Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS048 - [Slimme Jan]

Een mop (), 1888

Hoofdtekst

[Slimme Jan]
Daar was eens een smid, die drij zonen had, en zooveel tegenspoed en ongelukken onderstaan had, dat hij zich op zekeren dag genoodzaakt zag, aan zijne zonen te kennen te geven, dat het hem onmogelijk was, hen nog bij zich te houden. De zonen besloten, reeds des anderendaags te vertrekken, en ieder eenen verschilligen weg in te slaan. De twee oudsten hadden het geluk elk eenen goeden post te vinden, maar Slimme Jan, de jongste, was na acht dagen in een bosch versukkeld, alwaar hij, tegen den avond op eene houtmijt kroop, om er den nacht door te brengen.
Oei-oei-oei, menschen! Rond middernacht kwam daar eene heele bende roovers, die Slimmen Jan aanstonds wilden dooden, tenware dat hij hun wilde beloven, deel te maken van hunne bende, een voorstel, waarop Slimme Jan zonder veel nadenken verklaarde, dat hij zich tot alles in staat achtte, en dat hij daarenboven, als smid van beroep, zeer sterk was. Aldus wierd Jan aangenomen, en de kapitein beloofde hem, indien hij zijn best wilde doen en toonen, dat hij een dappere roover was, dat hij na weinig tijd te huis zou mogen blijven, om er keuken, kelders, kortom alles te beredderen. Nu, Jan deed zoo zijn beste, dat de kapitein hem na een paar tochtjes zegde, dat hij zijn volle vertrouwen in hem stelde, en niets meer te doen had, dan 't huis te bewaren. Dat was me nu wel!
Verscheidene jaren lang bracht Jan onder de roovers door, doch eindelijk kreeg hij verlangen naar zijne geboorteplaats, en besloot de plaat te poetsen! Jan verloor zijnen tijd niet! Wanneer des anderen daags de roovers opnieuw vertrokken waren, nam Jan eenen lijnwaden zak, vulde denzelven met goudstukken, stak zijne broekzakken ook nog vol, besteeg het beste paerd uit der roovers stal, en vertrok in aller haast! Zoo snel reed hij, dat hij, op twee dagen tijds, in zijn dorp aankwam, en naar zijn oudershuis reed, alwaar hij een oud en kramakkelig, vrouwken ontmoette, aan welke hij vroeg, om zijn paerd aan den perelaar te mogen binden, die achter het huis stond.
"Welhoe," zegde het wijfken, "waarvan weet gij, dat daar een perelaar staat?"
"Zou ik," zei Jan, "zou ik dat niet weten? Hier ben ik immers gewonnen en geboren! Ik ben immers Jan van den smid!"
"Wel,wel, wel," riep nu het meken, "maar dan ben ik uwe moeder, jongen! Kom, laat ons binnen gaan! Het is tien jaren, dat gij met uwe broeders vertrokken zijt, en sedert dien zijn uw vader en uwe broeders overleden!"
"God geve hun de eeuwige rust," zuchtte Slimme Jan; "schep maar moed, moederken! Ik ben rijk, en gij moet voor niets meer vreezen!"
Jan leefde nu met zijne moeder op 'nen grooten voet, ja, zoodanig, dat de burgemeester achterdocht kreeg, en hem vraagde, hoe en op wat manier hij zoo rijk geworden was!
"Dat is mijne zaak," zeide Jan, "dat heb ik aan mijne slimheid te danken, en het hangt zelfs maar van mij alleen af, nog rijker te zijn! Voor niemendalle heeft men mij den naam van Slimmen Jan niet gegeven!"
"Ewel," zeide de burgemeester, "gij moet mij overtuigen, dat gij het geld gewonnen hebt door uwe slimmigheid, ofwel ik klaag u aan bij het gerecht! Ziehier! Vooreerst moet gij mijn beste paerd kunnen uit mijnen stal halen, zonder dat men u kan gevangen nemen; ten tweede van mijne vrouw het hemd verkrijgen, dat zij aan heeft, en ten derde den pastoor al zijn geld ontfutselen..., en, indien gij dit alles kunt ten uitvoer brengen, dan zal ik u met vrede laten!"
"Zeer goed, meneer de burgemeester," zegde Jan; "ik wil aan die proefstukken beginnen, al ware het van morgen al."
[...]
Des anderdaags ging Jan, verkleed als een oud en versleten man en leunende op eenen stok, omtrent den avond naar het pachthof van den burgemeester, en verzocht er, den nacht te mogen doorbrengen. Dit werd hem geweigerd, vermits de burgemeester streng verboden had, aan iemand slapen te geven. Maar Slimme Jan sprak zoo schoon, dat hij eindelijk verkreeg, om op een busselken stroo in den paerdenstal te slapen...
Zoo, dacht de burgemeester, kan dat oud ventje ons misschien nog van dienst zijn. Bejaarde menschen slapen zelden vast; vallen mijne knechts in slaap, dan zal dat peken toch zeker Slimmen Jan hooren...
Vooraleer onze oude man ging slapen, gaf men hem eene goede kom pap en eenen `kant koren-do', en daarmede vertrok hij naar den stal. De burgemeester beval aan zijne drij knechten, toch wel op te passen, en niet dan elk overhand te slapen; daarmede gingen zij naar hunnen post, in afwachting van Slimmen Jan te kunnen vastgrijpen. Zoogauw als Slimme Jan de knechten in den stal hoorde, begon hij met flesch en halfscheut te rammelen, zoo dat een hunner hem vroeg, wat hij daar deed?
"Och," zeide Slimme Jan, "ik moet altijd eenen goeden borrel genever drinken, of anders kan ik geen oog toedoen van de gedurige tandpijn... Kan ik u plezier doen, ik zal u elk een halfscheutje geven!"
"Ja, ja," zegden de knechten, "zoo'n sloksken is van geen refuus!"
Slimme Jan was tevreden, hen te mogen trakteeren, maar... nauwelijks hadden zij het halfscheutjen uitgedronken, of zij lagen in slaap: in plaats van genever had Slimme Jan hun een slaapdrankje ingegeven...
Jan stond nu op, plaatste eenen kneeht op den rijfel of drasselier, den tweeden op de halfdeur van den stal, en den derden op de voorpoort van het pachthof. Dan maakte Jan den burgemeester zijn rijpaerd los, en vertrok er mee.
's Morgens om 4 uren was de burgemeester al te been, om te zien, hoe het dien nacht afgeloopen was, maar oei, oei, oei! Toen hij, aan den paerdenstal gekomen, den knecht op de halfdeur zag hangen, en op zijne nieuwsgierige vraag: "Ewel, wat nieuws van Slimmen Jan?" geen antwoord kreeg, schudde hij den armen jongen zoo fel, dat hij er aftuimelde... Dan ging hij in den stal, vond den tweeden knecht op den rijfel zitten slapen, en bestatigde... dat zijn paerd verdwenen en ook het oude ventje niet meer te zien was...
[...]
[De diefstal van het hemd en het geld worden slechts in parafrase weergegeven]
[...]
Zijn derde [lees: tweede] proefstuk volbrengt Jan bij middel van het nog versche lijk van eenen denzelfden dag opgeknoopten dief.
Hij steekt den doode voor het venster van des burgemeesters slaapkamer zoo ver omhoog, dat het, voor het rustende echtpaar, den schijn moet hebben, als wou iemand in hunne kamer kijken. Dan klopt hij aan, enz., enz.
Eindelijk, om zijn derde proefstuk te verrichten, doet Jan, na zich in 't wit gekleed te hebben, de groote klok kleppen, laat zich, aan de toegesnelde pastoor en koster als den Engel Gabriël kennen, zendt met geruststellende woorden den koster naar huis, en vergezelt daarna den herder naar zijne woning.
Tot slot van deze lezing vernemen wij nog, "dat Slimme Jan weldra schepen van zijne gemeente is geworden, en dat hij nog langen tijd met allen in vrede geleefd heeft."

Onderwerp

AT 1525A - Theft of Dog, Horse, Sheet or Ring    AT 1525A - Theft of Dog, Horse, Sheet or Ring   

ATU 1525A - Tasks for a Thief    ATU 1525A - Tasks for a Thief   

Beschrijving

Een arme smid stuurt zijn drie zoons op werk uit. De jongste zoon komt bij rovers terecht en wordt een slimme meesterdief. Zodra hij genoeg het vertrouwen van de rovers heeft gewonnen, maakt hij zich uit de voeten met een grote hoeveelheid geld. Thuis leeft hij met zijn moeder in weelde; zijn vader en broers zijn inmiddels overleden. De burgemeester wantrouwt de rijkdom van de jongen, maar deze beweert het geld louter aan zijn slimheid te danken te hebben. De burgemeester wil hem met rust laten als hij dat kan bewijzen: als de jongen er met slimheid in slaagt het paard van de burgemeester, het hemd van de burgemeestersvrouw en het geld van de pastoor afhandig te maken. Driemaal lukt het de jongen met een list. Het paard steelt hij door vermomd als oude man de bewakers een slaapdrank te geven. Het hemd steelt hij door het lijk van een gehangene als afleidingsmanoeuvre te gebruiken. Het geld van de pastoor krijgt hij door zich als de engel Gabriël voor te doen. De jongen wordt uiteindelijk schepen van de gemeente.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 1 (1888) 293-295

Motief

H1151 - Theft as a task.    H1151 - Theft as a task.   

H1151.2 - Task: stealing twelve horses out of stall.    H1151.2 - Task: stealing twelve horses out of stall.   

K332 - Theft by making owner drunk.    K332 - Theft by making owner drunk.   

K362.2 - Ring to put on corpse’s finger.    K362.2 - Ring to put on corpse’s finger.   

K842 - Dupe persuaded to take prisoner‘s place in a sack: killed.    K842 - Dupe persuaded to take prisoner‘s place in a sack: killed.   

Commentaar

1888
Deze vertelling wordt verhaald als variant op VOLKS047; zie aldaar.
Theft of Dog, Horse, Sheet or Ring

Naam Overig in Tekst

Slimme Jan    Slimme Jan   

Engel Gabriël    Engel Gabriël   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20