Hoofdtekst
KLEIN DUIMPJE
Er waren eens een man en een vrouw, die geen kinderen hadden en ze toch zo graag zouden hebben. Dikwijls zeiden ze tot elkaar: "Ach, hadden we maar een kind, al was het niet groter dan een duim. Wat zouden we er blij mee zijn."
Ten laatste werd hun wens vervuld en wel in letterlijke zin; ze kregen een jongen, die zo klein bleef als een duim en daarom Klein Duimpje werd genoemd.
Op een keer moesten ze verhuizen en alles werd op een wagen gepakt. Voor de veiligheid hadden ze Klein Duimpje ook ingepakt en wel in een spanen doos, omdat ze bang waren dat hij anders in de drukte weg zou raken. Maar onderweg viel de doos door het schokken van de zwaar beladen wagen met Duimpje erin op de weg, zonder dat iemand het merkte. De doos had er nog niet lang gelegen, toen er twee gauwdieven langs kwamen.
"Daar ligt een doos op de weg!" riep de een tegen de ander. "Zullen we hem eens openmaken en kijken of er soms ook iets in is, dat we gebruiken kunnen?"
"Als je het durft! " riep Klein Duimpje vanuit de doos.
Maar de man durfde wel en toen hij Duimpje zag, zei hij: "Dat is er een, die zich wel driemaal in een lampeglas kan omdraaien; hij kon ons wel eens te pas komen bij het zaakje, dat we op touw hebben gezet."
"Daar kon je wel gelijk in hebben," zei zijn kameraad.
"Hij is tenminste klein genoeg en ziet er nogal slim uit ook."
En toen vroegen ze Duimpje of hij met hen uit stelen wilde gaan.
"Ja," zei Duimpje, "dat is tenminste weer eens iets anders."
En toen gingen ze met z'n drieën naar een boerderij, om daar kaas te stelen uit de kelder, waar de melk gekarnd wordt.
Voor het raam van de kelder zaten ijzeren tralies, maar dat was voor Duimpje geen bezwaar; die kon er gemakkelijk tussendoor. De gauwdieven zetten hem op de vensterbank en hij kwam tussen de tralies door naar binnen en belandde in de kelder.
Daar gekomen, riep hij luid: "Wat voor kaas moeten jullie hebben, groene of witte!"
"Schreeuwlelijk, wil je je wel eens stilhouden!" riepen de kerels, maar Klein Duimpje riep nog eens: "Wat voor kaas moeten jullie hebben, groene of witte!"
Door dat geroep werd de boer wakker en sloeg alarm en de gauwdieven, die begrepen dat hun kans verkeken was, gingen er vandoor.
Klein Duimpje verschool zich onder het voer, dat voor de koe bestemd was. Toen de boer in de kelder kwam, zag hij daar niets verdachts en ging weer weg en Duimpje viel weldra in slaap.
De volgende morgen kwam de knecht om de koeien te voeren. Hij nam een vork vol en gooide dat voor een van de koeien neer. De koe at de hele bos op en slikte Klein Duimpje meteen mee naar binnen.
Niet lang daarna kwam de meid om de koeien te melken en toen ze onder de koe zat, die Duimpje had doorgeslikt, begon die te zingen:
"Strip, strap, strol,
Geef de meid een emmer vol!"
De meid schrok en dorst geen koe te melken, die zingen kon en liep hard weg om de knecht te halen. Toen de knecht kwam, begon Duimpje weer te zingen:
"Strip, strap, strol,
Geef de knecht een emmer vol!"
De knecht had het ook niet op een zingende koe begrepen en ging op zijn beurt weg, om de boerin te halen. En weer zong Duimpje:
"Strip, strap, strol,
Geef de vrouw een emmer vol!"
Toen moest de boer er aan te pas komen, maar die begreep al evenmin, waarom de koe zong:
"Strip, strap, strol,
Geef de boer een emmer vol!"
Hij dacht dat het dier betoverd was en beval het te slachten. Dat gebeurde. De koe werd geslacht en er werd een stuk afgesneden, dat de volgende dag gebraden moest worden.
Toevallig was daar de maag van de koe bij, waar Klein Duimpje inzat, en die voelde er niets voor om gebraden en opgegeten te worden.
Daarom begon hij te schreeuwen: "Nu zullen ze me opeten! Nu zullen ze me opeten!"
De boer lustte geen vlees dat schreeuwen kon, vooral niet, omdat het kwam van de koe die zingen kon, en de anderen lustten het evenmin.
"Geef dat stuk vlees maar aan een bedelaar," zei de boer en toen er een bedelaar kwam, kreeg hij het vlees mee in zijn bedelzak.
Toen de bedelaar verder trok, begon Duimpje weer te schreeuwen: "Nu zullen ze me opeten! Nu zullen ze me opeten!"
Hoe 'n trek hij anders in een stuk vlees had, dat was de bedelaar te machtig. Hij gaf het aan een hazewind, die juist voorbij kwam gelopen.
Die was er niet vies van, schreeuwen of niet, het ging naar binnen met huid en haar.
Het wordt er niet beter op, dacht Klein Duimpje: toen ik uit de koe kwam, moest ik eerst in een boerenmaag, toen in een bedelaarsmaag en nu zit ik in een hondemaag!
En hij riep zo hard hij kon: "Rrt, Rrt!"
De hazewind meende, dat zijn baas hem achter een haas aanstuurde en begon te lopen, zo hard hij kon. Maar er was in geen velden of wegen een haas te bekennen en de hond liep en liep tot hij neerviel. Toen kroop Duimpje haast-je-rep-je uit zijn achterdeur en zocht het huis van zijn ouders weer op.
(Groningen)
Er waren eens een man en een vrouw, die geen kinderen hadden en ze toch zo graag zouden hebben. Dikwijls zeiden ze tot elkaar: "Ach, hadden we maar een kind, al was het niet groter dan een duim. Wat zouden we er blij mee zijn."
Ten laatste werd hun wens vervuld en wel in letterlijke zin; ze kregen een jongen, die zo klein bleef als een duim en daarom Klein Duimpje werd genoemd.
Op een keer moesten ze verhuizen en alles werd op een wagen gepakt. Voor de veiligheid hadden ze Klein Duimpje ook ingepakt en wel in een spanen doos, omdat ze bang waren dat hij anders in de drukte weg zou raken. Maar onderweg viel de doos door het schokken van de zwaar beladen wagen met Duimpje erin op de weg, zonder dat iemand het merkte. De doos had er nog niet lang gelegen, toen er twee gauwdieven langs kwamen.
"Daar ligt een doos op de weg!" riep de een tegen de ander. "Zullen we hem eens openmaken en kijken of er soms ook iets in is, dat we gebruiken kunnen?"
"Als je het durft! " riep Klein Duimpje vanuit de doos.
Maar de man durfde wel en toen hij Duimpje zag, zei hij: "Dat is er een, die zich wel driemaal in een lampeglas kan omdraaien; hij kon ons wel eens te pas komen bij het zaakje, dat we op touw hebben gezet."
"Daar kon je wel gelijk in hebben," zei zijn kameraad.
"Hij is tenminste klein genoeg en ziet er nogal slim uit ook."
En toen vroegen ze Duimpje of hij met hen uit stelen wilde gaan.
"Ja," zei Duimpje, "dat is tenminste weer eens iets anders."
En toen gingen ze met z'n drieën naar een boerderij, om daar kaas te stelen uit de kelder, waar de melk gekarnd wordt.
Voor het raam van de kelder zaten ijzeren tralies, maar dat was voor Duimpje geen bezwaar; die kon er gemakkelijk tussendoor. De gauwdieven zetten hem op de vensterbank en hij kwam tussen de tralies door naar binnen en belandde in de kelder.
Daar gekomen, riep hij luid: "Wat voor kaas moeten jullie hebben, groene of witte!"
"Schreeuwlelijk, wil je je wel eens stilhouden!" riepen de kerels, maar Klein Duimpje riep nog eens: "Wat voor kaas moeten jullie hebben, groene of witte!"
Door dat geroep werd de boer wakker en sloeg alarm en de gauwdieven, die begrepen dat hun kans verkeken was, gingen er vandoor.
Klein Duimpje verschool zich onder het voer, dat voor de koe bestemd was. Toen de boer in de kelder kwam, zag hij daar niets verdachts en ging weer weg en Duimpje viel weldra in slaap.
De volgende morgen kwam de knecht om de koeien te voeren. Hij nam een vork vol en gooide dat voor een van de koeien neer. De koe at de hele bos op en slikte Klein Duimpje meteen mee naar binnen.
Niet lang daarna kwam de meid om de koeien te melken en toen ze onder de koe zat, die Duimpje had doorgeslikt, begon die te zingen:
"Strip, strap, strol,
Geef de meid een emmer vol!"
De meid schrok en dorst geen koe te melken, die zingen kon en liep hard weg om de knecht te halen. Toen de knecht kwam, begon Duimpje weer te zingen:
"Strip, strap, strol,
Geef de knecht een emmer vol!"
De knecht had het ook niet op een zingende koe begrepen en ging op zijn beurt weg, om de boerin te halen. En weer zong Duimpje:
"Strip, strap, strol,
Geef de vrouw een emmer vol!"
Toen moest de boer er aan te pas komen, maar die begreep al evenmin, waarom de koe zong:
"Strip, strap, strol,
Geef de boer een emmer vol!"
Hij dacht dat het dier betoverd was en beval het te slachten. Dat gebeurde. De koe werd geslacht en er werd een stuk afgesneden, dat de volgende dag gebraden moest worden.
Toevallig was daar de maag van de koe bij, waar Klein Duimpje inzat, en die voelde er niets voor om gebraden en opgegeten te worden.
Daarom begon hij te schreeuwen: "Nu zullen ze me opeten! Nu zullen ze me opeten!"
De boer lustte geen vlees dat schreeuwen kon, vooral niet, omdat het kwam van de koe die zingen kon, en de anderen lustten het evenmin.
"Geef dat stuk vlees maar aan een bedelaar," zei de boer en toen er een bedelaar kwam, kreeg hij het vlees mee in zijn bedelzak.
Toen de bedelaar verder trok, begon Duimpje weer te schreeuwen: "Nu zullen ze me opeten! Nu zullen ze me opeten!"
Hoe 'n trek hij anders in een stuk vlees had, dat was de bedelaar te machtig. Hij gaf het aan een hazewind, die juist voorbij kwam gelopen.
Die was er niet vies van, schreeuwen of niet, het ging naar binnen met huid en haar.
Het wordt er niet beter op, dacht Klein Duimpje: toen ik uit de koe kwam, moest ik eerst in een boerenmaag, toen in een bedelaarsmaag en nu zit ik in een hondemaag!
En hij riep zo hard hij kon: "Rrt, Rrt!"
De hazewind meende, dat zijn baas hem achter een haas aanstuurde en begon te lopen, zo hard hij kon. Maar er was in geen velden of wegen een haas te bekennen en de hond liep en liep tot hij neerviel. Toen kroop Duimpje haast-je-rep-je uit zijn achterdeur en zocht het huis van zijn ouders weer op.
(Groningen)
Onderwerp
AT 0700 - Tom Thumb   
ATU 0700 - Thumbling   
Beschrijving
Een echtpaar krijgt een heel klein mannetje. Ze verhuizen en raken het mannetje kwijt. Drie dieven vinden hem en willen dat hij hen helpt bij het inbreken. Ze stelen kaas. Het mannetje vraagt luid welke kaas ze willen hebben. De boer komt gealarmeerd kijken. De dieven vluchten weg. Het mannetje kan zich verbergen. Hij wordt opgegeten door een koe en komt in de maag terecht. Daar zingt hij. De knecht en de meid denken dat de koe betoverd is. De boer slacht de koe. Dan horen ze weer een stem. De boer geeft het vlees weg aan een bedelaar. Die geeft het aan een hond die het het vlees opeet. De hond hoort een geluid en denkt dat zijn baasje hem roept. Het mannetje komt er via acherwerk van de hond weer uit. Hij gaat weer terug naar zijn ouders.
Bron
J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 120-122
Motief
F535.1 - Thumbling.   
F911.3.1 - Thumbling swallowed by animals.   
F913 - Victims rescued from swallower‘s belly.   
Commentaar
Tom Thumb
Naam Overig in Tekst
Klein Duimpje.   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
