Hoofdtekst
De koster en de dominee
In het dorp Godlinze woonden een koster en een dominee, die altijd met elkaar overhoop lagen. De koster was een lange kerel, zo mager als een geraamte. De dominee daarentegen was klein van stuk en droeg een bochel.
In die tijd was tabak nog iets nieuws en de dominee preekte tegen de kwalijke gevolgen van het roken. Met opzet liep de koster de hele dag te dampen uit een Goudse pijp.
De koster had een lange grijze baard, waar hij bedachtzaam over streek als hij meende een wijze opmerking te hebben gemaakt. De dominee kon die baard niet luchten of zien. Hij had zelf een zwart puntbaardje, dat recht vooruit ging staan als hij nijdig was. En hij werd al nijdig als hij het uitgestreken gezicht van de koster zag.
In één ding leken ze op elkaar, maar uitgerekend daarover kregen ze de grootste ruzie. De dominee droeg doordeweeks een driekante steek, die nogal groot was uitgevallen. En de koster haalde het in zijn hoofd zich net zo'n steek aan te schaffen, alleen een paar maten groter. Zijn kop zat er tot aan de oren toe in. Die steek was de druppel die de emmer deed overlopen.
Zij werden vijanden voor het leven.
Na jaren van tweedracht gebeurde er iets wat hen nader tot elkaar bracht. Zij gingen allebei dood. Als de een het voor de ander had kunnen laten, had hij dat vast gedaan.
De koster en de dominee kwamen naast elkaar op het kerkhof te liggen. Overdag, wel te verstaan. Want 's nachts komen ze uit hun graf. Dat is hun straf, omdat ze het tijdens hun leven zo slecht met elkaar konden vinden.
's Nachts dolen hun schimmen over de eenzame weg van Godlinze naar 't Zand. Al meer dan tweehonderd jaar kuieren ze daar met hun driekante steek op hun oren.
Het baardje van de kleine dominee steekt altijd recht vooruit, en de lange koster strijkt bedachtzaam over zijn lange grijze baard.
(Groningen)
In het dorp Godlinze woonden een koster en een dominee, die altijd met elkaar overhoop lagen. De koster was een lange kerel, zo mager als een geraamte. De dominee daarentegen was klein van stuk en droeg een bochel.
In die tijd was tabak nog iets nieuws en de dominee preekte tegen de kwalijke gevolgen van het roken. Met opzet liep de koster de hele dag te dampen uit een Goudse pijp.
De koster had een lange grijze baard, waar hij bedachtzaam over streek als hij meende een wijze opmerking te hebben gemaakt. De dominee kon die baard niet luchten of zien. Hij had zelf een zwart puntbaardje, dat recht vooruit ging staan als hij nijdig was. En hij werd al nijdig als hij het uitgestreken gezicht van de koster zag.
In één ding leken ze op elkaar, maar uitgerekend daarover kregen ze de grootste ruzie. De dominee droeg doordeweeks een driekante steek, die nogal groot was uitgevallen. En de koster haalde het in zijn hoofd zich net zo'n steek aan te schaffen, alleen een paar maten groter. Zijn kop zat er tot aan de oren toe in. Die steek was de druppel die de emmer deed overlopen.
Zij werden vijanden voor het leven.
Na jaren van tweedracht gebeurde er iets wat hen nader tot elkaar bracht. Zij gingen allebei dood. Als de een het voor de ander had kunnen laten, had hij dat vast gedaan.
De koster en de dominee kwamen naast elkaar op het kerkhof te liggen. Overdag, wel te verstaan. Want 's nachts komen ze uit hun graf. Dat is hun straf, omdat ze het tijdens hun leven zo slecht met elkaar konden vinden.
's Nachts dolen hun schimmen over de eenzame weg van Godlinze naar 't Zand. Al meer dan tweehonderd jaar kuieren ze daar met hun driekante steek op hun oren.
Het baardje van de kleine dominee steekt altijd recht vooruit, en de lange koster strijkt bedachtzaam over zijn lange grijze baard.
(Groningen)
Beschrijving
De dominee en de koster kunnen het niet goed met elkaar vinden. Ze ergeren zich voortdurend aan elkaar. De koster heeft bijvoorbeeld een lange grijze baard die de dominee niet kan luchten of zien. Hij heeft zelf een zwart puntbaardje. Als de koster dezelfde driekante steek aanschaft als de dominee, worden ze vijanden voor het leven. Ze komen naast elkaar op het kerkhof te liggen. 's Nachts komen ze uit hun graf. Als straf, omdat ze het tijdens hun leven zo slecht met elkaar hebben kunnen vinden, lopen ze samen als schimmen rond.
Bron
E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 71
Commentaar
1980
Bron: K. ter Laan: Groninger volksleven, Groningen 1959, pp.56-57
Naam Locatie in Tekst
Godlinze   
't Zand   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
