Hoofdtekst
Daar waren eenmaal een paar menschen en die kreegen gene kinderen toen zeiden zij ik wol wel dat wij een kind kreegen al was het maar zoo groot als een duim toen kregen zij een kind zoo groot als een duim.
en zouden die menschen ook vervaren naar een ander woning en toen kwam het goed op de wagen en zij hadden hem in een spanen doos anders waren zij bang dat zij hem verloren en toen kwam de doos achter op de wagen en toen viel de doos van de wagen of en toen kwamen daar twee gauwdieven aan en die zeiden tegen elkander daar legt een doos op de weg zullen wij hem eens oopen doen doe zeide duimke die daar in zat als doe mij de doos open doetse maar hij deed hem toch open en toen zat duimke daarin
toen zeiden de gauwdieven tegen hem of hij ook met haar aan het stelen wilde toen zeide hij jawel en zij gingen toen naar een boerhuis om kaas te stelen uit de melkenkamer en toen lieten zij duimke door de tralien lopen en ging in de melkenkamer en toen hij er in was riep hij groen of witte groen of witte en toen hij dat riep werd de boer wakker en de gauwdieven vlugten weg en toen de boer daar in de melkenkamer kwam vond hij daar niets want hij had zich verstoken in wat groente dat zij de koeijen gaven
en toen gaven de knegten 's morgens de koeijen het groente en een koe die vrat duimke op en toen de meid de koe melken zoude zeide duimke de meid die melkt de koe de meid die melkt de koe en toen wilde de meid die koe niet langer melken dat die koe sprak
en toen ging de knegt aan het melken en duimke zeide de knegt die melkt de koe, de knegt die melkt de koe toen wilde de knegt ook niet langer melken
toen ging de vrouw aan het melken en duimke zeide de vrouw die melkt de koe, de vrouw die melkt de koe en toen wilde de vrouw ook niet langer melken
toen zoude de boer melken en duimke zeide de boer die melkt de koe, de boer die melkt de koe toen zeide de boer dat wij willen de koe slagten en toen slagten zij de koe en toen zouden zij er een stuk van koken en toen zeide duimke nu zellen ze mij opeeten, nu zellen ze mij opeeten,
toen wilde de boer dat stuk vlees niet en toen gaf de boer het aan een bedelaar en toen dede die dat in zijn korfje, toen zeide duimke nu zit ik in een bedelaarskorfke, nu zit ik in een bedelaarskorfke
toen wilde de bedelaar het ook niet langer hebben en gaf het over aan de hond en toen kwam daar een windhond aan en die vrat het op en toen zeide duimke ra, ra, en toen meende de windhond dat er een haas was en hij liep zoo lang dat hij dood was en toen kroop duimke hem tot het gat uit en zochte zijn ouders weer op.
Onderwerp
AT 0700 - Tom Thumb   
ATU 0700 - Thumbling   
VDK 0700 - Tom Thumb   
SINAT 0700 - Der Däumling   
Beschrijving
Bron
Motief
F535.1 - Thumbling.   
F535.1.1 - Adventures of thumbling.   
F911.3.1 - Thumbling swallowed by animals.   
F913 - Victims rescued from swallower‘s belly.   
F535.1.1.11 - Thumbling as accomplice to robbers.   
