Hoofdtekst
Een jong getrouwd man was zoo onnoozel, dat hij niet wist hoe hij handelen moest. Op aanraden van zijn vrouw, vroeg hij zijn vader. Deze nam hem mee naar een publiek huis.
"Hou jij die kaars vast, kijk goed. Ziezoo, nu jij!"
Het ging.
Thuisgekomen zei hij: "Vrouw, ik kan het."
"Zoo, dat is best."
"Roep nu Jan den knecht."
"Jan, hou de kaars vast, kijk goed. Ziezoo, nu jij!"
Het vrouwtje was er niet mee tevreden.
"Hou jij die kaars vast, kijk goed. Ziezoo, nu jij!"
Het ging.
Thuisgekomen zei hij: "Vrouw, ik kan het."
"Zoo, dat is best."
"Roep nu Jan den knecht."
"Jan, hou de kaars vast, kijk goed. Ziezoo, nu jij!"
Het vrouwtje was er niet mee tevreden.
Beschrijving
Onnozele pasgetrouwde man die niet weet hoe hij moet vrijen, gaat met zijn vader naar een bordeel waar hij eerst moet kijken hoe zijn vader het doet, waarna het zijn beurt is. Tegen zijn vrouw zegt hij dat hij het nu weet, laat de knecht komen, heeft gemeenschap met haar en zegt dan dat het de beurt van de knecht is.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
28 november 1899
Naam Overig in Tekst
Jan   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
