zegt dat het moeilijk is om een hollend paard tot staan te brengen.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
28 november 1899
De slotopmerking over "tot staan brengen" zinspeelt op de impotentie van de oude heer.
Onder "Beeld" een foto van C. Bakkers verloofde C.E. de Vries.
Onder "Beeld" een foto van C. Bakkers verloofde C.E. de Vries.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
