Hoofdtekst
Der was er's een heer en die had nag een paar centen (veel geld) en die trouwde met een jonge vrouw. Dat gong een poosie goed, maar toe docht ie, dat ze het met een ander hiew. Hij docht van met z'n klerk, dat hij loerde al ers op erlui, maar hij kon ze niet snappe. Nou, het spreekt vanzelf, dat ze een bedroefd léve hadde. Op lest kwam ie op een idee. Hij liet een grafkelder make. Een poosie hield ie zijn eigen ziek en toe dee die net of ie dood gong, dat hij wier begrave, dat spreekt.
Maar wat gebeurt? De grafbaas, of, nou ja, de doodgraver zel ik maar zegge, die had allang gemerkt dat het niet bij recht uit was, want dat er almaar foerazie in de grafkelder gebracht wier. Nou kon je van het kerkhof maar ien weg uit en dat was deur de poort. Toe ie goed en wel begrave was, hiel de grafbaas de wacht. En ja, 's avonds om elf uur, deer kwam sinjeur uit de kelder.
De aar op hem of en vraagt: "Wat mot je?"
"Ik gaan wandelen," zeit ie met een grafstem.
"O, das geen nieuwtje," zeit de aar, "maar zoo gauw al? Aars wachte ze altijd een dag of wat."
"Dat ken wel," zeit mijnheer, "maar ik wil der uit."
"Nee, nee," zeit de grafbaas, "dat beurt niet: iens dood, blijft dood, en die hier is, blijft hier."
Deer had de heer natuurlijk geen zin in, dat die begon met grof geschut en op 't lest ane 't bakkelaien. Deer had de grafbaas op erekend, dat die nam een dikke knuppel en sloeg hem hardstikke dood.
Zoo had ie dus op lest het loodje toch elége, en kon zijn weeuwtje verder een ongestoord rustig leve hebbe.
(D. Schuurman)
Maar wat gebeurt? De grafbaas, of, nou ja, de doodgraver zel ik maar zegge, die had allang gemerkt dat het niet bij recht uit was, want dat er almaar foerazie in de grafkelder gebracht wier. Nou kon je van het kerkhof maar ien weg uit en dat was deur de poort. Toe ie goed en wel begrave was, hiel de grafbaas de wacht. En ja, 's avonds om elf uur, deer kwam sinjeur uit de kelder.
De aar op hem of en vraagt: "Wat mot je?"
"Ik gaan wandelen," zeit ie met een grafstem.
"O, das geen nieuwtje," zeit de aar, "maar zoo gauw al? Aars wachte ze altijd een dag of wat."
"Dat ken wel," zeit mijnheer, "maar ik wil der uit."
"Nee, nee," zeit de grafbaas, "dat beurt niet: iens dood, blijft dood, en die hier is, blijft hier."
Deer had de heer natuurlijk geen zin in, dat die begon met grof geschut en op 't lest ane 't bakkelaien. Deer had de grafbaas op erekend, dat die nam een dikke knuppel en sloeg hem hardstikke dood.
Zoo had ie dus op lest het loodje toch elége, en kon zijn weeuwtje verder een ongestoord rustig leve hebbe.
(D. Schuurman)
Onderwerp
AT 1711* - A Wood-cutter does not Fear the Dead   
ATU 1711* - The Brave Shoemaker   
Beschrijving
Een rijke heer die zijn jonge vrouw van overspel verdenkt, maar niet kan betrappen, laat een grafkelder bouwen, doet alsof hij ziek en daarna dood is, en wordt begraven. De doodgraver heeft gemerkt dat er iets is, houdt de wacht, wil de man niet naar buiten laten en slaat hem dood.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
[6 januari 1902] in brief van 25 april 1902
A Wood-cutter does not Fear the Dead
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
