Hoofdtekst
Een weerwolf verlost
Catarina Breure van Denderhautem diende te Ninove op het hof van Schoor. Het was een meisje van omtrent tien jaar, en gelast de koeien naar de weide te brengen. Eens stak zij de zweep, waarmede zij hare dieren in bedwang hield, in de opening van eenen hollen wilg, waarin zij eene zwarte harige huid ontdekte. Aanstonds droeg zij hare vondst naar het hof, en toonde ze aan haren meester.
"Zeg niemand, wat gij gevonden hebt," zij deze, "en keer terug bij uwe koeien."
Daarop liet hij eenen zijner knechts, dien hij sedert lang verdacht, van het veld roepen, stelde hem eenen brief ter hand, die aan een zijner kennissen, welke drie uren van het dorp woonde, bestemd was, en gaf onmiddellijk na het vertrek van den knecht bevel, om den bakoven te heeten. Als hij nu dacht, dat zijn knecht het huis van zijnen vriend bereikt had, liet hij de gevonden huid in het vuur werpen. Op hetzelfde oogenblik stond de knecht vóor hem, en wilde zich met geweld in de vlammen storten, wat men niet zonder moeite belette.
"Ach meester, meester toch," riep de ongelukkige uit, "geef mij al was `t maar éen haartje van mijn vel!"
Wanneer de huid tot de assche verbrand was, slaakte de knecht eenen diepen zucht, en zegde: "Zoolang de huid brandde, werd ik als met gloeiende ketens gegeeseld... God lof! nu ben ik voor eeuwig verlost."
Catarina Breure van Denderhautem diende te Ninove op het hof van Schoor. Het was een meisje van omtrent tien jaar, en gelast de koeien naar de weide te brengen. Eens stak zij de zweep, waarmede zij hare dieren in bedwang hield, in de opening van eenen hollen wilg, waarin zij eene zwarte harige huid ontdekte. Aanstonds droeg zij hare vondst naar het hof, en toonde ze aan haren meester.
"Zeg niemand, wat gij gevonden hebt," zij deze, "en keer terug bij uwe koeien."
Daarop liet hij eenen zijner knechts, dien hij sedert lang verdacht, van het veld roepen, stelde hem eenen brief ter hand, die aan een zijner kennissen, welke drie uren van het dorp woonde, bestemd was, en gaf onmiddellijk na het vertrek van den knecht bevel, om den bakoven te heeten. Als hij nu dacht, dat zijn knecht het huis van zijnen vriend bereikt had, liet hij de gevonden huid in het vuur werpen. Op hetzelfde oogenblik stond de knecht vóor hem, en wilde zich met geweld in de vlammen storten, wat men niet zonder moeite belette.
"Ach meester, meester toch," riep de ongelukkige uit, "geef mij al was `t maar éen haartje van mijn vel!"
Wanneer de huid tot de assche verbrand was, slaakte de knecht eenen diepen zucht, en zegde: "Zoolang de huid brandde, werd ik als met gloeiende ketens gegeeseld... God lof! nu ben ik voor eeuwig verlost."
Beschrijving
Een meisje hoedt koeien. Op een dag vindt ze in een holle boom een zwarte huid. Ze zegt het tegen haar baas. De baas verdenkt een knecht. Hij stuurt de knecht er op uit. Op het moment dat de baas denkt dat de knecht aangekomen is op het adres, gooit hij de huid in het vuur. Dan staat de knecht plotseling voor hem. De knecht wil zich ook in de vlammen werpen. Als de huid verbrand is, verklaart de knecht dat het voelde alsog hij gegeseld werd. Daarna is de knecht verlost van weerwolverij.
Bron
Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 1 (1888) 173-4
Commentaar
1888
Naam Overig in Tekst
Catarina Breure   
Naam Locatie in Tekst
Denderhautem   
Ninove   
Schoor.   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
