Hoofdtekst
Rembrandt kreeg op zekere dag opdracht het portret van iemand te schilderen die als een gierigaard bekend stond en bovendien niet als 'moeders mooiste' kon worden aangemerkt.
Nu hebben kunstenaars gewoonlijk een hekel aan een vrek, want zelf zijn ze dat allerminst en Rembrandt vormde beslist geen uitzondering op die regel. Misschien dat de afkeer die de schilder van z'n cliënt had onbewust een rol heeft gespeeld bij het schilderen van het portret. In ieder geval kon het schilderij geen genade vinden in de ogen van de gierigaard, die natuurlijk ook de prijs veel te hoog vond. 'Goed,' zei Rembrandt, 'dan neemt u het maar niet, denkelijk weet ik er wel een andere bestemming voor.' Dat wist hij inderdaad, want hij spoedde zich naar zijn overbuurman in de Jodenbreestraat die een herberg dreef genaamd 'In de Aap'. 'Zeg buurman, geef me eerst maar eens een pint want ik heb een pracht van een dorst en kijk dan eens wat ik hier voor je heb. Nou, is dat geen juweel van een aap! Als je de aap, die nu bij jou boven de deur bengelt, eraf haalt en deze ervoor in de plaats hangt, dan is dat geen slechte ruil. Waar of niet?' 'Goed,' zei de waard, 'dat doe ik.' Aldus geschiedde. Nadat het schilderij eerst nog in sierlijke letters voorzien was van het opschrift 'In de Aap', werd het verwisseld tegen het nogal door weer en wind aangetaste bord dat al jaren boven de deur had gehangen.
'Verrek, kijk nou eens,' riep de baas van de naast de herberg gelegen groentezaak tegen een stel klanten, 'is dat effe een pracht aap! Maar hij lijkt wel op meneer...' Weldra stond een grote groep mensen grinnikend en niet zuinig met min of meer venijnige grapjes omhoog naar het bord te staren. Ook onze Harpagon kwam toegesneld en z'n woede was groot toen hij zijn konterfeitsel, zachtjes door de wind heen en weer bewogen, in de lucht zag hangen.
Briesend liep hij bij Rembrandt naar boven en nadat hij de grijnzende schilder getracteerd had op een uitvoerige scheldkanonnade, eiste hij alsnog het portret en verklaarde hij zich bereid de prijs te betalen. 'Jawel meneer,' zei Rembrandt, 'alles goed en wel, maar de waard aan de overkant heeft het schilderij van mij gekregen en het oude uithangbord heeft hij op de vuilnishoop gegooid, dus u zult hem toch schadeloos moeten stellen!' De vrek mocht tekeer gaan wat hij wou, hij kwam er niet onderuit en het eind van het liedje was, dat hij zowel voor de herbergier als voor de schilder in zijn geldbuidel moest tasten. 'Wie het onderste uit de kan wil...' riep Rembrandt hem nog na toen hij woedend naar beneden liep.
Nu hebben kunstenaars gewoonlijk een hekel aan een vrek, want zelf zijn ze dat allerminst en Rembrandt vormde beslist geen uitzondering op die regel. Misschien dat de afkeer die de schilder van z'n cliënt had onbewust een rol heeft gespeeld bij het schilderen van het portret. In ieder geval kon het schilderij geen genade vinden in de ogen van de gierigaard, die natuurlijk ook de prijs veel te hoog vond. 'Goed,' zei Rembrandt, 'dan neemt u het maar niet, denkelijk weet ik er wel een andere bestemming voor.' Dat wist hij inderdaad, want hij spoedde zich naar zijn overbuurman in de Jodenbreestraat die een herberg dreef genaamd 'In de Aap'. 'Zeg buurman, geef me eerst maar eens een pint want ik heb een pracht van een dorst en kijk dan eens wat ik hier voor je heb. Nou, is dat geen juweel van een aap! Als je de aap, die nu bij jou boven de deur bengelt, eraf haalt en deze ervoor in de plaats hangt, dan is dat geen slechte ruil. Waar of niet?' 'Goed,' zei de waard, 'dat doe ik.' Aldus geschiedde. Nadat het schilderij eerst nog in sierlijke letters voorzien was van het opschrift 'In de Aap', werd het verwisseld tegen het nogal door weer en wind aangetaste bord dat al jaren boven de deur had gehangen.
'Verrek, kijk nou eens,' riep de baas van de naast de herberg gelegen groentezaak tegen een stel klanten, 'is dat effe een pracht aap! Maar hij lijkt wel op meneer...' Weldra stond een grote groep mensen grinnikend en niet zuinig met min of meer venijnige grapjes omhoog naar het bord te staren. Ook onze Harpagon kwam toegesneld en z'n woede was groot toen hij zijn konterfeitsel, zachtjes door de wind heen en weer bewogen, in de lucht zag hangen.
Briesend liep hij bij Rembrandt naar boven en nadat hij de grijnzende schilder getracteerd had op een uitvoerige scheldkanonnade, eiste hij alsnog het portret en verklaarde hij zich bereid de prijs te betalen. 'Jawel meneer,' zei Rembrandt, 'alles goed en wel, maar de waard aan de overkant heeft het schilderij van mij gekregen en het oude uithangbord heeft hij op de vuilnishoop gegooid, dus u zult hem toch schadeloos moeten stellen!' De vrek mocht tekeer gaan wat hij wou, hij kwam er niet onderuit en het eind van het liedje was, dat hij zowel voor de herbergier als voor de schilder in zijn geldbuidel moest tasten. 'Wie het onderste uit de kan wil...' riep Rembrandt hem nog na toen hij woedend naar beneden liep.
Beschrijving
Rembrandt maakt een schilderij van een gierigaard die op een aap lijkt. De man wil niet betalen, waarna Rembrandt het schilderij cadeau doet aan de eigenaar van de herberg 'in de Aap'. Als de gierigaard erachter komt, wil hij het schilderij alsnog kopen, maar nu moet hij zelfs dubbel betalen: ook de herbergier moet schadeloos worden gesteld.
Bron
Koord, Ch.: Oude Amsterdamse Volksverhalen. Heerlen 1981. p. 105-107
Naam Overig in Tekst
Rembrandt   
Naam Locatie in Tekst
Jodenbreestraat   
