Hoofdtekst
Er was eens een cathechiseermeester in Amsterdam. Evenals ieder onderwijzer had hij ook domme leerlingen onder zijn gehoor.
Vooral een matroos verbitterde hem vaak hevig, zoodat hij tenslotte in woede uitriep: "Als dat zoo doorgaat, kom jij nog eens in de hel."
"O, da's niks," zei de matroos, "want daar ben ik wel meer geweest."
"Wat bedoel je?" zei de cathechiseermeester.
"O," zeid'ie, "ik was vroeger boereknecht buiten. Daar deed ik mijn werk goed en ik was zoo zindelijk en knappies. Op een goeden dag ging ik dood. Ik stap regelrecht naar den hemel toe. De deur stond open en het was er prachtig, maar er waren niet veel lui in. Petrus en nog zoo'n jongen hielden me echter tegen.
`Dit gaat zoo niet, maat,' zei Petrus.
En of ik al zei dat ik altijd een knappe boereknecht geweest was, het gaf me niks.
`Laat dan een advocaat voor me pleiten,' zei ik: `Is hier geen advocaat?'
`Welnee,' zei Petrus: `Man, die bennen in heel de hemel niet.'
`Affijn,' zeg ik, `dan gaan ik maar eens in de hel zoeken: daar zellen die genoeg wezen.'
Ik dus naar de hel.
`Wat kwam jij doen?' zei Belzebub.
Nou, ik vertelde hem dat ik werk in den hemel gezocht had en dat ik nou om een advocaat kwam.
`O,' zei Belzebub: `Werk kan je hier ook krijgen. Daar heb je zoo'n drokte niet om te maken.'
`Goed,' zei ik.
`Wat ben je geweest?' vroeg hij weer.
`Boereknecht,' zei ik.
`O jé,' zeid'ie, `die hebben we hier niet: maar je kan stoker worden.'
`Dan maar weer wat aars,' zei ik: `Dan maar stoker, mijn ook goed.'
Ik begon dus te stoken. Den eersten dag ging het goed. 's Nachts werkte ik door, want slaap of eten heb je niet noodig. Maar den tweeden dag kreeg ik achterlast.
`Hei, is daar niemand die effetjes me baantje wil overnemen?'
Maar er kwam niemand, want stoker weze is zoo'n happie niet.
`Hei,' roep ik tegen Belzebub, `neem jij me baantje zoolang er's waar, want ik moet zoo noodig met de broek af.'
`Da's goed,' zei Belzebub.
En ik op me zoek naar een secreet. Nou die is nergens daar te vinden, dus ik ging op 't lest zoo maar zitten. Maar toen ik gedaan had, wou ik us na gewoonte me gat afvegen, maar ik zag nergens een papiertje.
`Hei,' zeg ik tegen Belzebub, `is hier nergens een papiertje waar ik me k[ont] mee af ken vegen?'
`Welnee,' zei Belzebub, `papier is hier niet, want dat verschroeit hier dadelijk in de hitte. Maar daar in de hoek, daar hangt nog zoo een ouwe uitgedroogde ziel van een cathechiseermeester: veeg daar je gat maar mee af.'"
De cathechiseermeester zei niks meer.
Onderwerp
AT 1738 - The Dream: All Parsons in Hell   
ATU 1738 - The Dream: All Clergymen in Hell.   
Beschrijving
Bron
Motief
vgl. X438   
X312 - Beggar frightens lawyer into giving by telling him of all the lawyers in hell.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Broeker   
Petrus   
Belzebub   
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Plaats van Handelen
Amsterdam (Noord-Holland)   
Kloekenummer in tekst
E109p   
