Hoofdtekst
Een aardig voorbeeld is nog het volgende. Toen N.N. gestorven was heeft men lang moeten zoeken, vóór men personen vond, die bereid waren het lijk af te leggen. Na afloop vroeg men aan haar, die zoo stoutmoedig geweest waren, of het niet moeilijk gegaan was. Men vreesde namenlijk dat het lijk bij de behandeling uit elkaar zou vallen, daar N.N. zóóveel gekold had, "dat zij zich bepaald stukkend gekold had." Een poos later kwam het huisje, dat zij bewoond had, te koop. Geen liefhebbers deden zich op; tot eindelijk iemand, minder "aantrekkelijk" dan de anderen, het voor een prijsje heeft overgenomen.
(C. Bakker: `Geesten- en heksengeloof in Noord-Holland boven het IJ', in: De Gids 1922, p.278.)
(C. Bakker: `Geesten- en heksengeloof in Noord-Holland boven het IJ', in: De Gids 1922, p.278.)
Beschrijving
Na het overlijden van een vrouw die als kol bekend staat is het moeilijk personen te vinden die haar willen afleggen. Aan de afleggers wordt gevraagd of het niet moeilijk was, want men dacht dat het lijk uit elkaar zou vallen.
Bron
C. Bakker: `Geesten- en heksengeloof in Noord-Holland boven het IJ', in: De Gids 1922, p.278.
Commentaar
1922
De vrouw die de kol aflegde was G. de Boer-Punt. Zie CBAK0443. In het artikel beweert Bakker dat de kol Mie Roele was.
Naam Overig in Tekst
N.N. [Mie Roele]   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
