Hoofdtekst
Het was een schoon en aardig kind,
Van wien ik wil vertellen,
En, schoon gij dat vermaakelijk vindt,
Toch zal 't u ontstellen.
Roodkapje was een kleine meid,
Die door een stout te wezen,
Haar moeder droefheid heeft bereid,
Zooals ge zelf zult lezen.
Onthoud dus wat dit boekje zegt,
Wil nooit uw moeder plagen,
En wees bescheiden en opregt,
Dat zult ge uw nooit beklagen.
Roodkapje leerde zoet en braaf,
Zooals de meeste zeggen,
Voor alles had ze een goede gaaf,
Dat is niet te weêrleggen.
De kinderen speelden graag met haar,
In huis of op de velden,
Vertoonde zich Roodkapje maar,
Geen, die haar niet verzelde.
Op school kreeg 't meisje nimmer straf,
Van moeder nooit geen knorren,
Zij maakte steeds haar werktaak af,
En deed het zonder morren.
Is nu Roodkapje zoo bemind,
Door 't grootste deel der menschen;
Grootmoeder hield van 't lieve kind,
Zooveel zij maar kon wenschen.
Zij had Roodkapje graag bij haar,
een dagje om te spelen,
Dan zocht zij alles bij elkaar,
Om haar niet te vervelen.
En ook Roodkapje ging wat graag,
Al was het afgelegen,
Haar voetjes waren dan niet traag,
Niets hield haar loopen tegen.
Dan lachte zij Grootmoeder toe,
Vertelde van haar spelen,
En luisterde geduldig toe,
Wat Grootje mee wou deelen.
Dan bragt ze aan Grootjes knie een stoof,
Om soms haar les te spellen,
En was die oude ziel wat doof,
Zij bleef maar door vertellen.
En moest zij 's avonds weer naar huis,
Dan kon 't haar wel eens hindren.
En schreide zij om 't bitter kruis,
Zooals de meeste kindren.
Eens, dat ze weer bij Grootje was,
Toen 't brave mensch verjaarde,
Kreeg ze een mooi kapje, juist van pas,
Voor haar van groote waarde.
De kleur was rood en o! zo fraai.
Nooit zag ze er zoo een dragen,
Misschien van wollen stof of saai,
Dat kon ik wel eens vragen.
Elk meisje roemde 't kapje zeer,
't Was ook om op te roemen,
Nu zou men haar, alleen om de eer,
Altijd Roodkapje noemen.
En als zij dan het kapje zag,
Dan dacht ze in liefde en trouwe,
Aan haar Grootmoeder iedren dag,
Die zoo geliefde vrouwe.
Eens was haar Grootje ongesteld,
Toen wilde zij er henen,
Haar hartje zei: voortgesneld,
"Wat zal dat Grootje weenen;"
Maar moeder zei: "wacht nog wat kind,
Ik zal wel voor haar zorgen."
"Ga! 'k weet dat gij het oudje mint,
Nu haastig dezen morgen.
Docht stil! ik maak wat waflen klaar,
Wil tot van middag wachten,
Dan zijt gij voor den avond daar,
En kunt ge er overnachten."
Naauw was de middag eindlijk daar,
Geen vreugde was nu grooter
Of klein Roodkapje stond reeds klaar,
Met waflen en met boter.
Zij ging op weg en spoedde voort,
Om 't zieke mensch te ontmoeten,
Nu zou zij spoedig ongestoort,
Het lieve Grootje groeten.
Zij was een groot eind voortgegaan,
En in het bosch gekomen,
Daar kwam een wolf op 't gangpad aan,
En dat deed 't meisje schroomen.
Doch, 't dier schien niet zoo kwaad gezind,
Roodkapje dacht niet verder,
"Misschien vindt ik" zei 't lieve kind,
"Wel hier of daar een herder."
De wolf bleef toen voor 't meisje staan,
En vroeg: "waartoe dat snellen,
Waarheen mag toch uw weg wel gaan.
Ge moest me het eens vertellen."
"Ik ga naar Grootje, 't derde huis
In 't dorp, ginds bij die molen,
Het 't arme Grootje ziek, o, kruis!
Zei 't meisje ook onverholen.
"Goed" - zei de wolf - "ik breng dan kruid
Om Grootje te genezen."
En hiermeê liep de wolf vooruit,
Om daar het eerst te wezen.
"Het is toch wel een goedig beest"
zei Kapje zeer tevreden.
"Ik wed dat Grootje nu geneest,
Dat blijkt mij uit zijn reden."
Roodkapje, die nu moede was,
Van 't nog al haastig loopen,
Ging zitten in het groene gras.
Wat zou tot spoed haar noopen?
De wolf, die kruiden zoeken zou,
Moest ook eerst verder wezen,
Hij was er zeker niet zoo gaauw
En dus had zij geen vrezen.
Zoo redeneert al vaak het kind,
Heeft het soms kwaad bedoelen,
En als het een uitweg vindt,
Dan sterkt het ons gevoelen.
Roodkapje was dat ook bewust,
En dacht niet aan haar pligten,
Zij keek in 't rond een bleef gerust,
Wat zou ze ook nu verrigten?
Maar ziet daar vlogen vlinders rond,
Met heele mooije kleuren,
Die Kapje allerkeurigst vond,
Zooals dat kan gebeuren.
Zo vlogen lustig om 't hoofd,
En zij terstond aan 't vangen.
Maar dacht niet wat zij had belooft,
Noch aan haar zoet verlangen.
De vlinders waren haar te vlug,
Zij kon er niet op hopen,
Dus keerde zij tot 't gras terug,
Vermoeid weer van het loopen.
Zij plukte kleine bloempjes af,
Omdat zij zich verveelde,
Die zij verscheurd aan de aarde gaf,
En zoo haar tijd verspeelde.
Zij schrikte eindelijk, want de zon,
Daalde in het westen neder,
Nu zij daarbij begrijpen kon:
Verlies uw tijd niet weder.
Voort ging zij nu met rassche schreên.
Wat zou zij toch beginnen,
De donker viel en zij alleen,
Waar kon zij hulpe vinden.
Zij had berouw, maar 't was te laat,
En wat zou Grootje zeggen?
"Och! hemeltje ik deed zo kwaad
Hoe moet ik 't overleggen."
Een vrouw die juist haar venster sloot,
Zei: "kind! waar gaat gij henen,
Loopt spoedig voort, 't gevaar is groot,
Er loopt een wolf zou 'k meenen."
Roodkapje ging weer angstvol voort,
En dacht aan alle dingen.
Zijn luistert of ze ook iets hoort,
Bij wat haar mogt omringen.
Terwijl Roodkapje zooal dacht,
En ging met angst en vreezen,
Liep onze wolf in volle kracht,
Om 't eerst in 't dorp te wezen.
Hij klopte toen bij Grootje aan,
"Wie is daar?" riep het vrouwtje,
"Waar komt gij nog zoo laat van daan?"
"Trekt even maar aan het touwtje."
Toen trad de wolf het huisje in,
Wat zou er nu gebeuren?
En ziet de wolf had grooten zin,
Het Grootje te verscheuren.
Hij deed het ook en at haar op,
Zij kon zich niet verweeren,
Hij schudde wreed zijn wilden kop,
En borg de vrouw haar kleeren.
Haar nachtmuts heeft hij opgezet,
Met lintjes om zijn kaken,
En sprong toen spoedig op het bed,
En kroop stil onder 't laken.
Maar nu kwam 't kind bij Grootje aan,
En zei: "hier ben ik weder"
"Zoo kind!" was 't antwoord, "wel gedaan,
Leg u wat bij mij neder."
Toen heeft het kind zich uitgekleed,
En schrikte van haar handen,
Och Grootje lief, o! bitter leed,
"Wat hebt ge groote tanden."
Ja! zei de wolf en vloog haar aan,
"Dat hebt gij niet geweten,
'k Heb zoo met Grootje ook gedaan,
Nu zal ik u opeten."
Hij keek nog eerst verwilderd rond,
En bromde om van te beven,
Of hij misschien bespieders vond,
Gevaarlijk voor zijn leven.
Hij sleepte 't kind de bedstee uit,
En scheurde met zijn tanden
Het vleesch van den gewonnen buit,
Van rug en been en handen.
Weg was Roodkapje 't arme kind,
Met vleesch en been verslonden,
Dat snoodheid steeds zijn offer vindt
Dat heeft zij ondervonden.
Zijt dus gehoorzaam t' allen tijd,
Doe steeds naar elks begeeren,
Het sprookje aan u toegewijd,
Moog' kindren! u dat leeren.
En als gij ooit eens wolven ziet,
Zij zullen u niet hindren,
Maar och! vergeet de les toch niet,
Dan zijt ge brave kindren.
Van wien ik wil vertellen,
En, schoon gij dat vermaakelijk vindt,
Toch zal 't u ontstellen.
Roodkapje was een kleine meid,
Die door een stout te wezen,
Haar moeder droefheid heeft bereid,
Zooals ge zelf zult lezen.
Onthoud dus wat dit boekje zegt,
Wil nooit uw moeder plagen,
En wees bescheiden en opregt,
Dat zult ge uw nooit beklagen.
Roodkapje leerde zoet en braaf,
Zooals de meeste zeggen,
Voor alles had ze een goede gaaf,
Dat is niet te weêrleggen.
De kinderen speelden graag met haar,
In huis of op de velden,
Vertoonde zich Roodkapje maar,
Geen, die haar niet verzelde.
Op school kreeg 't meisje nimmer straf,
Van moeder nooit geen knorren,
Zij maakte steeds haar werktaak af,
En deed het zonder morren.
Is nu Roodkapje zoo bemind,
Door 't grootste deel der menschen;
Grootmoeder hield van 't lieve kind,
Zooveel zij maar kon wenschen.
Zij had Roodkapje graag bij haar,
een dagje om te spelen,
Dan zocht zij alles bij elkaar,
Om haar niet te vervelen.
En ook Roodkapje ging wat graag,
Al was het afgelegen,
Haar voetjes waren dan niet traag,
Niets hield haar loopen tegen.
Dan lachte zij Grootmoeder toe,
Vertelde van haar spelen,
En luisterde geduldig toe,
Wat Grootje mee wou deelen.
Dan bragt ze aan Grootjes knie een stoof,
Om soms haar les te spellen,
En was die oude ziel wat doof,
Zij bleef maar door vertellen.
En moest zij 's avonds weer naar huis,
Dan kon 't haar wel eens hindren.
En schreide zij om 't bitter kruis,
Zooals de meeste kindren.
Eens, dat ze weer bij Grootje was,
Toen 't brave mensch verjaarde,
Kreeg ze een mooi kapje, juist van pas,
Voor haar van groote waarde.
De kleur was rood en o! zo fraai.
Nooit zag ze er zoo een dragen,
Misschien van wollen stof of saai,
Dat kon ik wel eens vragen.
Elk meisje roemde 't kapje zeer,
't Was ook om op te roemen,
Nu zou men haar, alleen om de eer,
Altijd Roodkapje noemen.
En als zij dan het kapje zag,
Dan dacht ze in liefde en trouwe,
Aan haar Grootmoeder iedren dag,
Die zoo geliefde vrouwe.
Eens was haar Grootje ongesteld,
Toen wilde zij er henen,
Haar hartje zei: voortgesneld,
"Wat zal dat Grootje weenen;"
Maar moeder zei: "wacht nog wat kind,
Ik zal wel voor haar zorgen."
"Ga! 'k weet dat gij het oudje mint,
Nu haastig dezen morgen.
Docht stil! ik maak wat waflen klaar,
Wil tot van middag wachten,
Dan zijt gij voor den avond daar,
En kunt ge er overnachten."
Naauw was de middag eindlijk daar,
Geen vreugde was nu grooter
Of klein Roodkapje stond reeds klaar,
Met waflen en met boter.
Zij ging op weg en spoedde voort,
Om 't zieke mensch te ontmoeten,
Nu zou zij spoedig ongestoort,
Het lieve Grootje groeten.
Zij was een groot eind voortgegaan,
En in het bosch gekomen,
Daar kwam een wolf op 't gangpad aan,
En dat deed 't meisje schroomen.
Doch, 't dier schien niet zoo kwaad gezind,
Roodkapje dacht niet verder,
"Misschien vindt ik" zei 't lieve kind,
"Wel hier of daar een herder."
De wolf bleef toen voor 't meisje staan,
En vroeg: "waartoe dat snellen,
Waarheen mag toch uw weg wel gaan.
Ge moest me het eens vertellen."
"Ik ga naar Grootje, 't derde huis
In 't dorp, ginds bij die molen,
Het 't arme Grootje ziek, o, kruis!
Zei 't meisje ook onverholen.
"Goed" - zei de wolf - "ik breng dan kruid
Om Grootje te genezen."
En hiermeê liep de wolf vooruit,
Om daar het eerst te wezen.
"Het is toch wel een goedig beest"
zei Kapje zeer tevreden.
"Ik wed dat Grootje nu geneest,
Dat blijkt mij uit zijn reden."
Roodkapje, die nu moede was,
Van 't nog al haastig loopen,
Ging zitten in het groene gras.
Wat zou tot spoed haar noopen?
De wolf, die kruiden zoeken zou,
Moest ook eerst verder wezen,
Hij was er zeker niet zoo gaauw
En dus had zij geen vrezen.
Zoo redeneert al vaak het kind,
Heeft het soms kwaad bedoelen,
En als het een uitweg vindt,
Dan sterkt het ons gevoelen.
Roodkapje was dat ook bewust,
En dacht niet aan haar pligten,
Zij keek in 't rond een bleef gerust,
Wat zou ze ook nu verrigten?
Maar ziet daar vlogen vlinders rond,
Met heele mooije kleuren,
Die Kapje allerkeurigst vond,
Zooals dat kan gebeuren.
Zo vlogen lustig om 't hoofd,
En zij terstond aan 't vangen.
Maar dacht niet wat zij had belooft,
Noch aan haar zoet verlangen.
De vlinders waren haar te vlug,
Zij kon er niet op hopen,
Dus keerde zij tot 't gras terug,
Vermoeid weer van het loopen.
Zij plukte kleine bloempjes af,
Omdat zij zich verveelde,
Die zij verscheurd aan de aarde gaf,
En zoo haar tijd verspeelde.
Zij schrikte eindelijk, want de zon,
Daalde in het westen neder,
Nu zij daarbij begrijpen kon:
Verlies uw tijd niet weder.
Voort ging zij nu met rassche schreên.
Wat zou zij toch beginnen,
De donker viel en zij alleen,
Waar kon zij hulpe vinden.
Zij had berouw, maar 't was te laat,
En wat zou Grootje zeggen?
"Och! hemeltje ik deed zo kwaad
Hoe moet ik 't overleggen."
Een vrouw die juist haar venster sloot,
Zei: "kind! waar gaat gij henen,
Loopt spoedig voort, 't gevaar is groot,
Er loopt een wolf zou 'k meenen."
Roodkapje ging weer angstvol voort,
En dacht aan alle dingen.
Zijn luistert of ze ook iets hoort,
Bij wat haar mogt omringen.
Terwijl Roodkapje zooal dacht,
En ging met angst en vreezen,
Liep onze wolf in volle kracht,
Om 't eerst in 't dorp te wezen.
Hij klopte toen bij Grootje aan,
"Wie is daar?" riep het vrouwtje,
"Waar komt gij nog zoo laat van daan?"
"Trekt even maar aan het touwtje."
Toen trad de wolf het huisje in,
Wat zou er nu gebeuren?
En ziet de wolf had grooten zin,
Het Grootje te verscheuren.
Hij deed het ook en at haar op,
Zij kon zich niet verweeren,
Hij schudde wreed zijn wilden kop,
En borg de vrouw haar kleeren.
Haar nachtmuts heeft hij opgezet,
Met lintjes om zijn kaken,
En sprong toen spoedig op het bed,
En kroop stil onder 't laken.
Maar nu kwam 't kind bij Grootje aan,
En zei: "hier ben ik weder"
"Zoo kind!" was 't antwoord, "wel gedaan,
Leg u wat bij mij neder."
Toen heeft het kind zich uitgekleed,
En schrikte van haar handen,
Och Grootje lief, o! bitter leed,
"Wat hebt ge groote tanden."
Ja! zei de wolf en vloog haar aan,
"Dat hebt gij niet geweten,
'k Heb zoo met Grootje ook gedaan,
Nu zal ik u opeten."
Hij keek nog eerst verwilderd rond,
En bromde om van te beven,
Of hij misschien bespieders vond,
Gevaarlijk voor zijn leven.
Hij sleepte 't kind de bedstee uit,
En scheurde met zijn tanden
Het vleesch van den gewonnen buit,
Van rug en been en handen.
Weg was Roodkapje 't arme kind,
Met vleesch en been verslonden,
Dat snoodheid steeds zijn offer vindt
Dat heeft zij ondervonden.
Zijt dus gehoorzaam t' allen tijd,
Doe steeds naar elks begeeren,
Het sprookje aan u toegewijd,
Moog' kindren! u dat leeren.
En als gij ooit eens wolven ziet,
Zij zullen u niet hindren,
Maar och! vergeet de les toch niet,
Dan zijt ge brave kindren.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Beschrijving uiterlijk en karakter Roodkapje, haar omgang met grootmoeder; haar onnadenkendheid om de wolf te vertellen dat ze op weg is naar de zieke grootmoeder, te geloven dat de wolf kruiden gaat zoeken om grootmoeder beter te maken en het verzaken van haar plicht om meteen naar grootmoeder te gaan. De wolf eet grootmoeder op, gaat met haar nachtmuts op in bed liggen, nodigt Roodkapje in bed te komen liggen. Roodkapje schrikt van haar grote handen, en als ze opmerkt dat grootmoeder grote tanden heeft, zegt de wolf dat hij haar net als grootmoeder zal verscheuren.
Bron
Roodkapje: een sprookje van Moeder de Gans. Leiden: [s.n.], [1864]
KB: KW Ki 1646
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW Ki 1646
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Grootje   
Kapje   
