Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE026 - Het kleine Roodkapje

Een sprookje (boek), 1864

Hoofdtekst

HET KLEINE ROODKAPJE
In eene schoone en vruchtbare landstreek lag eertijds, lang geleden, een groot dorp. De huizen waren wel klein, maar van buiten zagen zij er toch zeer lief uit, en van binnen waren ze zindelijk en netjes; terwijl bij ieder huisje een tuintje behoorde, dat zeer goed onderhouden werd. Midden in het dorp stond de kerk, op een groot plein, dat beplant was met boomen, die stellig even oud waren als de kerk, en die des zomers eene heerlijke schaduw gaven.
Zoodra de school-uren waren afgeloopen, en als er niets bijzonders te werken viel op het land, plagt de lieve dorps-jeugd op dit plein bijëen te komen om te spelen; en dan werd er zoo gelagchen en pret gemaakt, dat men het, ik weet niet hoe ver wel , hooren kon. Kinderen waren er in het dorp genoeg, en zeer lieve kinderen ook, die gaarne te kerk en naar school gingen, om iets nuttigs te leeren. En er waren ook verscheidene mooije kinderen , met heldere oogjes en blozende wangjes; maar er was één meisje, dat in dit opzigt al de andere kinderen overtrof. Dit meisje was zulk een beeld van een kind, zoo engelachtig schoon , als er maar weinig worden aangetroffen; en daarbij was zij zoo zachtzinnig, zoo vriendelijk en zoo aanvallig, dat het eigentlijk jammer is dat niet alle kinderen zoo zijn. Hare moeder hield dan ook onbeschrijflijk veel van haar, en hare grootmoeder was letterlijk gek met het lieve kind.
Deze goede vrouw, die in een naburig dorp woonde, liet voor haar kleindochtertje een kapje maken van rood fluweel, gezoomd met zwarte kant. Met dit kapje was de vriendelijke kleine uitermate ingenomen, omdat het een geschenk was van hare goede grootmoeder, maar tevens omdat het haar zoo allerliefst stond. Men kan zich dan ook bezwaarlijk iets aanminnigers voorstellen, dan dit kind met haar roode kapje, met hare glinsterende blonde krulletjes, die daaruit te voorschijn kwamen, en met hare heldere, vriendelijke oogen, die iedereen toelachten. Men zag haar nu ook nooit anders meer, dan met dat kapje op, en daarom noemde men haar al spoedig door het gansche dorp: "Roodkapje". Ging Roodkapje over straat, door het dorp heen, dan bleven all menschen, oud en jong, stilstaan om haar na te kijken. En de moeders wezen haar dan aan hare eigene kinderen, en zeiden: "Daar gaat Roodkapje! Ach, waart gij ook maar zoo lief, en dan zoo vriendelijk en zoo oppassend!"
Op zekeren dag had de moeder van Roodkapje tulbandjes gebakken, en zij legde er een apart op eene tafel, en zette ook een potje boter daarbij. Wat zij daarmede doen wilde zullen wij aanstonds hooren, want zij zeide tegen haar dochtertje: "Roodkapje, gij zult van daag wel eens gaan zien hoe uwe grootmoeder het maakt. Ik heb gehoord dat zij ongesteld is. En dan kunt gij meteen een tulbandje voor haar medenemen en een potje boter." Roodkapje was hiermede zeer in haar schik, want zij ging gaarne naar hare grootmoeder, van wie zij zoo uitermate veel hield. En zij ging ook gaarne het bosch door; want de weg naar hare grootmoeder liep door een bosch, waar zulke heerlijke bramen te plukken waren en waar zulke schoone bloempjes langs den weg groeiden. Zij deed dus het tulbandje en het boterpotje in een witten doek, en begaf zich dadelijk op weg.
Naauwelijks echter was Roodkapje de deur uit, of zij werd van verre gevolgd, door een gast, die den zelfden weg scheen te gaan - maar een ijselijk leelijken gast. Het was de Wolf, de leermeester van den slimmen Vos; doch met dit onderscheid, dat de Vos slechts de kippen en eenden en ganzen van boeren steelt, terwijl de Wolf daarentegen hunne schapen en geiten uit het land haalt en verslindt.
Deze wolf sloop dus, gelijk ik zeide, ons Roodkapje van verre achterna, en had zeer veel trek om het lieve meisje te verscheuren en op te vreten. Doch zoo, op den publieken weg, durfde hij dat niet te doen; en hij was bang dat de menschen het zien zouden. "In het bosch zal het beter gaan," dacht hij. en verloor zijne prooi geen minuut uit het oog. Zoodra dus Roodkapje in het bosch kwam, was ook de Wolf dadelijk bij de hand. Maar toch - hij durfde het ook hier nog niet wagen zijn slechte voornemen ten uitvoer te brengen; want digt in de nabijheid hoorde hij houthakkers, die bezig waren eenige groote boomen om te hakken. Die houthakkers zouden hem waarschijnlijk met hunnen scherpe bijlen op zijne huid zijn gekomen, als hij het hart gehad had om het lieve Roodkapje kwaad te doen.
De wolf hield zich dus heel onnoozel, en zette een gezigt, zoo vriendelijk als hij slechts kon; en vroeg aan Roodkapje waar zij naar toe ging. Het goede kind, dat nog niet wist hoe gevaarlijk het is om zich met een Wolf in te laten, daar zij alle schepselen voor even onschuldig hield als zij zelve was, antwoordde zonder de minste bangheid: "Ik ga naar mijne grootmoeder, om haar een tulbandje en een potje boter te brengen, waarmede mijn moeder mij stuurt." "En woont uwe grootmoeder ver hier vandaan?" vroeg de slimme Wolf. "O Ja," antwoordde Roodkapje; "als men het bosch uit is, komt men eerst aan een molen, en voorbij dien molen ligt een dorp; en in het eerste huisje woont mijne grootmoeder. Kent gij de goede oude vrouw?" "Neen," gaf de Wolf ten antwoord; "maar ik ben verlangend om haar te leeren kennen. Ik zal haar eens opzoeken." "O ja, dat is goed; dat moet gij doen," antwoordde Roodkapje zeer blijde; "dat zal mijne grootmoeder stellig veel pleizier doen: want de goede oude ziel zit altijd geheel alleen, zonder de minste aanspraak te hebben." "Zoo!" vervolgde de Wolf; "woont uwe grootmoeder daar dan geheel alleen?" "Wel zeker," antwoordde Roodkapje; "wie zou zij bij zich hebben?" Het was niet goed van Roodkapje dat zij zoo spraakzaam was tegen den Wolf, dien zij toch slechts voor het eerst van haar leven zag. Aan iemand, dien men niet zeer goed kent, moet men niet zoo dadelijk alles vertellen wat men weet, en hem vooral geen dingen toevertrouwen die hem niet aangaan.
De Wolf had aandachtig geluisterd, naar alles wat Roodkapje gezegd had, en zijn besluit was dadelijk genomen, om ook de oude grootmoeder tot zijne prooi te maken. "Ik heb van daag juist den tijd," vervolgde hij; "dus wil ik uwe grootmoeder maar dadelijk eens een bezoek brengen. Gij gaat zekerlijk dezen weg langs, niet waar? Nu, ik ga langs eenen zijweg; en dan zullen wij eens zien wie van ons beiden er het eerst is."
Dit gezegd hebbende begon de Wolf te loopen zo hard als hij kon, en wel langs den kortsten weg. Roodkapje daarentegen liep niets harder dan te voren, want zij dacht: "Ik heb den tijd." Kort daarna zag zij, ter zijde van den weg, een boompje staan met groote hazelnoten; zij plukte er eenige, die zij kraakte en op-at. Vervolgens ontdekte zij een grooten braamstruik met heerlijke rijpe bramen er aan, en die plukte zij, om ze mede te nemen voor hare grootmoeder. Eindelijk kwam zij ook aan een plekje waar allerhande fraaije bloempjes bloeiden. Hier zette Roodkapje haar pakje op den grond, en ging zitten om een ruiker te plukken en een bloemenkransje te vlechten. Doch daarmede verloor zij zeer veel tijd; en zoodoende begon het reeds naar den avond te loopen eer zij er om dacht.
Ondertusschen had de Wolf zoo hard gedraafd als hij konde, en spoedig het huisje bereikt waar de grootmoeder woonde. Hij sloop eenige keeren rondom de kleine woning heen, om te zien of de oude vrouw werkelijk alleen was en of er geen gevaar voor hem bestond. Zoo gaat het, met degenen die kwaad doen, altijd: het minste geridsel maakt hen bang. De deur van het huisje was digt; en ofschoon de Wolf al nader en nader kwam sluipen om te luisteren, hij hoorde toch daar binnen geen de minste beweging. Dit deed hem eindelijk moed vatten, en hij begon zacht aan de deur te kloppen.
De oude grootmoeder was wel te huis, maar zij was werkelijk ziek geworden; en daarom was zij naar bed gegaan, en had een drankje ingenomen, dat zij reeds vroeger uit de stad had laten medebrengen; want zij had die ongesteldheden wel meer. Om nu niet te behoeven op te staan als er iemand in huis wilde komen, had zij een touwtje aan den klink van de deur gemaakt, waarmede men van buiten den klink kon optrekken. Zooals wij nu gezien hebben, had de Wolf eindelijk aan de deur geklopt. "Wie is daar?" riep de grootmoeder dadelijk.
"Ik ben het - uw kleine Roodkapje!" antwoordde de Wolf, met een veranderd en fijn stemmetje, zoo fijn als hij slechts konde. "Gij moet goeden dag hebben van moeder, en ik breng u een tulbandje en een potje boter. Doe maar spoedig open." "Trek maar aan het touwtje van den klink, dan zal de deur wel opengaan," riep de oude vrouw terug, want zij vermoedde volstrekt geen kwaad. De Wolf trok aan het touwtje, en de deur ging open. Dadelijk overviel hij nu de arme oude vrouw, en verslond haar in een zeer korten tijd; want hij was bijna uitgehongerd, daar hij reeds in drie dagen niet gegeten had. Vervolgens liep hij naar de kast, waar grootmoeders kleederen lagen: hij deed een halsdoek om, zette eene muts op, en ging zoo te bed liggen, om op Roodkapje te wachten, die stellig - dacht hij - veel lekkerder zou smaken, dan de oude, knokelige grootmoeder.
Roodkapje bleef ook niet lang meer weg, want het begon reeds vrij donker te worden. Aan de haar welbekende huisdeur klopte zij blijmoedig aan. "Wie is daar?" vroeg van binnen eene schorre stem. In het eerst schrikte Roodkapje wel eenigzins van dat onaangename geluid; docht zij bedacht zich dadelijk, en zeide bij zich zelve: "Grootmoeder zal verkouden zijn; en dat maakt zeker dat hare stem zoo heesch is." "Ik ben het," gaf zij dus ten antwoord: "uw lieve Roodkapje. Moeder stuurt mij, om eens te zien hoe gij het maakt ; en ik breng u een tulbandje en een potje boter. Maar doe toch gaauw de deur open, want ik ben zeer moe." De Wolf gaf zich nu nogmaals de grootste moeite, om zijne stem zoo fijn mogelijk te veranderen, en riep: "Ik leg te bed, mijn hartje! Doch trek maar aan het touwtje van den klink, dan zal de deur wel opengaan." Roodkapje trok aan het touwtje, de deur ging open, en zij trad binnen. "Ha, ha!" dacht de Wolf, toen hij het lieve kind naar binnen zag komen; en hij verschool zich dadelijk met zijn lelijken kop zoo digt mogelijk onder de dekens. Het was nu bijna donker in huis, en zoodoende was het bedrog van den slechten Wolf veel gemakkelijker, want Roodkapje kon zijn gezigt niet onderscheiden; en daar hij onder de dekens uit sprak, had ook zijne schorre stem niets verdachts. "Hoe gaat het met u, lieve grootmoeder?" vroeg Roodkapje deelnemend. "Niet best, mijn kind!" steunde de Wolf; "maar hoe komt het dat gij zoo laat komt?" "Het was zoo heerlijk in het bosch," gaf Roodkapje ten antwoord; "en ik heb zulke groote hazelnoten geplukt, en zulke lekkere bramen, en zulke mooije bloemen. Zie eens, wat ik voor u medegebragt heb! Rijpe bramen, en een ruiker, en een bloemenkransje. En wat moeder u stuurt zal u stellig ook wel smaken - een versch gebakken tulbandje, en een potje versche boter. Maar ik ben nu toch ook zeer moede, en koud ook - want er is sedert kort een scherpe wind op komen zetten." "Wel nu, leg dan alles maar op tafel of op een stoel," zeide de Wolf, "en kom maar spoedig bij mij in bed; dan zult gij wel warm worden, en goed kunnen uitrusten ook." Roodkapje trok nu hare bovenkleederen uit, en wilde bij grootmoeder te bed komen. Doch hoe verschrikte zij toen zij nu, digter bij komende, gewaar werd hoe hare grootmoeder veranderd was.
"Grootmoeder, wat hebt gij groote armen!" zeide zij.
"Dat is om u des te beter te kunnen omhelzen, mijn kind!"
"Grootmoeder, wat hebt ge lange beenen!"
"Dat is om des te beter te kunnen loopen!"
"Grootmoeder, wat hebt gij groote ooren!"
"Dat is om er des te beter mede te kunnen hooren, mijn kind!"
"Grootmoeder, wat hebt gij groote oogen!"
"Dat is om u des te beter te kunnen zien, mijn hartje!"
"Grootmoeder, wat hebt gij groote tanden!"
"Die heb ik om u te verscheuren!" riep hij.
En meteen greep de schandelijk Wolf het arme Roodkapje aan, en verslond haar even gulzig als hij het de grootmoeder gedaan had.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Beschrijving van het dorp, en van het uiterlijk, het rode kapje en karakter van Roodkapje, die als voorbeeld geldt voor andere kinderen. Op weg naar haar zieke grootmoeder wordt ze gevolgd door de wolf die haar in het bos wil opeten, maar dat uitstelt vanwege houthakkers met bijlen. Hij spreekt haar vriendelijk aan, Roodkapje is zo onverstandig om te vertellen wat ze gaat doen, waar en hoe grootmoeder woont. De wolf neemt de kortste weg naar grootmoeder, terwijl Roodkapje onderweg nog treuzelt. De wolf klopt aan, doet de stam van Roodkapje na, komt binnen en verslindt haar. Daarna verkleedt hij zich als grootmoeder en gaat in bed liggen wachten op Roodkapje. Als hij Roodkapje antwoordt op haar aankloppen, valt haar wel de schorre stem op. Ze merkt op dat grootmoeder lange benen, grote armen, oren, ogen en tanden heeft. Het antwoord op de grote tanden is dat de wolf haar daarmee kan verscheuren, en verslindt haar meteen.

Bron

Het kleine Roodkapje: een verhaal voor kinderen. Leyden: Noothoven van Goor, [1864]
KB: KW 1090 C 111
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

Commentaar

Naar Charles Perrault

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Wolf    Wolf   

Vos    Vos   

Datum Invoer

2019-01-31