Hoofdtekst
De Student-toovenaar
Daar was eens een student die, naar huis terugkeerende, na eenigen tijd geen geld meer had, om te kunnen logist krijgen. 't Wa avond, en nog verre van huis zijnde, ging hij kloppen aan de deur van eene hoeve, en vroeg er "te slapen".
Op die hoeve woonde een rijke pachter, die een zeer lief wijfken bezat. De man had in zijne jeugd op de Latijnsche school gelegen, en zag heel geren studenten; maar hij kon op geen manieren pastoors verdragen. Nu meende hij te weten, dat de pastoor der parochie nog al dikwijls zijne vrouw kwam bezoeken, als hijzelf maar niet te huis en was, en hij besloot, in zijn eigen, bij de eerste gelegenheid de waarheid te achterhalen. Ook had hij, juist des morgends vóor den avond waarvan wij spreken, zijne vrouw aangekondigd, dat hij voor eenige dagen op reis moest gaan, en was daarop vertrokken. Jamaar, nauwelijks was het beginnen te donkeren, of de pastoor kwam op de hoeve aan. Knechts en meiden waren vroeg naar bed gezonden, en nu was het feest. Het aardige wijfken, dat integenstelling tot haren man een zwak had voor pastoors, had, op een twee drie, eene lekkere hesp, een gebraden kalkoen, een fijn kramikkenbrood en eenige lekkere flesschen jaarelver opgedischt, en heel dichtjes tegeneen geschoven, hield ons paarken banket.
"Tok! tok! tok!" gaat het plotseling op de deur. Of ze verschrikten, de twee tittelduifkens! "God weet, is hij het niet!" zei 't lieve pachtersken; en in een oogenblik waren hesp, kalkoen, kramik en wijn in de kleerkas geborgen, en de pastoor zelf, bevende als een riet, opgesloten in eene groote oude kist, in de groote kamer daarnevens.
"Wie is daar?" vroeg nu van binnen het vrouwken met heur fijnste stemmeken.
"Een arme student, die geen logist kan vinden, pachterske," werd geantwoord. - "Vrees niks. Ik ben nog zooveel uren van huis, en ik verzoek u, mij al was 't maar eenen stroozak te geven, om op te rusten."
De deur ging open, en de student werd al spoedig naar een klein slaapkamertje gewezen. Nu wilde het juist lukken, dat dit slaapsaletje maar door een heel dun houten schutsel van de keuken was gescheiden. Onze student, die lont geroken had, lei zich achter een klein spleetje op loer, en zie, na eenige minuten kwam mijnheer pastoor terug aan den disch, en met hem de lekkere hesp, de kalkoen, het kramik, en de fijne wijn.
"Jandorie nog toe," zei de student in zijn eigen; "ik hier met nuchtere maag moeten liggen en die leelijke zwartrok daar, nevens een zoo aardig poesje, aan eene prinsentafel zien zitten! Als ik ook eens..."
Maar, stil..."Tok! tok! tok!" klonk het weêr op de deur, en weêr sprong het paarken verschrikt op, - schotels en flesschen werden weer gauw-gauw weggestoken, en heer tikkenhaan sprong zoo snel hij kon de keuken uit en... den ouden koffer in.
Dezen keer en was 't geen lachen! 't Was de pachter in eigen persoon, en hij zag er wel wat bedronken uit. "Ge zijt zoo laat op, Mieken," vroeg hij; "is er dan...soms...bezoek geweest?"
- "Niet veel, man-lief...Een student is komen te slapen vragen, en ik heb hem daar zoo even zijne kamer gewezen."
- "En g'hebt den jongen toch eerst een beetje laten eten zeker, he? - Neen? - Wel, dan moet hij maar weder opstaan. Ik heb ook nog gestudeerd, en ik zie heel geren studenten. Waar slaapt hij?"
En de jongen wierd opgeroepen, en de pachter gaf zijne wederhelft bevel, om hesp en bier op te zetten.
Hesp en bier smaakten beide wel goed, maar onze student kon toch niet ophouden aan kramik, kalkoen en wijn te denken... Alras wist hij het gesprek op de tooverij te brengen, zoo dat de pachter hem eindelijk vroeg:
"Maar, zeg eens, vriend, ik heb altijd hooren vertellen, dat studenten ook tooveren kunnen. Is dat waar?"
- "Voorzeker, pachter!"
- "Voorzeker? Kunt gij dan tooveren? Zie, als gij mij den eenen of anderen toer wilt spelen, jongen, dan sla ik eene van mijne lekkerste wijnflesschen den hals af."
Dat was in de student zijne kaarten gespeeld.
- "Welnu, pachter," antwoordde hij, "dat is een woord! En ik ga u al dadelijk voldoen. Hocus, pocus, pas!... Drie woorden Latijn, pachter, en...ga kijk nu maar, in de kleerkas, dáar, in den hoek, zult ge vinden eene flesch lekkeren wijn, een kramik en eene kalkoen. En om u te doen zien, dat ik nog meer vermag, zoo wil ik, dat ze alle drij reeds "ontgonnen" zijn."
Of de pachter zijne handen te gaar sloeg van verwondering, en of de student kalkoen, wijn en kramik lekker vond!
"Jamaar, mijn deken," zei de pachter, die al meer en meer verwarmd scheen, toen de door hem beloofde flesch en nog twee harer zusters jaarelver, voor den pastoor bestemd, er ook...geweest waren. "Zóo gaan wij nog niet slapen, zulle! Hier moet nóg getooverd worden. Allo! laat hooren; welke toeren kunt ge nog?"
- "Nu ken ik nog éenen toer," zei de student, die door de schoone oogen van 't boerinneken verlokt, meêlijden begon te krijgen met...den man in den koffer. "Den duivel zelven kan ik hier doen verschijnen."
"Kunt gij dat?" riep de pachter, wel wat verschrikt. "Dát zou ik wel eens willen zien! Maar zeg eens eerst, is er voor geen gevaar te vreezen?..."
- "Gevaar? Och, een heel klein beetje... - Zoo is 't bijvoorbeeld niet geraadzaam, er te dicht bij te komen... Nu, zet alle deuren maar wijd open, en gij zult dadelijk den duivel zien verschijnen. Let wel - hij zal, daar, uit die kamer komen?..."
De boerin had algauw de deuren vierkant open gezet, en de student, zich tot de deur der naburige kamer keerend, sprak in het Latijn, wel wetende, dat de pastoor hem zou verstaan, met geveinsde plechtigheid de volgende woorden uit: "Collega, wees voorzichtig. Trek uwen toog wel over uwe ooren, buk u, en gebaar u krom en mismaakt, en als ik den derden keer zal in de hand slaan, loop dan recht de deur uit, driemaal kraaiend als een haan."
En -klats!klets! klits!- de student klapte in zijne handen, en zie! daar verscheen uit de donkere kamer eene zwarte gedaante, kraaide driemaal heel luid en scherp, en...weg was mijnheer pastoor, als had hij zelf den duivel gezien.
"Jongen, jongen," zei de pachter, nog half bevende van angst, "ik was er oprecht van verslagen!"
- "Ewel, hadt gij u den duivel zóo voorgesteld?" vroeg de student.
- "Neen," zei de boer, "zoo niet! Rechtuit gesproken, de rakker trok duivels wel op onzen pastoor!"
[Cfr. R. d. H., 13e jaar, eene bewerking van een sprookje van Andersen: de Groote Klaai en de kleine Klaai, waartoe dit sprookje benuttigd werd. Daar speelt namelik de kleine Klaai de rol van onzen student.
Pol de Mont.
Daar was eens een student die, naar huis terugkeerende, na eenigen tijd geen geld meer had, om te kunnen logist krijgen. 't Wa avond, en nog verre van huis zijnde, ging hij kloppen aan de deur van eene hoeve, en vroeg er "te slapen".
Op die hoeve woonde een rijke pachter, die een zeer lief wijfken bezat. De man had in zijne jeugd op de Latijnsche school gelegen, en zag heel geren studenten; maar hij kon op geen manieren pastoors verdragen. Nu meende hij te weten, dat de pastoor der parochie nog al dikwijls zijne vrouw kwam bezoeken, als hijzelf maar niet te huis en was, en hij besloot, in zijn eigen, bij de eerste gelegenheid de waarheid te achterhalen. Ook had hij, juist des morgends vóor den avond waarvan wij spreken, zijne vrouw aangekondigd, dat hij voor eenige dagen op reis moest gaan, en was daarop vertrokken. Jamaar, nauwelijks was het beginnen te donkeren, of de pastoor kwam op de hoeve aan. Knechts en meiden waren vroeg naar bed gezonden, en nu was het feest. Het aardige wijfken, dat integenstelling tot haren man een zwak had voor pastoors, had, op een twee drie, eene lekkere hesp, een gebraden kalkoen, een fijn kramikkenbrood en eenige lekkere flesschen jaarelver opgedischt, en heel dichtjes tegeneen geschoven, hield ons paarken banket.
"Tok! tok! tok!" gaat het plotseling op de deur. Of ze verschrikten, de twee tittelduifkens! "God weet, is hij het niet!" zei 't lieve pachtersken; en in een oogenblik waren hesp, kalkoen, kramik en wijn in de kleerkas geborgen, en de pastoor zelf, bevende als een riet, opgesloten in eene groote oude kist, in de groote kamer daarnevens.
"Wie is daar?" vroeg nu van binnen het vrouwken met heur fijnste stemmeken.
"Een arme student, die geen logist kan vinden, pachterske," werd geantwoord. - "Vrees niks. Ik ben nog zooveel uren van huis, en ik verzoek u, mij al was 't maar eenen stroozak te geven, om op te rusten."
De deur ging open, en de student werd al spoedig naar een klein slaapkamertje gewezen. Nu wilde het juist lukken, dat dit slaapsaletje maar door een heel dun houten schutsel van de keuken was gescheiden. Onze student, die lont geroken had, lei zich achter een klein spleetje op loer, en zie, na eenige minuten kwam mijnheer pastoor terug aan den disch, en met hem de lekkere hesp, de kalkoen, het kramik, en de fijne wijn.
"Jandorie nog toe," zei de student in zijn eigen; "ik hier met nuchtere maag moeten liggen en die leelijke zwartrok daar, nevens een zoo aardig poesje, aan eene prinsentafel zien zitten! Als ik ook eens..."
Maar, stil..."Tok! tok! tok!" klonk het weêr op de deur, en weêr sprong het paarken verschrikt op, - schotels en flesschen werden weer gauw-gauw weggestoken, en heer tikkenhaan sprong zoo snel hij kon de keuken uit en... den ouden koffer in.
Dezen keer en was 't geen lachen! 't Was de pachter in eigen persoon, en hij zag er wel wat bedronken uit. "Ge zijt zoo laat op, Mieken," vroeg hij; "is er dan...soms...bezoek geweest?"
- "Niet veel, man-lief...Een student is komen te slapen vragen, en ik heb hem daar zoo even zijne kamer gewezen."
- "En g'hebt den jongen toch eerst een beetje laten eten zeker, he? - Neen? - Wel, dan moet hij maar weder opstaan. Ik heb ook nog gestudeerd, en ik zie heel geren studenten. Waar slaapt hij?"
En de jongen wierd opgeroepen, en de pachter gaf zijne wederhelft bevel, om hesp en bier op te zetten.
Hesp en bier smaakten beide wel goed, maar onze student kon toch niet ophouden aan kramik, kalkoen en wijn te denken... Alras wist hij het gesprek op de tooverij te brengen, zoo dat de pachter hem eindelijk vroeg:
"Maar, zeg eens, vriend, ik heb altijd hooren vertellen, dat studenten ook tooveren kunnen. Is dat waar?"
- "Voorzeker, pachter!"
- "Voorzeker? Kunt gij dan tooveren? Zie, als gij mij den eenen of anderen toer wilt spelen, jongen, dan sla ik eene van mijne lekkerste wijnflesschen den hals af."
Dat was in de student zijne kaarten gespeeld.
- "Welnu, pachter," antwoordde hij, "dat is een woord! En ik ga u al dadelijk voldoen. Hocus, pocus, pas!... Drie woorden Latijn, pachter, en...ga kijk nu maar, in de kleerkas, dáar, in den hoek, zult ge vinden eene flesch lekkeren wijn, een kramik en eene kalkoen. En om u te doen zien, dat ik nog meer vermag, zoo wil ik, dat ze alle drij reeds "ontgonnen" zijn."
Of de pachter zijne handen te gaar sloeg van verwondering, en of de student kalkoen, wijn en kramik lekker vond!
"Jamaar, mijn deken," zei de pachter, die al meer en meer verwarmd scheen, toen de door hem beloofde flesch en nog twee harer zusters jaarelver, voor den pastoor bestemd, er ook...geweest waren. "Zóo gaan wij nog niet slapen, zulle! Hier moet nóg getooverd worden. Allo! laat hooren; welke toeren kunt ge nog?"
- "Nu ken ik nog éenen toer," zei de student, die door de schoone oogen van 't boerinneken verlokt, meêlijden begon te krijgen met...den man in den koffer. "Den duivel zelven kan ik hier doen verschijnen."
"Kunt gij dat?" riep de pachter, wel wat verschrikt. "Dát zou ik wel eens willen zien! Maar zeg eens eerst, is er voor geen gevaar te vreezen?..."
- "Gevaar? Och, een heel klein beetje... - Zoo is 't bijvoorbeeld niet geraadzaam, er te dicht bij te komen... Nu, zet alle deuren maar wijd open, en gij zult dadelijk den duivel zien verschijnen. Let wel - hij zal, daar, uit die kamer komen?..."
De boerin had algauw de deuren vierkant open gezet, en de student, zich tot de deur der naburige kamer keerend, sprak in het Latijn, wel wetende, dat de pastoor hem zou verstaan, met geveinsde plechtigheid de volgende woorden uit: "Collega, wees voorzichtig. Trek uwen toog wel over uwe ooren, buk u, en gebaar u krom en mismaakt, en als ik den derden keer zal in de hand slaan, loop dan recht de deur uit, driemaal kraaiend als een haan."
En -klats!klets! klits!- de student klapte in zijne handen, en zie! daar verscheen uit de donkere kamer eene zwarte gedaante, kraaide driemaal heel luid en scherp, en...weg was mijnheer pastoor, als had hij zelf den duivel gezien.
"Jongen, jongen," zei de pachter, nog half bevende van angst, "ik was er oprecht van verslagen!"
- "Ewel, hadt gij u den duivel zóo voorgesteld?" vroeg de student.
- "Neen," zei de boer, "zoo niet! Rechtuit gesproken, de rakker trok duivels wel op onzen pastoor!"
[Cfr. R. d. H., 13e jaar, eene bewerking van een sprookje van Andersen: de Groote Klaai en de kleine Klaai, waartoe dit sprookje benuttigd werd. Daar speelt namelik de kleine Klaai de rol van onzen student.
Pol de Mont.
Onderwerp
AT 1358C - Trickster Discovers Adultery: Food Goes to Husband Instead of Paramour   
ATU 1358C - Trickster Discovers Adultery: Food Goes to Husband Instead of Lover   
Beschrijving
Een student op weg naar huis krijgt onderdak in een boerderij. Vanuit zijn slaapkamer ziet hij door een kier in de wand hoe de boerin een feestje bouwt met de pastoor. Als er geklopt wordt verdwijnt het voedsel in de kast en de pastoor in een kist. De boer, die nogal aangeschoten is, komt binnen en laat de student halen om wat te eten. De student beweert dat hij kan toveren en tovert zogenaamd het voedsel in de kast, waarna ze zich er samen aan tegoed doen. Dan zegt de student, die medelijden heeft met de pastoor, dat hij de duivel kan laten verschijnen. In het Latijn geeft hij de pastoor de raad met zijn toga over zijn hoofd en kraaiend als een haan te verdwijnen. Dit gebeurt en de boer merkt op dat hij hem verduiveld veel op de pastoor vond lijken.
Bron
Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 3 (1890) p. 171
Motief
K1571 - Trickster discovers adultery: food goes to husband instead of paramour.   
Commentaar
1890
Trickster Discovers Adultery: Food Goes to Husband Instead of Paramour
Naam Overig in Tekst
Mieken   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
