Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BYLEFT05 - De Chinese nachtegaal

Een sprookje (boek), 1978

Melding:

Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.
De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.

Hoofdtekst

De Chinese nachtegaal
Wist je, dat China gedurende duizenden jaren een keizerrijk is geweest? De laatste keizer regeerde nog niet eens zo lang geleden.
Maar dit sprookje gaat over een van de eerste keizers van China. Het is dus al een oud verhaal, maar juist daarom is het de moeite waard het eens te horen, voordat 't vergeten is.
Het paleis van die keizer was het prachtigste van de hele wereld. Het was helemaal van porselein en geweldig kostbaar, zodat iedereen die daarbinnen rondliep zich behoorlijk in acht moest nemen.
In de tuin van de keizer bloeiden de wonderlijkste bloemen. Aan de meest zeldzame exemplaren hingen zilveren belletjes, die zachtjes klingelden alsof ze zeggen wilden: "Moet je hier eens kijken!" En iedereen die voorbijkwam bleef dan even staan, om de schoonheid van de bloem te bewonderen.
Ach, eigenlijk was alles in de omgeving van het paleis even mooi. De tuin was zo onafzienbaar groot, dat zelfs de tuinman niet wist waar hij ophield. Bleef je doorlopen, dan kwam je tenslotte in een schaduwrijk woud dat zich uitstrekte tot aan de azuren zee, waar kleine sierlijke vissersboten tot aan de blauwe sparren zeilden.
In een van die sparren woonde een nachtegaal. En die nachtegaal kon zo verrukkelijk zingen dat zelfs de arme vissers, die toch wel wat anders te doen hadden, soms hun boten stillegden om ernaar te luisteren. Ze genoten er zo van, dat ze pas tegen de morgen hun volle netten ophaalden. "O, wat was dàt prachtig," zeiden ze dan.
Uit alle delen van de wereld kwamen er reizigers naar het hof van de keizer om zijn porseleinen paleis en zijn bijzondere tuin te bewonderen. Ze waren er verrukt van - maar als ze het gezang van de nachtegaal hoorden, zeiden ze allemaal dat dàt toch wel het allermooiste was. De geleerden onder hen schreven dikke boeken over het paleis en de tuin met de wonderbaarlijke nachtegaal en zij die konden dichten bedachten de fraaiste verzen, vooral over die kleine vogel in het bos aan de diepblauwe zee.
Die boeken werden vertaald en over de hele wereld verspreid en zo kwamen enkele ervan ook in handen van de keizer.
De keizer zat op zijn porseleinen troon en las. Af en toe knikte hij tevreden, want al die lovende woorden over zijn paleis en zijn tuin deden hem natuurlijk bijzonder veel genoegen.
"Maar de wonderbaarlijke nachtegaal spant toch wel de kroon!" las de keizer. Hij liet het boek op zijn schoot zakken.
"Nachtegaal?" zei hij verbaasd. "Ik weet van geen nachtegaal. Is er zo'n vogel in mijn rijk? In mijn keizerlijke tuin nog wel?"
Hij sloeg zich op het voorhoofd. "En dat moet ik uit mijn boeken vernemen!"
Toen riep hij zijn hofmaarschalk, die zó voornaam was dat hij, wanneer iemand van geringer afkomst het waagde het woord tot hem te richten, niets anders antwoordde dan "Puh!" en dat betekent helemaal niets.
"Er moet in mijn tuin een zeer speciale vogel zijn, die nachtegaal heet," sprak de keizer, "en ze zeggen dat die vogel de grootste bijzonderheid van heel mijn rijk is. Waarom heeft niemand me daar iets van verteld?"
"Ik ken de naam niet," antwoordde de hofmaarschalk. "Het dier is beslist nooit aan het hof gepresenteerd."
"Ik wil dat hij hier vanavond voor me komt zingen," zei de keizer. "Daar weet me de hele wereld wat ik bezit, behalve ikzelf!"
"Ik weet er óók niets van, sire," zei de hofmaarschalk, "maar ik zal mijn best doen."
"Dat is U geraden," sprak de keizer.
Maar waar wàs de nachtegaal? De hofmaarschalk draafde op zijn vilten pantoffels alle trappen op en af. Hij rende door zalen en gangen en klampte iedereen aan, maar niemand had ooit van de nachtegaal gehoord.
Tenslotte ging hij naar de keizer terug met de mededeling, dat die nachtegaal niet bestond.
"U moet ook niet alles geloven wat U leest, sire," sprak hij, "boeken spreken lang niet altijd de waarheid."
"Het boek waarin ik over de nachtegaal gelezen heb," sprak de keizer koeltjes, "is mij gezonden door de keizer van Japan. Het kan dus geen onwaarheden bevatten, dunkt me. Ik wil de nachtegaal horen! Hier! Vanavond!"
Hij sloeg met zijn vuist op de porseleinen tafel, die vervaarlijk trilde. "En is hij hier vanavond niet, dan zal het gehele hof een stomp in de maag ontvangen en wel onmiddellijk na het avondeten!"
"Tsing-pe!" riep de hofmaarschalk verschrikt uit en hij draafde weer alle trappen op en af en door alle zalen en gangen en deze keer draafde de hele hofhouding met hem mee, want niemand krijgt graag een stomp in z'n maag als hij pas gegeten heeft. En iedereen vroeg aan iedereen naar die kleine vogel die in de hele wereld bekend was, behalve bij de keizer en zijn gevolg.
Eindelijk vonden ze in de keuken een arm keukenmeisje, dat er meer van scheen te weten.
"De nachtegaal? Of ik die ken! Elke avond mag ik wat kliekjes uit de keuken naar mijn zieke moeder brengen, die beneden bij het strand woont. En als ik dan op de terugweg even in het bos uitrust, hoor ik de nachtegaal zingen. Zó mooi! Ik moet er altijd een beetje van huilen."
"Keukenmeisje," sprak de hofmaarschalk, "ik bezorg je een vaste aanstelling als hulpkokkin en je mag bovendien eenmaal in de week de keizer zien eten, als je ons bij die nachtegaal kunt brengen. Het dier wordt namelijk hedenavond aan het hof verwacht."
En zo gingen ze met z'n allen het bos in: de hofmaarschalk, het keukenmeisje en de hele hofhouding. Ze waren al een heel eind op weg, toen er ergens een koe begon te loeien.
"Daar zullen we hem hebben!" riep één van de hovelingen verheugd uit. "Wat een krachtig geluid voor zo'n klein diertje! Maar ik heb het beslist al eens eerder gehoord."
"Dat is een koe, meneer," zei het keukenmeisje. "De nachtegaal woont nog een heel eind verderop."
"Maar nu hoor ik hem toch heus!" riep de hofmaarschalk na een poosje. "Prachtig, prachtig. Het lijkt wel een heel koor."
"Nee, dat zijn kikkers," zei het keukenmeisje, "U moet echt nog even geduld hebben."
Eindelijk hoorden ze de nachtegaal zingen.
"Kijk!" fluisterde het kind even later. "Daar! Dat is hem!" En ze wees naar een kleine grauwe vogel, die hoog in de takken zat.
"Hoe is het mogelijk!" mompelde de hofmaarschalk. "Ik had me hem heel anders voorgesteld. Wat een eenvoudige verschijning. Hij is zeker van kleur verschoten bij het zien van zoveel voorname personen."
"Lief nachtegaaltje," riep het keukenmeisje omhoog, "onze keizer wil zo graag dat je eens voor hem zingt!"
"Maar met het allergrootste genoegen," antwoordde de nachtegaal en hij liet een prachtig liedje horen.
"Ach, wat is dàt mooi," sprak de hofmaarschalk ontroerd. "'t Is net een Chinees klokkenspel. En zie dat keeltje eens trillen! Nou, dat meneertje zal succes hebben aan het hof!"
"Zal ik nog iets voor de keizer zingen?" vroeg de nachtegaal, die dacht dat de keizer ook aanwezig was.
De hofmaarschalk schraapte zijn keel. "Mijn bovenstebeste nachtegaal. De keizer is hier niet aanwezig, maar ik heb de eer en het genoegen U voor vanavond aan het hof te mogen uitnodigen, waar U zijne keizerlijke genade met Uw charmant gezang zeker zult bekoren!"
"In het groen komt dat anders beter tot z'n recht," zei de nachtegaal. Maar toen hij hoorde hoe de keizer naar zijn komst uitkeek, ging hij toch graag mee.
Het paleis was speciaal voor de feestelijke gelegenheid versierd. De porseleinen muren glinsterden in het zachte licht van duizenden lampionnen en de mooiste bloemen uit de tuin - die met de belletjes - pronkten in fraaibeschilderde vazen. Midden in de grote zaal, recht voor de keizerstroon, was een gouden zitstokje geplaatst en daarop mocht de kleine vogel plaatsnemen. De hele hofhouding was aanwezig. Iedereen had zich zo feestelijk mogelijk uitgedost en zelfs het keukenmeisje had haar schortje afgedaan en stond verlegen bij de deur.
Aller ogen waren gericht op de grauwe nachtegaal, die door de keizer vriendelijk werd toegeknikt, ten teken dat hij beginnen mocht.
Toen zong de nachtegaal en dat deed hij zó prachtig, dat de tranen van ontroering de keizer naar de ogen welden. De nachtegaal zong en zong en iedereen voelde zich tot in het diepst van zijn ziel geraakt.
"O, wat was dàt mooi," zuchtte de keizer, toen de nachtegaal eindelijk zweeg. Hij was zó verrukt dat hij besloot dat de kleine zanger voortaan één van zijn gouden pantoffels om z'n hals mocht dragen, als teken van de keizerlijke dankbaarheid. Maar de nachtegaal bedankte beleefd voor de eer.
"Ik heb de tranen van Uw Keizerlijke ogen gezien en dat is mijn grootste voldoening. Ik ben heus meer dan voldoende beloond!"
"Hoe hoffelijk," zeiden de hofdames tegen elkaar.
Ja, iedereen had de mond vol van de nachtegaal. Hij moest aan het hof blijven en kreeg zijn eigen kooi, waar hij twee maal per dag en één keer 's nachts uit mocht. Dan kreeg hij twaalf bedienden mee, die met z'n twaalven een zijden lint vasthielden, dat om één van z'n pootjes gebonden was. Maar veel plezier viel er op die manier voor de nachtegaal niet meer te beleven.
De hele stad sprak over de merkwaardige vogel. Als twee mensen elkaar tegenkwamen, zei de een heel simpel "Nachte!" en de ander "Gaal!" en dan zuchtten ze diep en begrepen elkaar helemaal. Er werden zelfs verscheidene kinderen naar hem genoemd, maar die gaven later geen van allen blijk van enige muzikaliteit.
Op zekere dag kwam er een groot pakket voor de keizer. `Nachtegaal', stond er op.
"Ah! Dat zal een nieuw boek over onze beroemde vogel wezen," sprak de keizer verheugd, terwijl hij de touwtjes lospeuterde.
Maar het was geen boek. Het was een klein mechaniek: een namaak-nachtegaal die wel wat op de echte leek, maar die bezaaid was met de kostbaarste diamanten, robijnen en saffieren. Als je de vogel opwond, zong hij net als de echte nachtegaal, maar daarbij ging zijn staart op en neer en die was van puur goud. Om zijn hals hing een lintje waarop stond:
"DE NACHTEGAAL VAN DE KEIZER VAN JAPAN IS NIETIG VERGELEKEN BIJ DIE VAN DE KEIZER VAN CHINA."
"Dat is leuk gezegd," vond de keizer. En de bode die de nachtegaal gebracht had, werd dadelijk gepromoveerd tot `Opper-Keizerlijk Nachtegaal-Brenger'.
"En nu moeten ze samen zingen! Een duet!" riep de hofmaarschalk.
Maar dat wilde niet zo best lukken. De echte nachtegaal zong zoals het in zijn hartje opkwam, terwijl de kunstvogel zijn mechaniek moest gehoorzamen. En dat produceerde aan één stuk door hetzelfde Japanse slaapliedje.
"Deze heeft geen schuld," sprak de hofkapelmeester, wijzend op de namaakvogel. "Hij is erg maatvast en heeft beslist een geschoolde stem."
Toen moest de kunstvogel alleen zingen. Hij werd evenzeer bewonderd als de echte nachtegaal; en daar kwam dan nog bij dat hij er ook zoveel mooier uitzag met al die diamanten en robijnen op z'n lijf. Drie-en-dertig maal zong hij hetzelfde wijsje en nog hadden de hovelingen er niet genoeg van. Maar de keizer vond dat het tijd werd om nu ook de echte nachtegaal nog eens te laten zingen, opdat men de twee goed zou kunnen vergelijken.
Maar de nachtegaal was weg. Niemand had gemerkt dat hij door het open raam naar buiten was gevlogen, terug naar zijn woning in de blauwe sparren.
"Dat is me ook wat," zei de keizer. En het hele hof was het erover eens, dat de nachtegaal een hoogst ondankbaar dier was.
"Ach, we kunnen hem wel missen," zei de hofmaarschalk. En de hofkapelmeester hield een lange toespraak, waarin hij de namaakvogel uitvoerig prees en de aanwezigen zelfs verzekerde dat hij beter was dan de echte, niet alleen waar het zijn uiterlijk, maar ook waar het zijn innerlijk betrof.
"Want zie, mijne dames en heren. Bij de echte nachtegaal weet men van tevoren nooit wat er zal komen, terwijl bij déze vogel alles vooraf bepaald is! Zoals het is, blijft het ook en dat is toch heel plezierig en rustgevend, zou ik zeggen."
De kapelmeester zweeg even, om zijn toehoorders de gelegenheid te geven zijn kleine filosofie goed in zich op te nemen.
"En het mooie is, dat de verklaring in het dier zelf ligt opgesloten," vervolgde hij genietend, "want wanneer men de vogel openmaakt, ziet men daar de vernuftige geest des mensen open en bloot voor zich: hoe de rollen liggen, hoe ze lopen, hoe het één uit het ander voortvloeit -"
"Bravo! Bravo -" riepen de aanwezigen. En toen lieten ze de kunstvogel weer zingen. Dat was dan de vier-en-dertigste keer, dat ze hetzelfde wijsje te horen kregen en nog konden ze het niet meeneuriën, want het was een moeilijk werkje, vonden ze.
De keizer gaf de kapelmeester opdracht, de nieuwe nachtegaal de volgende dag aan het volk te presenteren.
"Iedereen moet hem horen!" zei hij.
En iedereen hoorde hem. En de mensen klapten in hun handen, riepen "picobello!" in het Chinees en keken elkander ontroerd aan. Alleen een arme visser, die de zang van de echte nachtegaal kende, zei: "Het klinkt heel aardig en het lijkt er ook wel op, maar er mankeert iets aan. Ik weet alleen niet wàt."
De echte nachtegaal werd uit het rijk verbannen en de kunstvogel kreeg een plaatsje vlak naast het keizerlijke bed. Hij lag daar op een zijden kussen vol saffieren en toermalijnstenen en hij kreeg de titel van `Opper-Keizerlijk Slaapkamer-Zanger'. De kapelmester schreef een vijfentwintigdelige kunstvogel-encyclopaedie waar bijna niet dóór te komen was, maar niemand durfde beweren dat hij niet alle vijfentwintig delen gelezen en begrepen had, anders zou hij voor dom en achterlijk gehouden worden en de kans lopen een stomp in de maag te ontvangen.
Er ging een jaar voorbij. Tenslotte kende iedereen in het land elke tsjilp van het walsje uit z'n hoofd. Verrukkelijk was het.
Maar op een regenachtige zomeravond gebeurde er iets vreselijks. De keizer lag in bed naar de namaak-nachtegaal te luisteren en wilde hem juist nog eens extra opwinden, toen de vogel "kluunk!" zei en toen "rrrrrrr-poing!" en daarna helemaal niets meer.
De keizer sprong verschrikt uit bed en liet onmiddellijk de hofgeneesheer komen, maar die kon met al zijn pillen en poeders niet veel uitrichten. Toen kwam de horlogemaker en die kreeg na een nachtlang peuteren de vogel weer zo ver, dat deze tenminste de eerste twee tonen van zijn walsje kon laten horen. Maar daarmee was het dan wel bekeken.
O, wat een ellende. De keizer was ontroostbaar en de kapelmeester las de hele dag met betraande ogen in zijn eigen kunstvogel-encyclopaedie en hij kreeg grijze haren van verdriet.
Zo verstreken de jaren.
Op een dag werd de keizer ziek. En niet zo'n klein beetje ook. Er was zelfs al een nieuwe keizer gekozen, die de troon zou moeten bestijgen als de oude keizer gestorven was.
De mensen leefden in angst en beven, want ze hielden allemaal veel van hun keizer. En als het kleine keukenmeisje aan de hofmaarschalk vroeg hoe het nu met de keizer ging, dan zei de hofmaarschalk "Puh", en schudde verdrietig zijn hoofd.
Bleek en koud lag de keizer in zijn grote bed. Zijn ogen waren gesloten en hij lag zo stil, dat het hof tenslotte geloofde dat hij niet meer leefde.
De hofdames hielden theevisites en spraken met zachte stemmen. In alle zalen en gangen werden dikke tapijten gelegd, opdat geen voetstap de stilte zou verstoren en de nieuwe keizer begon al een beetje te regeren.
Maar de keizer was niet dood. Roerloos lag hij in het prachtige bed met de purperen gordijnen en de gouden kwasten. Het venster stond open en de maan liet zijn bleke licht over het bed en de kapotte speeldoos schijnen.
De arme keizer kon bijna geen adem meer halen. Hulpeloos sloeg hij zijn ogen op, maar hij sloot ze dadelijk weer. Hij had het goed gezien: op zijn borst zat de Dood in eigen persoon, met de gouden keizerskroon op zijn hoofd, het keizerlijk vaandel in zijn ene en het keizerlijk zwaard in zijn andere hand.
Uit de donkere plooien van de fluwelen gordijnen staarden vreemde gezichten de keizer aan. Er waren edele gezichten bij en monsterlijke: dat waren de goede en slechte daden die hij in zijn leven had verricht en die hem in het gezicht keken, nu de dood op zijn hart zat.
"U was een goede keizer," fluisterden de vriendelijke gezichten, "U hebt het goed gedaan."
Maar de lelijke gezichten spraken veel luider. "Herinnert U zich dit nog?" riep de een na de ander, "en dit? en dit?" en dan wezen ze hem op allerlei dingen, die hij in zijn leven verkeerd had gedaan.
De keizer drukte met zijn laatste kracht zijn handen tegen zijn oren.
"Was ik zo slecht?" riep hij. "Dat heb ik nooit geweten! Muziek! Muziek! Sla op de grote Chinese trom, laat me niet alles horen wat zij zeggen!"
Maar de stemmen werden luider en luider en bij alles wat er gezegd werd, knikte de Dood instemmend.
"Muziek!" jammerde de keizer. "Lieve, kleine gouden vogel, zing toch, zing! Ik heb je juwelen gegeven en een zijden kussen, ik heb je zelfs mijn gouden pantoffel om de hals gehangen; zing dan nu toch voor me!" Maar de vogel bleef zwijgen.
"Dan moet nu het einde maar komen," fluisterde de keizer met gesloten ogen. "Geen muziek meer. Niets. Dan moet ik maar dood." En het werd heel stil in de kamer.
Maar daar klonk, vlak voor het open raam, een lied zo mooi en zuiver, dat de keizer opnieuw zijn ogen opende. Het was de kleine grauwe nachtegaal, die daarbuiten op een tak zat. Hij had gehoord dat de keizer ziek was en hij was gekomen om hem wat troost te brengen.
En terwijl hij zong verbleekten de geesten, de keizer kreeg weer wat kleur op zijn wangen en zelfs de Dood was gedwongen te luisteren. "Ga toch door!" zei hij, toen de nachtegaal even zweeg.
"Alleen als je me dat gouden zwaard van de keizer geeft, en dat keizerlijk vaandel en die gouden kroon," antwoordde de nachtegaal.
Dat deed de Dood en de nachtegaal zong van het stille kerkhof waar de witte rozen bloeien, waar de vlier zijn zoete geuren verspreidt en waar het frisse gras besproeid wordt door mensentranen. Toen kreeg de Dood zo'n verlangen naar zijn tuin, dat hij als een kille witte nevel door het open raam naar buiten zweefde.
"Dank je wel, dank je wel, mijn kleine nachtegaal!" zei de keizer. "Ik heb je uit mijn rijk verbannen en toch heb je de boze geesten van mijn bed weggezongen en de Dood van mijn hart verjaagd! Hoe kan ik je ooit belonen!"
"U hebt mij al eens beloond," antwoordde de nachtegaal. "Ik heb de tranen in Uw keizerlijke ogen mogen zien, toen ik de eerste maal voor U zong. Dat vergeet ik nooit. Maar ga nu slapen en word weer gezond en sterk. Ik zal voor U blijven zingen."
En terwijl de nachtegaal zong, viel de keizer in slaap.
De zon scheen al op het grote bed, toen de keizer verkwikt en gesterkt ontwaakte. Geen van zijn dienaren was naar hem komen kijken, want de voorbereidingen van een keizerlijke begrafenis nemen veel tijd in beslag. Maar de nachtegaal zat nog steeds op zijn tak voor het venster te zingen.
"Je mag me nooit meer verlaten," zei de keizer. "En die kunstvogel laat ik in stukjes hakken!"
"Dat moet U niet doen," zei de nachtegaal. "Hij heeft gedaan wat hij kon. U moest hem maar rustig op zijn zijden kussentje laten liggen. Ik kan niet bij U wonen; ik heb mijn nestje in de bomen. Maar ik zal komen wanneer U mij nodig hebt. Dan zal ik voor U zingen van het goed en het kwaad en van alle geluk en verdriet in Uw grote rijk. Want de nachtegaal komt overal; bij de visser en de zijdewever, bij de schrijver en de arme boer, bij iedereen die ver van Uw paleis woont. Maar één ding moet U me beloven."
"Alles wat je maar wilt!" zei de keizer. Hij had intussen zijn mantel aangetrokken en hield het zware gouden zwaard tegen zijn borst.
"U moet aan niemand zeggen dat er een kleine vogel is, die U vertelt wat er in Uw rijk gebeurt. Dan zult U nog vele jaren goed en rechtvaardig regeren."
"Dat beloof ik," sprak de keizer.
Toen kwamen de hofmaarschalk en de kamerdienaren binnen, om plechtig afscheid van de dode keizer te nemen.
Daar stonden ze in de deuropening.
"Goeiemorgen," zei de keizer.

Beschrijving

De keizer leest in een boek over zijn keizerrijk dat de zang van de nachtegaal in zijn bos het mooiste is dat er bestaat. Zelf is de keizer hiervan helemaal niet op de hoogte, en hij geeft de hofmaarschalk opdracht om de nachtegaal te gaan halen. Niemand in het hof weet ervan, alleen een arm keukenmeisje, dat de etensresten naar het vissersdorp pleegt te brengen. In het bos wordt de nachtegaal ontboden om naar het paleis te komen. Daar ontroert het vogeltje de keizer met zijn zang. Het mag in een gouden kooitje in het paleis blijven. Dan krijgt de keizer een kostbare mechanieke namaak-nachtegaal toegestuurd. Ook zijn zang wordt bewonderd, maar de echte nachtegaal vliegt nu het raam uit. Na verloop van tijd gaat de mechaniek echter onherstelbaar kapot. Enkele jaren later wordt de keizer ziek en komt op zijn sterfbed te liggen: de Dood zit op zijn borst en boze geesten komen hem verwijten maken. Dan komt de nachtegaal buiten zijn lied zingen. Hij verjaagt de geesten en verleidt de Dood om weg te gaan. De volgende ochtend is de keizer weer beter. De nachtegaal belooft langs te komen, als de keizer hem nodig heeft, maar wil zijn vrijheid behouden.

Bron

M. Bijl: Sprookjes van de Efteling. Zesde druk. Den Haag 1978, p.26-33

Commentaar

1978
Dit sprookje is een bewerking door Martine Bijl van het sprookje van Hans Christiaan Andersen.
Zie onder Beeld een afbeelding van Anton Pieck (kleur).

Naam Overig in Tekst

Chinees    Chinees   

Japans    Japans   

Dood    Dood   

Naam Locatie in Tekst

China    China   

Japan    Japan   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20