Hoofdtekst
DE MOOIE VISIOENE
Er was eens een smid, die lelijk in de nesten zat. Hij was zo arm als Job op de mestvaalt en zag geen uitkomst meer. Toen dacht hij: "Liever de korte pijn dan de lange."
Hij pakte zijn geweer en ging rechtstreeks naar het bos. Bij de eerste de beste boom bleef hij staan en zette de loop van het geweer aan zijn mond, toen hij ineens een stem hoorde, juist boven zijn hoofd, en die stem zei: "Smid, smid, wat ga je nu doen?"
Hij verschrok ervan en je hoeft niet te vragen of hij ook omhoog keek, maar daar zag hij God noch mens.Hij liep naar de tweede boom en zette de loop weer aan zijn mond, toen diezelfde stem riep:
"Smid, smid, wat ga je nu doen?"
Hij ging naar de derde boom en weer overkwam hem hetzelfde.
"Ben je van God gezonden, spreek, maar ben je door de duivel gezonden, verdwijn dan!"
Maar eensklaps stond er een heer voor hem, netjes gekleed, een flinke vent, maar met een bokspoot.
"Ik hoor dat je moeilijkheden hebt," zei die vreemde heer, "en ik zal je eruit halen, als je naar mijn pijpen wilt dansen."
"Laat horen," antwoordde de smid.
"Je zult een leven leiden als God in Frankrijk, maar op één voorwaarde. Omstreeks Lichtmis (2 februari) zal je vrouw een kind krijgen, een meisje. Als het twaalf jaar oud is, op de dag af, moet je mij het meisje brengen en er afstand van doen."
"Mij voor de kop schieten en mijn kind afstaan, 't is alle twee even slecht, maar ik zal van twee kwaden het beste kiezen, God leeft, die 't al geeft, wie weet wiens hoofd over twaalf jaar nog pijn doet."
Hij gaf de heer, die niemand anders was als de duivel, een klap op zijn hand om de koop te sluiten, maar zijn hand jeukte om de duivel een trap voor zijn gat te geven.
"Als je vannacht iets hoort, doe dan alsof je niets merkt," zei de smid tegen zijn vrouw, en zo lagen ze zo stil als muisjes, al hoorden ze de hele nacht lawaai in huis. Maar, mijn hemel wat keken ze 's morgens op toen ze uit hun bed kwamen. Er was niets meer te kort: eten, drinken, meubels van de beste soort... en bovendien een beurs met goudstukken op tafel.
Ze betaalden iedereen, geen mens die wat te kort kwam. Ze leefden als vissen in het water en met Lichtmis werden ze verblijd met een dochter.
"Hoe zullen we haar noemen?" vroeg de vrouw.
En de smid antwoordde, zo vlug als de bladeren vallen in de storm: "Visioene."
Dat was nu toch een kind als een zalm en 't mooiste snoetje, dat je je bedenken kunt. Van heinde en verre kwam iedereen ernaar kijken. Ze waren er zo trots op als pauwen.Visioene groeide als kool, maar naarmate ze groter werd, hoe zorgelijker de smid werd. Hij zat met zijn hoofd tussen zijn knieën te peinzen en te zuchten.
"Vader," zei Visioene, "waarom zucht je toch zo?"
"Dat is mijn gewoonte," zei hij. Anders was er niets uit hem te krijgen. Maar Visioene hield niet op met vragen en vragen - en op 't laatst kon hij niet meer zwijgen - op een keer kwam het hoge woord eruit: "Binnen twee jaar op Lichtmis moet ik je aan de duivel uitleveren, in het bos onder de derde boom," zei hij.
Hij dacht dat Visioene van schrik in de aarde zou zinken, maar hij was ernaast.
"Als het anders niet is! Daarover zou ik mij geen zorgen maken."
Ze was er zo eentje, die alles licht opvatte en ze liep snel naar de pastoor om hem alles te vertellen.
"Je moet daar geen uurtje minder om slapen," zei de pastoor, "je vader heeft wel je lichaam verkocht, maar je ziel kon hij niet verkopen." En hij gaf haar een boekje, waarin ze moest lezen in tijd van nood.
Precies op de dag dat Visioene twaalf jaar oud was, zei haar vader: "Ik ga eens een luchtje scheppen met Visioene." En hij zuchtte diep.
"Dat is een diepe zucht," zei zijn vrouw. "Maar man, het is vandaag geen zondag en Visioene is hier zo nodig als brood in de trommel."
"Schik je wat op," gebood hij Visioene, "haal je mooiste kleren uit de koffer, want nu komt het erop aan!" Hij moest zijn vrouw wel het hoofd bieden, en haar maar laten praten.
Je begrijpt wel dat Visioene geen zin had om in de muil van de wolf te lopen, maar zij wist dat haar vader zijn woord gestand moest doen.
Hij pakte zijn geweer, dat in de hoek van het vertrek stond en zij ging met hem mee.
"Zomaar er vandoor gaan," zei zijn vrouw, die dat niet zinde en zij werd zo kwaad dat ze rood aanliep.
"Slaat de schrik je niet in de benen?" vroeg haar vader aan Visioene. "Neen," zei ze. "Wat God bewaart, is wel bewaard."
In het bos bij de derde boom stond dezelfde heer met de bokspoot en op één, twee, drie veranderde hij zich in een vogel, greep Visioene met zijn klauwen en vloog met haar de lucht in.
Op hetzelfde ogenblik ging er een schot af en de smid lag morsdood.Visioene wist wat ze doen moest. Zij las in haar boekje en werd al zwaarder en zwaarder, zo vreselijk zwaar dat de vogel haar moest loslaten. Ze tuimelde uit de wolken neer op de grond. En het toeval wou dat ze in een put gevallen was, waar de eendeveren in uitgeschud werden, als men eenden at op het kasteel, want zij was op het erf van een kasteel terechtgekomen.
In dat kasteel woonde een toverheks en die zorgde verder voor Visioene. Daar had zij van alles wat haar hartje begeerde en zij mocht overal rondlopen en alle kamers binnengaan behalve in één vertrek.
Maar dat was nu juist de kamer, waartoe Visioene zich voelde aangetrokken en op een morgen, toen ze dacht dat de toverheks uit was, deed ze de deur open, die altijd als om haar te verleiden op een kier stond en wat zag ze daar: een riviertje waarin twee zwanen zwommen.
't Is wel de moeite waard om daar zo'n drukte over te maken, dacht Visioene en ze keerde zich om. En wat zag ze: de toverheks die achter haar stond.
"Nu moet je sterven, nieuwsgierige meid," zei de heks. Zij riep haar knechts, liet Visioene bijna al haar kleren uittrekken, zodat ze alleen haar hemdje aanhad, en beval de knechts: "Breng haar naar het bos en sla haar 'r hoofd af."
Maar Visioene was zo mooi, zo jong en zo tenger, dat de knechts medelijden met haar kregen en de een zei: "Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om haar dood te maken."
"Ik ook niet," zei de ander en ze kwamen heimelijk overeen om Visioene daar te laten.
"De wilde beesten zullen haar wel verscheuren," zeiden ze.
Maar zo spoedig zij hun hielen gelicht hadden, kwam er een hert. Het kon niet spreken, maar het had het verstand van een mens en door tekens beduidde het Visioene dat ze hem volgen moest. Het hert leefde in een spelonk en Visioene bleef bij hem. Toen ze de volgende dag uitgegaan was om planten, wortels en braambessen te zoeken, kwam er opeens een grote hond te voorschijn. Visioene was niet op haar gemak en uitte een kreet. Maar de grote hond snuffelde alleen maar aan haar benen. Hij liep weg als een pijl uit een boog en spoedig was hij er weer met een vet stuk vlees in zijn bek dat hij voor haar neerlegde.
Visioene was gek van honger en peuzelde het vlees op. Elke dag kwam nu de hond tot aan de ingang van de spelonk en bracht haar voedsel.
Het was de hond van een edelman, die met zijn moeder op een kasteel woonde en die edelman begreep maar niet waarom zijn hond met het eten wegliep. Eens liep hij achter de hond aan en kwam aan de spelonk. Hij zag een blote arm, die het vlees beetpakte, maar zo'n mooie arm had hij nog nooit gezien.
Hij riep: "Wie ben je? Kom eruit!"
"Ik heet Visioene," zei een stem uit de spelonk, "maar ik kan niet naar buiten komen, want ik ben poedelnaakt."
"Ik zal je mijn jagerskleed geven," zei hij, trok het uit en wierp het in het hol.
Toen Visioene buitenkwam, keek hij zijn ogen uit. Wat een mooi meisje, wat een mooi meisje, dacht hij bij zichzelf.
Hij bracht haar naar zijn moeder.
"Houd haar als dienstmeisje," zei hij.
Hij meende dat hij erg zou moeten aandringen om zijn moeder te overreden, maar zij zei: "Ik heb je nog nooit iets geweigerd en zal het ook nu niet doen."
Maar geen acht dagen later kwam hij met een ander verzoek.
"Moeder!," zei hij, "laat mij met Visioene trouwen!"
Hij vreesde dat hij erg zou moeten aandringen, en ze zag hem inderdaad aan met ogen, die vonken spatten, maar toch zei ze: "Ik heb je nog nooit iets geweigerd en zal het ook nu niet doen."
Toen hij nu met Visioene getrouwd was en zich gelukkig voelde als een koningszoon, brak er een oorlog uit en hij kreeg bericht dat hij moest meevechten.
Hij had niet veel trek om te gaan, maar als de koning spreekt, moet de mindere gehoorzamen. Hij omarmde voor de laatste keer Visioene en zijn moeder, huilde dat het niet mooi meer was, en vertrok.
Een tijdje later kreeg Visioene twee kinderen, een jongen en een meisje. Haar schoonmoeder pakte ze alle twee, deed ze een rood kleedje aan en legde ze in een schuitje, maakte het schuitje los en liet het met de stroom meedrijven.
"Geen rommel in huis," zei ze.
Ze schreef aan haar zoon dat Visioene twee kinderen gekregen had, en hen alle twee had gedood, omdat ze vond dat kinderen te veel last veroorzaakten en aan Visioene vertelde zij dat ze allebei gestorven waren.
Toen de edelman terugkwam, ging zijn moeder hem tegemoet en zei: "Eet en vergeet, maar spreek niet over die kinderen met Visioene."
Hij deed wat zijn moeder hem gezegd had.
Toen brak er echter opnieuw oorlog uit en hij moest weer weg. Visioene kreeg nog eens twee kinderen, een jongen en een meisje.
Schoonmoeder zei: "Geen klein gespuis in huis."
En ze pakte ze alle twee, trok ze een rood kleedje aan, legde ze in een schuitje, maakte het schuitje los en liet het met de stroom meedrijven.
"Ze zijn in de hemel, een grote last in een klein putje," zei ze aan Visioene. Ze schreef aan haar zoon dat Visioene twee kinderen had gekregen en ze allebei had doodgemaakt.
Toen werd de ridder ontzettend kwaad en hij schreef terug dat men Visioene een kopje kleiner moest maken en dat men, als een bewijs dat men zijn bevel had opgevolgd, haar tong moest bewaren, totdat hij terugkwam.
Zijn moeder, die heel rijk was en niet wilde dat men iets voor niets deed, gaf aan twee van haar getrouwste knechten ieder een pot vol goudstukken en zij brachten Visioene met koorden gebonden naar het bos.
"Laat mij mijn jong leven, laat mij mijn jong leven," smeekte Visioene voortdurend.
De knechten hadden geen hart van steen en je begrijpt, als je zo mooi bent als Visioene heb je een streepje voor.
Zij lieten zich overhalen en vroegen aan een schaapherder, die daar heel toevallig met zijn kudde voorbijkwam, of hij hen een van zijn schapen wilde afstaan.
"Die schapen behoren aan mijn meester," antwoordde hij, "ik zou hem moeten raadplegen over de verkoop."
Maar zij lieten hem een goudstuk zien. Jongens nog aan toe! Het geld was zo dichtbij en hij had zijn knipmes al opengedaan en op één, twee, drie lag er een schaap dood en werd geslacht.
De schaapherder stak het goudstuk op zak en ging verder, alsof hij nergens iets van wist. Een van de knechts sneed de tong uit van het schaap, maakte Visioene los en zei: "Maak dat je wegkomt."
En zij vluchtte weer in dezelfde spelonk.
Toen de oorlog voorbij was, kwam de edelman naar huis.
"'t Is gebeurd, zoals ik het wilde," zei hij, toen hij die tong boven zijn bed zag hangen.
"Loon naar werken," herhaalde hij.
En toch... hij kon geen vrede vinden. Hij werd zwaarmoedig en had nergens zin meer in.
Op een morgen maakte hij een schuitje los, ging erin zitten en liet zich met de stroom meedrijven, heel ver, heel ver, tot hij aan een bocht in de rivier kwam en steken bleef in het riet. Het was dicht bij het kasteel van een heer en daar zag hij op het erf vier kinderen spelen, twee jongens en twee meisjes, in het rood gekleed.
Kinderen zijn verlangend om iets nieuws te zien en ze kwamen alle vier naar hem kijken. Het was toch zeldzaam dat ze niet schuw waren, toen hij ze aansprak en de twee kleinsten zelfs op de arm nam.
Nu kwam er een heer uit het kasteel en nodigde hem uit om binnen te komen en hij kreeg goed te eten en te drinken.
"U moet mij op uw beurt komen bezoeken; de ene dienst is de andere waard," zei de edelman."
Mag ik ook meekomen?" vroeg de sprekende vogel, die ook op het kasteel was.
"Ja," zei hij.
Thuisgekomen zei hij tegen zijn moeder: "Moeder, wilt u een feestmaal bereiden, ik heb veel vrienden uitgenodigd."
"Ik heb je nooit iets geweigerd, en zal dat ook deze keer niet doen," was het antwoord.
Toen het eten gereed was, kwam de heer van het kasteel met de vier kinderen en de sprekende vogel, en die vogel had zijn bord aan tafel evenals de andere gasten.
De moeder keek nogal raar op toen ze die kinderen zag in het rood gekleed. Zij was niet erg op haar gemak en niet zonder reden. Hoor maar! Haar zoon zei: "Dat is toch onbegrijpelijk: ik ken die kinderen niet en heb toch groot verlangen naar ze."
"Dat geloof ik; het zijn uw kinderen," zei de sprekende vogel.
"Neen," zei hij, "want mijn kinderen zijn dood."
"Uw moeder heeft ze in een schuitje gezet en ze zijn bij ons aangedreven, en mijn meester, die geen kinderen had, heeft ze als de zijne grootgebracht."
"Is dat waar?" vroeg de edelman.
"Ja," zei de heer van het kasteel.
"Ach, leefde Visioene nu nog," verzuchtte de edelman.
"Zoek en u zult vinden," zei de sprekende vogel en op hetzelfde ogenblik pakte de hond een stuk vlees en vluchtte ermee naar het bos. Zijn meester liep hem achterna en bij de spelonk zag hij een blote arm naar buiten steken.
"Wie ben je? Kom naar buiten," zei hij.
"Ik heet Visioene, maar ik kan niet naar buiten komen, want ik ben poedelnaakt."
"Ik zal je mijn jagerskleed geven," zei hij, trok het uit, en wierp het in het hol.
Je kunt begrijpen hoe blij ze nu allemaal waren, behalve zijn moeder, want het kwam nu allemaal uit en zij werd in een kerker gesloten, waar ze van d'r leven geen zon of maan meer zag.
(Oost-Vlaanderen)
Er was eens een smid, die lelijk in de nesten zat. Hij was zo arm als Job op de mestvaalt en zag geen uitkomst meer. Toen dacht hij: "Liever de korte pijn dan de lange."
Hij pakte zijn geweer en ging rechtstreeks naar het bos. Bij de eerste de beste boom bleef hij staan en zette de loop van het geweer aan zijn mond, toen hij ineens een stem hoorde, juist boven zijn hoofd, en die stem zei: "Smid, smid, wat ga je nu doen?"
Hij verschrok ervan en je hoeft niet te vragen of hij ook omhoog keek, maar daar zag hij God noch mens.Hij liep naar de tweede boom en zette de loop weer aan zijn mond, toen diezelfde stem riep:
"Smid, smid, wat ga je nu doen?"
Hij ging naar de derde boom en weer overkwam hem hetzelfde.
"Ben je van God gezonden, spreek, maar ben je door de duivel gezonden, verdwijn dan!"
Maar eensklaps stond er een heer voor hem, netjes gekleed, een flinke vent, maar met een bokspoot.
"Ik hoor dat je moeilijkheden hebt," zei die vreemde heer, "en ik zal je eruit halen, als je naar mijn pijpen wilt dansen."
"Laat horen," antwoordde de smid.
"Je zult een leven leiden als God in Frankrijk, maar op één voorwaarde. Omstreeks Lichtmis (2 februari) zal je vrouw een kind krijgen, een meisje. Als het twaalf jaar oud is, op de dag af, moet je mij het meisje brengen en er afstand van doen."
"Mij voor de kop schieten en mijn kind afstaan, 't is alle twee even slecht, maar ik zal van twee kwaden het beste kiezen, God leeft, die 't al geeft, wie weet wiens hoofd over twaalf jaar nog pijn doet."
Hij gaf de heer, die niemand anders was als de duivel, een klap op zijn hand om de koop te sluiten, maar zijn hand jeukte om de duivel een trap voor zijn gat te geven.
"Als je vannacht iets hoort, doe dan alsof je niets merkt," zei de smid tegen zijn vrouw, en zo lagen ze zo stil als muisjes, al hoorden ze de hele nacht lawaai in huis. Maar, mijn hemel wat keken ze 's morgens op toen ze uit hun bed kwamen. Er was niets meer te kort: eten, drinken, meubels van de beste soort... en bovendien een beurs met goudstukken op tafel.
Ze betaalden iedereen, geen mens die wat te kort kwam. Ze leefden als vissen in het water en met Lichtmis werden ze verblijd met een dochter.
"Hoe zullen we haar noemen?" vroeg de vrouw.
En de smid antwoordde, zo vlug als de bladeren vallen in de storm: "Visioene."
Dat was nu toch een kind als een zalm en 't mooiste snoetje, dat je je bedenken kunt. Van heinde en verre kwam iedereen ernaar kijken. Ze waren er zo trots op als pauwen.Visioene groeide als kool, maar naarmate ze groter werd, hoe zorgelijker de smid werd. Hij zat met zijn hoofd tussen zijn knieën te peinzen en te zuchten.
"Vader," zei Visioene, "waarom zucht je toch zo?"
"Dat is mijn gewoonte," zei hij. Anders was er niets uit hem te krijgen. Maar Visioene hield niet op met vragen en vragen - en op 't laatst kon hij niet meer zwijgen - op een keer kwam het hoge woord eruit: "Binnen twee jaar op Lichtmis moet ik je aan de duivel uitleveren, in het bos onder de derde boom," zei hij.
Hij dacht dat Visioene van schrik in de aarde zou zinken, maar hij was ernaast.
"Als het anders niet is! Daarover zou ik mij geen zorgen maken."
Ze was er zo eentje, die alles licht opvatte en ze liep snel naar de pastoor om hem alles te vertellen.
"Je moet daar geen uurtje minder om slapen," zei de pastoor, "je vader heeft wel je lichaam verkocht, maar je ziel kon hij niet verkopen." En hij gaf haar een boekje, waarin ze moest lezen in tijd van nood.
Precies op de dag dat Visioene twaalf jaar oud was, zei haar vader: "Ik ga eens een luchtje scheppen met Visioene." En hij zuchtte diep.
"Dat is een diepe zucht," zei zijn vrouw. "Maar man, het is vandaag geen zondag en Visioene is hier zo nodig als brood in de trommel."
"Schik je wat op," gebood hij Visioene, "haal je mooiste kleren uit de koffer, want nu komt het erop aan!" Hij moest zijn vrouw wel het hoofd bieden, en haar maar laten praten.
Je begrijpt wel dat Visioene geen zin had om in de muil van de wolf te lopen, maar zij wist dat haar vader zijn woord gestand moest doen.
Hij pakte zijn geweer, dat in de hoek van het vertrek stond en zij ging met hem mee.
"Zomaar er vandoor gaan," zei zijn vrouw, die dat niet zinde en zij werd zo kwaad dat ze rood aanliep.
"Slaat de schrik je niet in de benen?" vroeg haar vader aan Visioene. "Neen," zei ze. "Wat God bewaart, is wel bewaard."
In het bos bij de derde boom stond dezelfde heer met de bokspoot en op één, twee, drie veranderde hij zich in een vogel, greep Visioene met zijn klauwen en vloog met haar de lucht in.
Op hetzelfde ogenblik ging er een schot af en de smid lag morsdood.Visioene wist wat ze doen moest. Zij las in haar boekje en werd al zwaarder en zwaarder, zo vreselijk zwaar dat de vogel haar moest loslaten. Ze tuimelde uit de wolken neer op de grond. En het toeval wou dat ze in een put gevallen was, waar de eendeveren in uitgeschud werden, als men eenden at op het kasteel, want zij was op het erf van een kasteel terechtgekomen.
In dat kasteel woonde een toverheks en die zorgde verder voor Visioene. Daar had zij van alles wat haar hartje begeerde en zij mocht overal rondlopen en alle kamers binnengaan behalve in één vertrek.
Maar dat was nu juist de kamer, waartoe Visioene zich voelde aangetrokken en op een morgen, toen ze dacht dat de toverheks uit was, deed ze de deur open, die altijd als om haar te verleiden op een kier stond en wat zag ze daar: een riviertje waarin twee zwanen zwommen.
't Is wel de moeite waard om daar zo'n drukte over te maken, dacht Visioene en ze keerde zich om. En wat zag ze: de toverheks die achter haar stond.
"Nu moet je sterven, nieuwsgierige meid," zei de heks. Zij riep haar knechts, liet Visioene bijna al haar kleren uittrekken, zodat ze alleen haar hemdje aanhad, en beval de knechts: "Breng haar naar het bos en sla haar 'r hoofd af."
Maar Visioene was zo mooi, zo jong en zo tenger, dat de knechts medelijden met haar kregen en de een zei: "Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om haar dood te maken."
"Ik ook niet," zei de ander en ze kwamen heimelijk overeen om Visioene daar te laten.
"De wilde beesten zullen haar wel verscheuren," zeiden ze.
Maar zo spoedig zij hun hielen gelicht hadden, kwam er een hert. Het kon niet spreken, maar het had het verstand van een mens en door tekens beduidde het Visioene dat ze hem volgen moest. Het hert leefde in een spelonk en Visioene bleef bij hem. Toen ze de volgende dag uitgegaan was om planten, wortels en braambessen te zoeken, kwam er opeens een grote hond te voorschijn. Visioene was niet op haar gemak en uitte een kreet. Maar de grote hond snuffelde alleen maar aan haar benen. Hij liep weg als een pijl uit een boog en spoedig was hij er weer met een vet stuk vlees in zijn bek dat hij voor haar neerlegde.
Visioene was gek van honger en peuzelde het vlees op. Elke dag kwam nu de hond tot aan de ingang van de spelonk en bracht haar voedsel.
Het was de hond van een edelman, die met zijn moeder op een kasteel woonde en die edelman begreep maar niet waarom zijn hond met het eten wegliep. Eens liep hij achter de hond aan en kwam aan de spelonk. Hij zag een blote arm, die het vlees beetpakte, maar zo'n mooie arm had hij nog nooit gezien.
Hij riep: "Wie ben je? Kom eruit!"
"Ik heet Visioene," zei een stem uit de spelonk, "maar ik kan niet naar buiten komen, want ik ben poedelnaakt."
"Ik zal je mijn jagerskleed geven," zei hij, trok het uit en wierp het in het hol.
Toen Visioene buitenkwam, keek hij zijn ogen uit. Wat een mooi meisje, wat een mooi meisje, dacht hij bij zichzelf.
Hij bracht haar naar zijn moeder.
"Houd haar als dienstmeisje," zei hij.
Hij meende dat hij erg zou moeten aandringen om zijn moeder te overreden, maar zij zei: "Ik heb je nog nooit iets geweigerd en zal het ook nu niet doen."
Maar geen acht dagen later kwam hij met een ander verzoek.
"Moeder!," zei hij, "laat mij met Visioene trouwen!"
Hij vreesde dat hij erg zou moeten aandringen, en ze zag hem inderdaad aan met ogen, die vonken spatten, maar toch zei ze: "Ik heb je nog nooit iets geweigerd en zal het ook nu niet doen."
Toen hij nu met Visioene getrouwd was en zich gelukkig voelde als een koningszoon, brak er een oorlog uit en hij kreeg bericht dat hij moest meevechten.
Hij had niet veel trek om te gaan, maar als de koning spreekt, moet de mindere gehoorzamen. Hij omarmde voor de laatste keer Visioene en zijn moeder, huilde dat het niet mooi meer was, en vertrok.
Een tijdje later kreeg Visioene twee kinderen, een jongen en een meisje. Haar schoonmoeder pakte ze alle twee, deed ze een rood kleedje aan en legde ze in een schuitje, maakte het schuitje los en liet het met de stroom meedrijven.
"Geen rommel in huis," zei ze.
Ze schreef aan haar zoon dat Visioene twee kinderen gekregen had, en hen alle twee had gedood, omdat ze vond dat kinderen te veel last veroorzaakten en aan Visioene vertelde zij dat ze allebei gestorven waren.
Toen de edelman terugkwam, ging zijn moeder hem tegemoet en zei: "Eet en vergeet, maar spreek niet over die kinderen met Visioene."
Hij deed wat zijn moeder hem gezegd had.
Toen brak er echter opnieuw oorlog uit en hij moest weer weg. Visioene kreeg nog eens twee kinderen, een jongen en een meisje.
Schoonmoeder zei: "Geen klein gespuis in huis."
En ze pakte ze alle twee, trok ze een rood kleedje aan, legde ze in een schuitje, maakte het schuitje los en liet het met de stroom meedrijven.
"Ze zijn in de hemel, een grote last in een klein putje," zei ze aan Visioene. Ze schreef aan haar zoon dat Visioene twee kinderen had gekregen en ze allebei had doodgemaakt.
Toen werd de ridder ontzettend kwaad en hij schreef terug dat men Visioene een kopje kleiner moest maken en dat men, als een bewijs dat men zijn bevel had opgevolgd, haar tong moest bewaren, totdat hij terugkwam.
Zijn moeder, die heel rijk was en niet wilde dat men iets voor niets deed, gaf aan twee van haar getrouwste knechten ieder een pot vol goudstukken en zij brachten Visioene met koorden gebonden naar het bos.
"Laat mij mijn jong leven, laat mij mijn jong leven," smeekte Visioene voortdurend.
De knechten hadden geen hart van steen en je begrijpt, als je zo mooi bent als Visioene heb je een streepje voor.
Zij lieten zich overhalen en vroegen aan een schaapherder, die daar heel toevallig met zijn kudde voorbijkwam, of hij hen een van zijn schapen wilde afstaan.
"Die schapen behoren aan mijn meester," antwoordde hij, "ik zou hem moeten raadplegen over de verkoop."
Maar zij lieten hem een goudstuk zien. Jongens nog aan toe! Het geld was zo dichtbij en hij had zijn knipmes al opengedaan en op één, twee, drie lag er een schaap dood en werd geslacht.
De schaapherder stak het goudstuk op zak en ging verder, alsof hij nergens iets van wist. Een van de knechts sneed de tong uit van het schaap, maakte Visioene los en zei: "Maak dat je wegkomt."
En zij vluchtte weer in dezelfde spelonk.
Toen de oorlog voorbij was, kwam de edelman naar huis.
"'t Is gebeurd, zoals ik het wilde," zei hij, toen hij die tong boven zijn bed zag hangen.
"Loon naar werken," herhaalde hij.
En toch... hij kon geen vrede vinden. Hij werd zwaarmoedig en had nergens zin meer in.
Op een morgen maakte hij een schuitje los, ging erin zitten en liet zich met de stroom meedrijven, heel ver, heel ver, tot hij aan een bocht in de rivier kwam en steken bleef in het riet. Het was dicht bij het kasteel van een heer en daar zag hij op het erf vier kinderen spelen, twee jongens en twee meisjes, in het rood gekleed.
Kinderen zijn verlangend om iets nieuws te zien en ze kwamen alle vier naar hem kijken. Het was toch zeldzaam dat ze niet schuw waren, toen hij ze aansprak en de twee kleinsten zelfs op de arm nam.
Nu kwam er een heer uit het kasteel en nodigde hem uit om binnen te komen en hij kreeg goed te eten en te drinken.
"U moet mij op uw beurt komen bezoeken; de ene dienst is de andere waard," zei de edelman."
Mag ik ook meekomen?" vroeg de sprekende vogel, die ook op het kasteel was.
"Ja," zei hij.
Thuisgekomen zei hij tegen zijn moeder: "Moeder, wilt u een feestmaal bereiden, ik heb veel vrienden uitgenodigd."
"Ik heb je nooit iets geweigerd, en zal dat ook deze keer niet doen," was het antwoord.
Toen het eten gereed was, kwam de heer van het kasteel met de vier kinderen en de sprekende vogel, en die vogel had zijn bord aan tafel evenals de andere gasten.
De moeder keek nogal raar op toen ze die kinderen zag in het rood gekleed. Zij was niet erg op haar gemak en niet zonder reden. Hoor maar! Haar zoon zei: "Dat is toch onbegrijpelijk: ik ken die kinderen niet en heb toch groot verlangen naar ze."
"Dat geloof ik; het zijn uw kinderen," zei de sprekende vogel.
"Neen," zei hij, "want mijn kinderen zijn dood."
"Uw moeder heeft ze in een schuitje gezet en ze zijn bij ons aangedreven, en mijn meester, die geen kinderen had, heeft ze als de zijne grootgebracht."
"Is dat waar?" vroeg de edelman.
"Ja," zei de heer van het kasteel.
"Ach, leefde Visioene nu nog," verzuchtte de edelman.
"Zoek en u zult vinden," zei de sprekende vogel en op hetzelfde ogenblik pakte de hond een stuk vlees en vluchtte ermee naar het bos. Zijn meester liep hem achterna en bij de spelonk zag hij een blote arm naar buiten steken.
"Wie ben je? Kom naar buiten," zei hij.
"Ik heet Visioene, maar ik kan niet naar buiten komen, want ik ben poedelnaakt."
"Ik zal je mijn jagerskleed geven," zei hij, trok het uit, en wierp het in het hol.
Je kunt begrijpen hoe blij ze nu allemaal waren, behalve zijn moeder, want het kwam nu allemaal uit en zij werd in een kerker gesloten, waar ze van d'r leven geen zon of maan meer zag.
(Oost-Vlaanderen)
Beschrijving
Een meisje wordt door haar vader aan de duivel uitgeleverd. De duivel vliegt met het meisje weg. Doordat ze begint te lezen wordt ze steeds zwaarder. De duivel moet haar laten vallen. Ze komt terecht in een put van een kasteel waarin een toverheks woont. De heks verbiedt het meisje een bepaalde kamer binnen te gaan. Als ze dat op een dag toch doet, moet het meisje om haar nieuwsgierigheid sterven. De knechts die haar moeten doden, krijgen medelijden. Ze laten haar in het bos achter. Het meisje schuilt in een spelonk. Ze krijgt iedere dag eten van een hond. Een jager vindt haar. Ze trouwen. De oorlog breekt uit en de man moet naar het slagveld. Het meisje krijgt twee kinderen van hem. De schoonmoeder legt de kinderen in een rood jurkje en laat ze in een schuitje met de rivier meedrijven. Aan het meisje vertelt ze dat de kinderen gestorven zijn. Dit gebeurt een tweede keer, nadat de man is teruggekeert. Aan haar zoon schrijft de schoonmoeder dat het meisje de kinderen heeft gedood. De man geeft opdracht het meisje te doden. De knechts krijgen medelijden. De man keert terug naar huis, gaat wandelen en treft vier kinderen in een rood hesje. Hij voelt zich meteen vertrouwd met ze. Een vogel vertelt hem dat het zijn eigen kinderen zijn en dat het meisje nog leeft. Hij gaat haar zoeken en vindt haar in de spelonk. De schoonmoeder wordt gestraft.
Bron
J.R.W. Sinninghe:Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 57-64
Motief
C611 - Forbidden chamber.   
N724 - Hunter accidentally discovers beautiful girl being secretly reared in a cave.   
S322.6 - Jealous mother-in-law and sisters cast woman’s children forth.   
Naam Overig in Tekst
Job   
God   
Lichtmis   
Visioene   
Naam Locatie in Tekst
Frankrijk   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
