Hoofdtekst
Daar leefde ders een hertog op een slot. Als de keizer hem dan opriep dan most ie komme. Zoo most ie ook er es optrekken, omdat er oproer was.
Nou had die heer een meissie en een jongetje. Hij zelf was ook zoo erg oud nog niet. Een man of acht zoude met de kinderen op het slot blijven. Nou had die heer ook een kindermeissie. Dat loopt met het jongetje te wandelen, maar zeker doordat ze niet al te veel erg er in had, opiens was het jongentje weg. Dat meissie durfde natuurlijk niet weer naar huis te kome, en zocht een eindje verderop een aare huur.
In die buurt waren roovers en die woonden in een grot onder den grond met een oude vrouw. Die roovers hadden het kind gestolen. Ze brochten het naar de grot, en omdat het zoo'n kleine beuker was, was het makkelijk om te zorgen dat hij nooit de grot uitkwam, zoodat ie op lest niks meer van de buitenwereld afwist.
De roovers gingen iedere avond op reis. Zoo verloopt er een paar jaar. De hertog weet natuurlijk nog van niks, want die is al den tijd niet thuis gewees. Maar wat wil het geval? Op een goeden dag raakt het ouwe mensch (de vrouw die op hem paste) in slaap. Van haar werd hij altijd raar behandeld. Eén man was er in de grot, die was goed voor hem. Die nam wel ers speelgoed mee en zei den wat of boomen of huizen of zuk slag was.
Nou, op die avond dan vindt de jongen, toe de vrouw sliep, de opening en komt uit de grond, net aan de andere kant dan waar zijn vaders slot stong. Deer komt hij een man teuge. Die vroeg natuurlijk weer hie vandaan kwam.
"Nou, daar zoo."
Die loopt met het jongentje weg en komt bij het kindermeissie dat hem dadelijk herkent. Zollie same op huis an. Met de man samen brengt ze dus het jongetje terecht. De heer zelf bleef vier jaar weg. Toen werd hem alles gezegd. Hij er op an natuurlijk. De roovers wieren gevangen genomen en op het kasteel gebracht. Deer werden ze allemaal opgehangen, behalve die eenen. Toe het jongetje zei, dat ie zoo goed voor hem geweest was, kreeg ie genade en mocht op het kasteel blijven wone. Dat was dan ook zoo zeer geen roover geweest.
(D. Schuurman)
Nou had die heer een meissie en een jongetje. Hij zelf was ook zoo erg oud nog niet. Een man of acht zoude met de kinderen op het slot blijven. Nou had die heer ook een kindermeissie. Dat loopt met het jongetje te wandelen, maar zeker doordat ze niet al te veel erg er in had, opiens was het jongentje weg. Dat meissie durfde natuurlijk niet weer naar huis te kome, en zocht een eindje verderop een aare huur.
In die buurt waren roovers en die woonden in een grot onder den grond met een oude vrouw. Die roovers hadden het kind gestolen. Ze brochten het naar de grot, en omdat het zoo'n kleine beuker was, was het makkelijk om te zorgen dat hij nooit de grot uitkwam, zoodat ie op lest niks meer van de buitenwereld afwist.
De roovers gingen iedere avond op reis. Zoo verloopt er een paar jaar. De hertog weet natuurlijk nog van niks, want die is al den tijd niet thuis gewees. Maar wat wil het geval? Op een goeden dag raakt het ouwe mensch (de vrouw die op hem paste) in slaap. Van haar werd hij altijd raar behandeld. Eén man was er in de grot, die was goed voor hem. Die nam wel ers speelgoed mee en zei den wat of boomen of huizen of zuk slag was.
Nou, op die avond dan vindt de jongen, toe de vrouw sliep, de opening en komt uit de grond, net aan de andere kant dan waar zijn vaders slot stong. Deer komt hij een man teuge. Die vroeg natuurlijk weer hie vandaan kwam.
"Nou, daar zoo."
Die loopt met het jongentje weg en komt bij het kindermeissie dat hem dadelijk herkent. Zollie same op huis an. Met de man samen brengt ze dus het jongetje terecht. De heer zelf bleef vier jaar weg. Toen werd hem alles gezegd. Hij er op an natuurlijk. De roovers wieren gevangen genomen en op het kasteel gebracht. Deer werden ze allemaal opgehangen, behalve die eenen. Toe het jongetje zei, dat ie zoo goed voor hem geweest was, kreeg ie genade en mocht op het kasteel blijven wone. Dat was dan ook zoo zeer geen roover geweest.
(D. Schuurman)
Onderwerp
SINAT 0999 - Andere Räubergeschichten   
Beschrijving
Zoontje van een hertog die in het leger zit, wordt door rovers weggenomen bij zijn kindermeisje, meegenomen naar hun ondergrondse grot en daar opgevoed. Als de oude oppas slaapt kan hij de uitgang vinden, gaat naar buiten en komt daar een man tegen die hem meeneemt naar het kindermeisje. Zij brengt hem weer thuis. Na thuiskomst van de hertog worden de rovers gepakt en opgehangen, behalve de man die het jongetje goed behandelde.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
[26 december 1901] in brief van 25 april 1902
Andere Räubergeschichten
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
