Hoofdtekst
VAN DE SMID EN DE KABOUTERMANNETJES
Er was eens een jonge smid die goed werkte, maar toch nooit zoveel kon overhouden, dat hij trouwen kon.
Zijn meisje woonde nogal ver van het dorp af in een van de gehuchten en 's avonds ging hij haar vaak bezoeken.
Op een avond dat het nogal laat geworden was, haastte hij zich naar huis langs een binnenweggetje.
Ergens moest hij een beek oversteken, die langs een berg liep. Toen hij over het water wilde springen, zag hij opeens aan de overkant een heleboel kabouters, die aan het zingen en aan het dansen waren. Zij wierpen gedurig hun mutsen omhoog en vingen ze dan weer op hun tenen op.
Klaas, zo heette de smid, schrok erg, toen hij hen zag en verborg zich vlug achter een doornstruik, die in de spleet van de berg groeide.
Na een tijdje werd er een teken gegeven en alle mannetjes verdwenen door spleten in het binnenste van de berg. Een kaboutermannetje bleef nog buiten. Zijn mutsje was in een smalle bergspleet geraakt en hoe meer hij poogde het eruit te halen, hoe dieper schoof het erin.
Toen dat lang genoeg geduurd had, dacht Klaas: Ik zou toch zo'n ventje wel baas kunnen als het moest en hij vatte weer moed.
Kom, dacht hij, ik kan hem misschien een plezier doen. Hij sprong over de beek en zei tegen de kabouter: "Wacht vriend, ik zal je eens helpen."
Dan stak hij zijn lange arm in de spleet en haalde met gemak het mutsje te voorschijn.
"Wel Klaas," zei de kabouter — hij noemde Klaas waarachtig bij zijn naam — "je hebt me een grote dienst bewezen. Mijn tijd was om en ik moest terug in de berg en had ik mijn muts niet gehad, dan zou ik in geen vijf jaar op het feest mogen komen. Daar! Voor wat, hoort wat. Die diamant is voor jou."
Klaas, die al vaak gehoord had, dat de geschenken van de kabouters uit de berg geen geluk brachten, antwoordde: "Wat zou ik met die kiezelsteen moeten doen!"
"Het is warempel geen kiezelsteen," zei het mannetje, "maar een echte diamant, neem hem maar gauw!"
"Neen, neen," hernam Klaas, "dat doe ik niet, dat mag ik niet doen!"
"Ik zal het je toch wel weten te vergoeden," zei het mannetje, "maar nu is het mijn tijd." En weg was het.
Klaas kwam thuis en ging in zijn smidse het werk gereed leggen, waar hij en zijn twee knechts de volgende dag aan moesten beginnen. Maar hemel! Toen hij de volgende dag in de smidse kwam, was het werk al kant en klaar.
"Zouden mijn knechts me hebben willen verrassen," dacht hij. "Maar van dat slag zijn ze toch niet."Nu, dat klopte. Ze waren al even verwonderd als hij.
Er werd toen besloten om de volgende nacht de wacht te houden. En zie, rond middernacht kwam het kaboutertje, dat met Klaas gesproken had, en het begon te werken en het werkte tot de morgen en deed het werk van drie man, zo handig was het.Klaas liet het maar begaan.
Hij kon zijn knechts wegsturen, zelf naar zijn meisje gaan en onderwijl werd zijn beurs al zwaarder en zwaarder.
"Maar," dacht hij bij zichzelf, "ik moet dat kaboutertje toch ook een plezier doen."
Hij liet een klein groen jasje maken, met goud afgezet, een klein broekje, een klein hemdje, een paar schoentjes, een puntmuts en zo meer.'s Avonds werd dat alles gestreken en geplooid naar de smidse gebracht. Er werd een spiegel opgehangen en een schoteltje water en een stukje zeep neergelegd.
Klokslag twaalf kwam de kabouter; eerst keek hij verbaasd naar al dat moois, maar toen hij begreep dat dat voor hem bestemd was, danste hij van vreugde in het rond.
Weldra begon hij zich te wassen, trok de nieuwe kleren aan en zette de puntmuts op.
Daarna ging hij voor de spiegel staan. En toen alles in orde was, trok hij stilletjes naar huis.
Maar het vreemdste van al; Klaas kon werk gereed leggen zoveel hij wou, het mannetje kwam niet meer en Klaas moest het voortaan zelf doen. De kabouter was met zijn nieuwe kleren zeker een te groot heer geworden om nog te komen werken.
Maar het hinderde niet. Klaas had een beurs vol geld en hij kon trouwen met zijn meisje.
(Limburg)
Er was eens een jonge smid die goed werkte, maar toch nooit zoveel kon overhouden, dat hij trouwen kon.
Zijn meisje woonde nogal ver van het dorp af in een van de gehuchten en 's avonds ging hij haar vaak bezoeken.
Op een avond dat het nogal laat geworden was, haastte hij zich naar huis langs een binnenweggetje.
Ergens moest hij een beek oversteken, die langs een berg liep. Toen hij over het water wilde springen, zag hij opeens aan de overkant een heleboel kabouters, die aan het zingen en aan het dansen waren. Zij wierpen gedurig hun mutsen omhoog en vingen ze dan weer op hun tenen op.
Klaas, zo heette de smid, schrok erg, toen hij hen zag en verborg zich vlug achter een doornstruik, die in de spleet van de berg groeide.
Na een tijdje werd er een teken gegeven en alle mannetjes verdwenen door spleten in het binnenste van de berg. Een kaboutermannetje bleef nog buiten. Zijn mutsje was in een smalle bergspleet geraakt en hoe meer hij poogde het eruit te halen, hoe dieper schoof het erin.
Toen dat lang genoeg geduurd had, dacht Klaas: Ik zou toch zo'n ventje wel baas kunnen als het moest en hij vatte weer moed.
Kom, dacht hij, ik kan hem misschien een plezier doen. Hij sprong over de beek en zei tegen de kabouter: "Wacht vriend, ik zal je eens helpen."
Dan stak hij zijn lange arm in de spleet en haalde met gemak het mutsje te voorschijn.
"Wel Klaas," zei de kabouter — hij noemde Klaas waarachtig bij zijn naam — "je hebt me een grote dienst bewezen. Mijn tijd was om en ik moest terug in de berg en had ik mijn muts niet gehad, dan zou ik in geen vijf jaar op het feest mogen komen. Daar! Voor wat, hoort wat. Die diamant is voor jou."
Klaas, die al vaak gehoord had, dat de geschenken van de kabouters uit de berg geen geluk brachten, antwoordde: "Wat zou ik met die kiezelsteen moeten doen!"
"Het is warempel geen kiezelsteen," zei het mannetje, "maar een echte diamant, neem hem maar gauw!"
"Neen, neen," hernam Klaas, "dat doe ik niet, dat mag ik niet doen!"
"Ik zal het je toch wel weten te vergoeden," zei het mannetje, "maar nu is het mijn tijd." En weg was het.
Klaas kwam thuis en ging in zijn smidse het werk gereed leggen, waar hij en zijn twee knechts de volgende dag aan moesten beginnen. Maar hemel! Toen hij de volgende dag in de smidse kwam, was het werk al kant en klaar.
"Zouden mijn knechts me hebben willen verrassen," dacht hij. "Maar van dat slag zijn ze toch niet."Nu, dat klopte. Ze waren al even verwonderd als hij.
Er werd toen besloten om de volgende nacht de wacht te houden. En zie, rond middernacht kwam het kaboutertje, dat met Klaas gesproken had, en het begon te werken en het werkte tot de morgen en deed het werk van drie man, zo handig was het.Klaas liet het maar begaan.
Hij kon zijn knechts wegsturen, zelf naar zijn meisje gaan en onderwijl werd zijn beurs al zwaarder en zwaarder.
"Maar," dacht hij bij zichzelf, "ik moet dat kaboutertje toch ook een plezier doen."
Hij liet een klein groen jasje maken, met goud afgezet, een klein broekje, een klein hemdje, een paar schoentjes, een puntmuts en zo meer.'s Avonds werd dat alles gestreken en geplooid naar de smidse gebracht. Er werd een spiegel opgehangen en een schoteltje water en een stukje zeep neergelegd.
Klokslag twaalf kwam de kabouter; eerst keek hij verbaasd naar al dat moois, maar toen hij begreep dat dat voor hem bestemd was, danste hij van vreugde in het rond.
Weldra begon hij zich te wassen, trok de nieuwe kleren aan en zette de puntmuts op.
Daarna ging hij voor de spiegel staan. En toen alles in orde was, trok hij stilletjes naar huis.
Maar het vreemdste van al; Klaas kon werk gereed leggen zoveel hij wou, het mannetje kwam niet meer en Klaas moest het voortaan zelf doen. De kabouter was met zijn nieuwe kleren zeker een te groot heer geworden om nog te komen werken.
Maar het hinderde niet. Klaas had een beurs vol geld en hij kon trouwen met zijn meisje.
(Limburg)
Onderwerp
SINSAG 0067 - Zwerge neu angekleidet   
Beschrijving
Een smid wil met zijn meisje trouwen, maar heeft niet genoeg geld. Op een nacht ziet de smid kaboutertjes bij een berg. Plosteling verdwijnen ze. Eén kabouter blijft achter, omdat zijn muts in een bergspleet is geraakt. De smid pakt de muts voor het kaboutertje. Uit dank wil de kabouter de smid belonen. Elke nacht maakt de kabouter het werk van de smid gereed. De smid hoeft niet meer te werken en kan zijn knechts wegsturen. De smid heeft genoeg geld om te trouwen. Om de kabouter te bedanken laat de smid kleren voor de kabouter maken. Zodra de kabouter de kleding ontdekt, trekt hij deze aan en verdwijnt. De kabouter komt niet meer terug.
Bron
J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p.181-183
Commentaar
Zwerge neu angekleidet (Sie kommen nicht wieder zurück)
Naam Overig in Tekst
Klaas.   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
