Hoofdtekst
Der was er es een koning en die had een dochter. Of die nou zoo lillijk was, of dat er wat aars an mankeerde, dat weet ik niet, maar ze wou graag trouwen en er kwam maar geen vrijer opdagen.
Dat begon er te vervelen, en daarom zei ze teugen er vader: "Je moste maar es een advertentie in de krant zetten."
Dat daan ie. Nou, der kwam niet veul op of, want gnappe jongens konne welders aar portuur krijgen.
Maar op lest was er een jonge, kromme schoenmaker die docht: ik ken het wel ers probeeren.
Hij gong er dan op of. Nou kwam ie onderweg een aap, zoo'n orang oetang zel ik maar zegge, teugen. Die had een spijker in zijn poot, en die haalde nie er uit. Een eindje verder zag ie een wolf: die zat met zijn poot in de spleet van een holle boom, dat hij kermde van de pijn.
"Ik zel je helpe, maat," zeidie, en hij maakte de wolf los.
Zoo kwam ie bij de koning.
Toe die die groote bochel zag, had ie er niks geen zinnigheid in, dat hij zei: "Je moet maar tot morgen wachten, maat."
En tot zijn bedienden zei die: "Breng hem maar waar ie hoort."
Dat die brachten num in een hok waar een groote beer was.
Nou had ie - dat heb ik vergeten te zeggen - eer ie van huis gong een dik koord meegenomen en een zak met suikerbolle en een zak met keisteentjes.
Toe ie in 't hok kwam, docht ie: da's lillijker, maar ik zel em wel lekker maken. Dat hij gooide ers een suikerbol naar de beer, en al weer der's een, dat de beer op lest schik in em kreeg en teugen num begon te praten.
"Weer hoal je die?" zei de beer.
"Die hew ik niet ekocht," zeidie, "die bak ik zelf."
"Zoo," zeit de beer, "hoe doen je dat?"
"Nou," zeit ie, "dat wil ik je wels leere. Gaan dan maar legge."Dat de beer gong leggen, en toe bond ie met het koord zijn poote vast, en begon hem met de keisteenen zoo hard op zijn bast te wrijven, dat het bloed er bij neer dreup.
"Hou maar op," zei de beer, "ik ken het al."
De volgende morgen kwammen ze kijke hoe het met em was, en ze keke raar op toe ie daar zoo gezond en wel zat.
"Kom maar mee, maat," zeit de bediende en die bracht em naar de koning.
Zoo, docht die, das mis eweest, maar ik zel hem wel krijge, dat hij zei teuge zijn dochter: "Gaan jij maar met hem in de tuin wandelen, den zel ik de wilde beesten los laten léte. Ze zelle jou niks doen, maar ze zelle hem wel te pakken neme."
Dat gong an. Eerst kwame ze de wolf tegen, maar die daan niks. Toe kwamme ze de aap teugen, maar die daan ook niks, en toe gonge ze met mekander op een bank zitten.
Nou, hij zoende der dus, en hij aaide der dan, en op lest haalde nie er zoo lekker an, dat ze der schik in kreeg. En zooals dat dan onder ons slag menschen ook gebeurt: toe haalde ze met mekaar een grappie uit.
Juist kwam toe de beer an. Die an de loop van heb ik jou deer, dat die op lest achter zijn assem was.
"Wat scheelt jou?" zei de wolf, die dat zag.
"O," zeit ie: "Die kerel van gister."
"Nou, wat zou dat?" zei de aap: "Die hebbe wij ook ezien, maar dat is een goede kerel."
"Nee," zeit de beer, "maar hij gaat zeker an 't suikerbolle bakken."
"Das vast," zei de wolf, "want dan heb ik de spleet ezien waar ik in ezéte heb."
"Ja," zeit de aap, "en ik heb de spijker ezien die in me poot ezéte heb."
Nou, het end van de grap was dat ze mekaar kregen.
(J. Lof)
(Aangezien dit verhaal een ouden trek heeft, heb ik de kraamheer over zijn verlegenheid om het te vertellen heen gebracht, en hoop dat er nog wat van terecht te brengen is.)
Dat begon er te vervelen, en daarom zei ze teugen er vader: "Je moste maar es een advertentie in de krant zetten."
Dat daan ie. Nou, der kwam niet veul op of, want gnappe jongens konne welders aar portuur krijgen.
Maar op lest was er een jonge, kromme schoenmaker die docht: ik ken het wel ers probeeren.
Hij gong er dan op of. Nou kwam ie onderweg een aap, zoo'n orang oetang zel ik maar zegge, teugen. Die had een spijker in zijn poot, en die haalde nie er uit. Een eindje verder zag ie een wolf: die zat met zijn poot in de spleet van een holle boom, dat hij kermde van de pijn.
"Ik zel je helpe, maat," zeidie, en hij maakte de wolf los.
Zoo kwam ie bij de koning.
Toe die die groote bochel zag, had ie er niks geen zinnigheid in, dat hij zei: "Je moet maar tot morgen wachten, maat."
En tot zijn bedienden zei die: "Breng hem maar waar ie hoort."
Dat die brachten num in een hok waar een groote beer was.
Nou had ie - dat heb ik vergeten te zeggen - eer ie van huis gong een dik koord meegenomen en een zak met suikerbolle en een zak met keisteentjes.
Toe ie in 't hok kwam, docht ie: da's lillijker, maar ik zel em wel lekker maken. Dat hij gooide ers een suikerbol naar de beer, en al weer der's een, dat de beer op lest schik in em kreeg en teugen num begon te praten.
"Weer hoal je die?" zei de beer.
"Die hew ik niet ekocht," zeidie, "die bak ik zelf."
"Zoo," zeit de beer, "hoe doen je dat?"
"Nou," zeit ie, "dat wil ik je wels leere. Gaan dan maar legge."Dat de beer gong leggen, en toe bond ie met het koord zijn poote vast, en begon hem met de keisteenen zoo hard op zijn bast te wrijven, dat het bloed er bij neer dreup.
"Hou maar op," zei de beer, "ik ken het al."
De volgende morgen kwammen ze kijke hoe het met em was, en ze keke raar op toe ie daar zoo gezond en wel zat.
"Kom maar mee, maat," zeit de bediende en die bracht em naar de koning.
Zoo, docht die, das mis eweest, maar ik zel hem wel krijge, dat hij zei teuge zijn dochter: "Gaan jij maar met hem in de tuin wandelen, den zel ik de wilde beesten los laten léte. Ze zelle jou niks doen, maar ze zelle hem wel te pakken neme."
Dat gong an. Eerst kwame ze de wolf tegen, maar die daan niks. Toe kwamme ze de aap teugen, maar die daan ook niks, en toe gonge ze met mekander op een bank zitten.
Nou, hij zoende der dus, en hij aaide der dan, en op lest haalde nie er zoo lekker an, dat ze der schik in kreeg. En zooals dat dan onder ons slag menschen ook gebeurt: toe haalde ze met mekaar een grappie uit.
Juist kwam toe de beer an. Die an de loop van heb ik jou deer, dat die op lest achter zijn assem was.
"Wat scheelt jou?" zei de wolf, die dat zag.
"O," zeit ie: "Die kerel van gister."
"Nou, wat zou dat?" zei de aap: "Die hebbe wij ook ezien, maar dat is een goede kerel."
"Nee," zeit de beer, "maar hij gaat zeker an 't suikerbolle bakken."
"Das vast," zei de wolf, "want dan heb ik de spleet ezien waar ik in ezéte heb."
"Ja," zeit de aap, "en ik heb de spijker ezien die in me poot ezéte heb."
Nou, het end van de grap was dat ze mekaar kregen.
(J. Lof)
(Aangezien dit verhaal een ouden trek heeft, heb ik de kraamheer over zijn verlegenheid om het te vertellen heen gebracht, en hoop dat er nog wat van terecht te brengen is.)
Onderwerp
AT 0151 - The man teaches bears to play the fiddle   
ATU 0151 - A Man Teaches a Wild Animal to Play the Fiddle   
Beschrijving
Een mismaakte schoenmaker reageert op een huwelijksadvertentie van een prinses die niet aan de man kan komen. Onderweg helpt hij een aap en een wolf. De koning vindt hem geen partij, en laat hem in een hok bij een beer zetten. Hij lokt de beer met snoep, en bindt hem vast met touw en bewerkt zijn lichaam tot bloedens met steentjes. De volgende morgen mag hij gaan wandelen met de prinses, maar de koning laat de aap, de wolf en de beer los, in de veronderstelling dat die hem te pakken gaan nemen. De aap en de wolf doen hem niets, de beer vlucht. Het paar raakt op elkaar gesteld, als ze met elkaar vrijen maken de dieren toespelingen met een seksuele inslag.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
26 juni 1911
Het verhaal eindigt met een aantal sexuele toespelingen, maar de grap komt niet duidelijk uit de verf.
The Man Teaches Bears to Play the Fiddle & Thorn Removed from Lion's Paw (Androcles and the Lion) AT 0156 & Claw in Split Tree AT 0038 & The Ogre Wants to Learn to Play AT 1159
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
