Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BOERDE14 - [Ic prijs een wijf die haren man]

Een mop (), 14e eeuw

Hoofdtekst

[Ic prijs een wijf die haren man]
Ic prijs een wijf die haren man
Verdwasen can ten sot;
Al duet si hem die bleau hoeyck an,
Hi waent dat hi is hair afgod.
5 Al dez gelijc viel in spot
Tot eenre herrebergen van enen gast
[...]
Mer mitter vrouwen houeerdi vast.

Ende wat die guede gesel verteerde,
10 Screfmen an die want mit crijt.
Hi rekende altoes mit den werde,
Mer die vrouwe scolt hem quijt.
Dat dochte den waert een cranck profijt,
Want hem triuelde in sinen moet,
15 Mer sijn wyf dreychde hi mitter smijt,
Mer doch si maect hair al guet.

Si ghinc tot hair hertsen heer
Ende seyde: hoe moeghen wi dit verleyden,
Dat ic mach bliven in mijn eer
20 Ende wi onse vrienscap niet en sceyden?
Die jonghe man sprac mit groter wysheiden:
Draecht uwen man der gulden acht
Ende segghet hem dat hi mi sel ontbeyden
Int pryel ter middernacht.

25 U beste cleder ende uwe ghewade
Selghi uwen man an doen;
Ghi selten smeken ende raden
Dat hi voir u sal gaen int groen.
Te wijl sal ic cleder ende scoen
30 Wt doen ende comen bi v slapen
Ende spelen als wi sijn ghewoen
Ende laten den esel sitten gaepen.

Die vrouwe ghinc tot haer ghec
Ende toechde dair toe achte gulden.
35 Si sprac: lief, wi hebbens groot ghebrec,
Dit ghelt is v, lief man, ende mijn.
Hi gaft mi, die achte florijn,
Om dat ic soude comen inden boemgairt.
Duet an mijn cleder, die reyse is dijn;
40 Hi sel v cussen, deckt uwen baert.

Die guede man dede sijns wijfs raet.
Si ghinc hem cleden recht of hi soude gaen dansen;
Gelijc ene vrouwe was sijn ghelaet,
Gehult was hi mit eenre ransen.
45 Int groen ghinc hi mit sijnre cransen
Sitten tot ouer middernacht,
Te wyl sijn wyf speelde hair siccansen
Tot dat die jongelinc had volwracht.

Doe ghinc hi hem weder cleden ende scoeyen,
50 Den cluppel nam hi in sijn hant;
Den ezel mocht wel vernoyen:
Die jonghelinc quam dair hi hem vant.
Hi sprac: joncfrouwe, wair is mijn pant?
Ic heb v ghelofte wel ghehouden.
55 Ghi maect van uwen man een plimant;
Bi gode, ghi waert dair om ghescouden!

Dat ic hier coem, dats op een proeuen.
Die jonghelinc quam dair hi hem vant.
Hi sprac: quade vrouw, god moet v bedroeuen!
60 Ghi set uwen man op hugen banc.
Die waert die moeste die slaech ontfaen
[...]
[...]
Mijn wijf is guet ende ghi sijt ghetrou.

65 Doe ghinghen si onder hem drien hoeven,
Ghelijc dat si te voren daden.
Die wert die ghinct hem seer belouen,
Van sinen gast liet hi hem raden.
Der vrouwen hert, dat wert ontladen,
70 Want si vercreech hair beiden prijs;
Si leveden inder camenaden
Gelijc dat scapen mit wolven grijs.

Die wert had sinen gast te liever,
Dat hi castien waande sijn wijf.
75 Hi sprac: mi es gheriever
Gelijc yoft wair mijns selfs lijf.
Al dat hi verteren mach, dat scrijf,
Want guede vrouwen en hebbens scout
[...]
80 [...]

(De Middelnederlandse boerden. Voor het eerst verzameld uitgegeven door C. Kruyskamp. 's Gravenhage 1957, p.80-83)

Beschrijving

Een vrouw wil haar minnaar ontmoeten zonder dat haar man afweet van haar overspel. Samen met haar minnaar verzint zij een list. De vrouw vertelt haar man dat haar een oneerbaar voorstel door iemand is gedaan, die haar wil ontmoeten in de boomgaard. De echtgenoot verkleedt zich daarop als zijn vrouw om zijn eer te wreken. Hij wacht echter voor niets, want ondertussen liggen de minnaar en de vrouw samen in bed. Vervolgens gaat de minnaar ook naar de boomgaard en zegt tegen de echtgenoot dat dit een proef was om de eer van de vrouw op de proef te stellen. De echtgenoot is nu niet meer achterdochtig.

Bron

De Middelnederlandse boerden. Ed. C. Kruyskamp. 's Gravenhage 1957, p.80-83

Commentaar

14e eeuw
Zie ook: F. Lodder, `Een genre der boerden', in: Queeste 2 (1995) p. 54-71.
F. Lodder, `De moraal van de boerden', in: Nieuwe Taalgids 75 (1982) p. 39-49.
F.J. Lodder, Lachen om List en Lust. Studies over de Middelnederlandse komische versvertellingen. Ridderkerk 1996.

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21